terug  begin  verderprepost
[p. 55]origineel


illustratie
Teekening van G. Morren.

Mandragora

Dramatis Personae:

Moses profetax. Michaël Archangelus.
Bezaleël } Judaei. Mirjam.
Aholiab } Judaei.  

Nocte Uri Bezaleël, Ahisamach Aholibah, sub Sinaï montem dormiunt. Emergit Cynosura.
Expergefiunt Aholiab et Bezaleël; geneculantes tenent cupaculum aureum et pannum violaceum.
[p. 56]origineel
Bezaleël
 
In den veertigste nacht tot offeren
 
bij den berg gekomen
 
sliep ik.
Aholiab
 
Stilte is na de reizangen.
 
Niet langer zonglinstert wijd in de vert
 
het Gouden Kalf.
Bezaleël
 
Het goudlicht is verslonden
 
door het glansopnemend Hemeldier.
Aholiab
 
Moses, Moses!
 
keer tot de gedwaalden,
 
sterk in uw vasten stap de achter tredenden.
Bezaleël
 
Moses, wij volgen,
 
Moses, voer ons door de zandige wegen,
 
tot het vruchtige land.
[p. 57]origineel
Aholiab
 
Breek met uw wonderhand
 
de schijnbeelden als valsche weegpalen.
 
Keer tot de gedwaalden.
Bezaleël
 
Neem, Jehovah, het werk mijner handen tot offer;
 
zie het doek waarin ik uw naam spon als zon,
 
terwijl uw stralen werden
 
als lotosbloemen en leeuwharten.
 
Rein en ledig is het midden;
 
mocht daar uw voorhoofd rusten,
 
Jehovah!
Aholiab
 
Neem, Jehovah, het werk mijner handen tot offer;
 
een wierook-tobbe smeedde ik,
 
en tot vorm nam ik uw hand die Gij
 
hebt opgeheven toen uw lippen
 
‘Er zij Licht’
 
spraken.
 
Kon zij zalven bevatten u waard,
 
Jehovah!
Bezaleël & Aholiab
 
Jehovah, die ons het leven gaaft,
 
en in dit kracht tot werk
 
in uw Eer,
 
wij wijden u wat uw Geest
 
door ons vormde, Jehovah!
[p. 58]origineel
Bezaleël
 
Mij was een vreemd gezicht:
 
slapend zag ik mijn rustend beeld,
 
en de bewegingen van mijn ziel
 
vormden zich;
 
gestalten ademden van mijn mond,
 
engelen en vrouwen;
 
snelhoog zouden geheven zijn de cherubs,
 
maar de kleed-zoomen eindden in vrouwen-handen,
 
en zwaar gingen ze op,
 
zwaar van staat.
 
Mijn vinger-bewegen was geworden
 
geren van paarden over een vlakte,
 
als de grond loeit.
 
Toen is ook belijfd het zien van mijn oogen;
 
met bliksemrompen onder sterhoofden,
 
zijn ze trillend gestormd over de aarde;
 
een vlam werd mijn lichaam,
 
innerlijk bewaarheid tot een edelsteen.
Aholiab
 
Slapend heb ik op een berg gestaan.
 
Ommuurd zag ik de stad;
 
mij was als kon ik ontbinden het diepste,
 
want anders in samenvoeg
 
maar één in grond waren breed doode muren,
 
en gaande menschen met hun nieuwvormende liefde;
 
zwaar met ketting hing aan mijn hals de stad,
 
en ik bukte haar altijd ziend;
 
donderend heb ik toen in spierspanning
[p. 59]origineel
 
opgerukt de stad
 
tot ze geheel mijn was.
 
Nooit heb ik naar boven gezien.
 
‘Mijn lijk zal neêrslaan en bedekken
 
wat mijn nekkracht opspalkt’
 
Zoo was mijn weten en ik zag niet op.
Bezaleël & Aholiab
 
Moses, keer tot de ontwaakten!
 
Moses, leid ons in uw stem!
 


illustratie

Tum Mirjam lente aderrans fomnambulans primo moestavoce, deinde fere delirans dicet:
 
Tusschen twee bergen door zie ik de zee-ziel,
 
de zee, de wijde eeuwige zee,
 
de zee die alles is,
 
de zee, de wijde eeuwige zee.
 
Zwaar in opgang zijn zij,
 
maar tusschen zult gij niet gaan;
 
ondoorgankelijk is daar de lucht
[p. 60]origineel
 
van het scharlaken beest waarop de hoer,
 
want leven is ontucht,
 
van levende Sodom-wasemen,
 
want leven is on-natuur,
 
van roode incest-draken,
 
want leven is bloedschande.
 
