terug  begin  verderprepost
[p. 45]origineel

[Avondstilte]



illustratie

De volgende verzen zijn getrokken uit de ‘Vlaamsche Vlagge, tijdschrift voor het vlaamsche studentenvolk’, jaargang 1877, waarin wij het onlangs vonden met de naamletters H.V.

Uit genomen inlichtingen bleek dat de zedige schrijver niemand anders was dan Hugo Verriest, leerling van Guido Gezelle, leermeester van Albrecht Rodenbach, leider der Westvlaamsche studenten-beweging, en de fijnste en breedste geest dien wij in Vlaanderen ontmoetten.

Die ongemeen innemende man, die door zijn verstand, zijn karakter, zijn persoon, voor de hoogste onderscheidingen bestemd mocht heeten, is noch kannunik, noch lid eener academie, noch zelfs een befaamd literator; hij is eenvoudig pastoor te Wacken, een dorpje van Westvlaanderen, - en met dien toestand tevreden.

Wij zijn zoo vrij dit stuk te herdrukken, omdat het tot heden in de Nederlandsche letterkunde onbekend bleef, en daar eene eereplaats mag bekleeden. Wij kennen er geene uiting van reiner, hooger melancholie: tristitia rerum.

Van 't oogenblik dat die verzen - waar een heele wereld in wentelt - geschreven werden, was de tijd aangebroken voor eene algemeene, klassieke, tevens echt-vlaamsche poëzie. Albrecht Rodenbach ging die scheppen, doch na 't schrijven van een meesterstuk, ‘Gudrun’, stierf hij, nog student zijnde te Leuven, - en dat was eene der grootste smarten in het leven van Hugo Verriest.

 

P.V.L.

[p. 46]origineel
Avondstilte.
 
't Wordt laat, en 't zwijgen zinkt met stillen avond neder,
 
En, stille, de avond dringt me in 't eindloos diepe hert,
 
En 't eindloos herte, moe van 't wentlen weg en weder,
 
Staakt 't wentelen en rust in stille zoete smert.
 
O smert, geen zoetheid kan aan 't rustend zoet genieten,
 
Het zoet genieten van uwe ijdele eindloosheid,
 
Uwe ijdele eindloofheid die 't droomen vol kan gieten,
 
Het stille droomen van des avonds eenigheid.
 
't Is eens en avond, en de duisternissen dalen
 
In halve duisternis doorschijnend in den nacht,
 
Waar schijnend heldre sterren aan den hemel pralen,
 
Den hemel licht doorlaaid in heldre sterrenpracht;
 
Die sterrenpracht die ginds oneindig wendt en wiegelt,
 
Oneindig wendt en wiegt in 't meteloos gespan,
 
En meetloos in den kleenen klaren dauwdrop spiegelt,
 
Den dauwdrop, mijne ziel, die 't eindloos spieglen kan.
 
Het eindloos hangt daar hoog en ligt hier neêr te droomen,
[p. 47]origineel
 
Te droomen in de vlakte en in het zwijgend woud,
 
Het woud dat zwijgend rijst met halfverlichte boomen,
 
Die boomen vormeloos die schijnen eeuwenoud:
 
Want eeuwenoud is 't al en meteloos te samen
 
Als samen stilte ligt en nacht op de natuur,
 
Natuur, onroerbaar stil waar blad noch boomen aâmen,
 
Noch de adem van den tijd waait in de drijvende uur.
 
De drijvende uur ligt stil op roerelooze boomen,
 
En roerloos voor den bosch strekt 't ongemeten land,
 
Het ongemeten land dat donkre verten zoomen,
 
Die verten meteloos lijk zeën zonder strand.
 
En zeeën zonder strand van stille zoete smerte,
 
Van smert onroerbaar, kalm en vrij van bitterheid,
 
Onroerbaar liggen, kalm, in 't zwijgend eindloos herte,
 
Met 't eindeloos gevoel der eeuwige eindloosheid.
 
 
 
1877 Hugo Verriest.


illustratie

prepostterug  begin  verder