Vrouwen die bloedserpenten, vrouwen die vlamslangen zijt,
 
o het bloeiend rozenrood van wondkussende lippen,
 
de macht, de Godgelijke wereldmacht
 
van ongesloten doodsoogen,
 
de sterrende sneeuwkristallen
 
van kinderstemmen.
 
 
 
Gij zoudt mij kussen;
 
waar is de plek?
 
zal het zijn het licht van mijn borsten?
 
zal het zijn de rondte mijner buik,
 
moederlijk als de aarde?
 
mijn lippen die als het fonteinbekken
 
van wijsheid zijn?
 
mijn strenggedragen ruggemeer,
 
zoetweggolvend?
 
zullen het de afgronden van mijn oogen zijn?
 
Wee mij! het zullen mijn haren niet zijn,
 
die zondevloed die de zilveroevers
 
van mijn schouderen bestroomt.
 
Mijn hart, mijn hart zelf
 
zal komen en dringen zich
 
door de vriendschap van mijn vleesch
 
tot uw kus.
[p. 61]origineel
 
Neen, mijn ziel alleen zult ge kussen
 
in den nacht van wedergeboorte,
 
als de boomen zon zijn,
 
mijn hoogvleugelige
 
klankdoorkuste
 
kleurdoorademde ziel,
 
van uw mond levensvruchtig,
 
en de vezelfiguren van mijn lichaam zullen
 
stralen zijn om een edel midden.
 
 
 
Zie, op de eene berg is zwart licht,
 
zoo in kracht als het blinkend aan gene zij.
 
En kreetstemmen gelijk in klankswaarte
 
met hymnen,
 
bokslucht sterk als wierook.
 
 
 
Zoo ik sta tusschen uw bergen,
 
leg ik mijn handen blank over de toppen,
 
is niet mijn lijf oneindig als de zee?
 
Zoo deinen mijn borstgolven,
 
heft zich onder lippenbliksem
 
de oceaan mijner buik,
 
zoo verdrinkt gij tusschen mijn armen,
 
want meer dan de zee ben ik uw moeder,
 
zooals ik zijn zal die uwer kinderen,
 
uw voedbronnen zullen die van uw volgenden zijn.
 
 
 
Zwart offer in vuur,
 
blank offer in pijn.
 
Bij het sluiten uwer oogen
 
zal ik een boom zijn;
[p. 62]origineel
 
mijn vruchten zult gij eten in Eeuwigheid,
 
en verbod.
 
Gij zelf hebt ze verwekt, het zijn de uwen.
Bezaleël
 
Zij slaapt:
 
in den slaapspiegel ziet zij wondere gezichten.
Aholiab
 
In de maanschijn
 
plukte zij het doodende alruin.
Mirjam
 
Maar dan zal ik in overvloed voldaan zijn;
 
blank als zilver zal ik zijn en uw denken
 
aan mij is geen storm meer
 
maar leeuwrik-schalmei.
 
Een smalle waterstraal
 
even onder verbreed
 
in het vlinderend gejoel om mij.
 
Luisterend zult gij zitten
 
waar mij schuimend de grond opzilvert,
 
mijn sluier doorwaast de wereld in tranen,
 
leven brengen mijn druppels.
 
 
 
Mijn geestkelk ontvangt
 
uw donkere woorden,
 
die wanneer zij geheven wordt een groen
 
weerschijnde vlam zijn;
[p. 63]origineel
 
in mijn damast zielweefsel
 
komen kristallijn figuren;
 
ik ben een zuiver water met kleur
 
van zonlibellen.
 
 
 
Mijn rijp gebersten vruchten laten
 
werelden los,
 
die door den nachthemel als sterren vallen
 
in den nacht van wedergeboorte,
 
in den zwaar doorklonken nacht van
 
afgronden en monsters,
 
in de geuren doorzielde nacht,
 
in den nacht van wedergeboorte.
Silentium satis longum.
Bezaleël
 
Mirjam, Mirjam!
Aholiab
 
Ontwaak, Mirjam.
Tum Mirjam expergefactus dicet:
Mirjam
 
Wie roept mij?
Bezaleël
 
Zaagt gij visioenen van metaalglans, Mirjam?
 
Gij hebt de reien gevoerd om het Gouden Kalf.
[p. 64]origineel
Tum Moses a summo Sinaï monte cantabit.
Moses
 
Jehovah Vader Almacht.
Aholiab
 
Als teruggeslagen zonneflikkeringen
 
hebt gij heel den dag in zijn geglinster gezongen.
Mirjam
 
Zal ik zingen voor u
 
die ernstig en eenzaam zijt?
 
Zal ik dansen voor u?
Silent Bezaleël et Aholiab, saltans Mirjam cantabit.
Mirjam
 
Moederkens bloesem roode voetjes
 
Kussen den grond van 't Paradijs,
 
Moederkens oogen den Hemel kusten,
 
Lieve Gods groetenis Adamsluste,
 
Aedie thele
 
Het Paradijs,
 
Sterre moer
 
Baart zonnekind,
 
Zonnekind geele,
 
Aedie thele,
 
Zonnekind.
[p. 65]origineel
 
Gehoorende slang met bloedsteenen oogen,
 
Slang met kop van den kooperen stier,
 
Gladdige slangbuik verijsd van melke,
 
Slang waar gij krinkelt de bloemen welken,
 
Aedie thele
 
Slangende stier,
 
Uit het Noord
 
Stormde een rund
 
Loeiend van keele,
 
Aedie thele,
 
Kooperen keel.
Bezaleël & Aholiab
 
Gouden God-Rund
 
geweid langs Hemelpaden,
 
trouwe Stier,
 
wel was uw vader een zonnestraal,
 
uw moeder de koe wier zwartzilveren melk
 
de aarde bloeiend maakte.
 
De bronsbeglansde aardmoeder
 
kuste u tusschen de hoomen,
 
gouden God-Rund
 
geweid langs Hemelpaden,
 
trouwe Stier
 
uit het land waar ook ons graan gaf de zon,
 
het purperen droomland,
 
Apis-Isis kind.
Moses
 
Jehovah Vader Almacht.
[p. 66]origineel
Mirjam
 
De wind rooft mijn stem, loom zijn mijn voeten.
Bezaleël
 
Zing Mirjam,
 
als een stroom donkere bloemen
 
onder den violen
 
sterhemel.
Aholiab
 
Dans Mirjam,
 
als de roode vogel Ibis
 
vleugelend naar het Zonsopkomen.
Mirjam
 
Geeft mij uw offers.
Tum Bezaleël et Aholiab tradent pannum violaceum et cupaculum aureum.
Moses
 
Jehovah Vader Almacht.
Mirjam
 
Tusschen haar borsten de glimmende Stierkop
 
Kauwend den appel met bloedoogenlach,
 
Klammend gekronkt om de bleeke lenden,
 
Oog tot haar oogen niet af te wenden,
 
Aedie thele
 
Bloedoogenlach,
 
Zonnekind,
[p. 67]origineel
 
Slangenrund,
 
Gloeiende teelen,
 
Aedie thele,
 
Gouden Kalf.
Moses proximus alta voce cantat.
Moses
 
In zes dagen hebt gij het al geschapen,
 
mijn vader is in um handen gevormd,
 
Uw klanken als dauw op mijn voorhoofd gezegd
 
zijn vuur in mij.
Mirjam
 
Aedie thele.
Bezaleël & Aholiab
 
Moses keer weer.
Moses
 
Jehova Vader Almacht.
Silet dum sacra violata adspicit.
Moses
 
Groot stond ik eenzaam in zaalpoort.
 
Ik zag niets dan het woestijn kil
 
dat Jesus had betreden;
 
ik proefde nog de wilde honing,
 
de kelderdufte had niet kunnen dooden
 
de strenge geur van kemelhaar;
[p. 68]origineel
 
ik begon te zien, een rooden bal
 
schetterde door de vreemd doorsteende bogen,
 
stormend zwenkte de zwarte vrouw.
 
Groot ftond ik eenzaam in de zaalpoort,
 
in mij zagen eenmaal de oogen.
 
Over mij voor de verre zaalpoort
 
stond de gestalte.
 
Zijn lach orkaande boven door,
 
zijn schedel bonkte met de rinkelbommen
 
tegen pilasters.
 
 
 
De zwart magere dans is voor mij gegaan,
 
bekorings-dans;
 
in den nevel heb ik mijn bloed gezien,
 
mijn eigen bloed.
 
Blank rinken nu zijn handenschijven
 
met kussen mengend.
 
 
 
En toen mijn hoofd in de ijlte was
 
en mijn ziel zich wendde,
 
zagen mijn lichaamsoogen,
 
heel de zaal door vurig gesterd,
 
Judas, Salome,
 
in doodelijke zilverkussen.
 
 
 
Groot lag in de zaalport mijn hoofd,
 
toen mijn ziel het woestijn kil doorgleed
 
van Jesus betreden;
 
het water vaarwel lachte
 
geraakt van Jesus,
[p. 69]origineel
 
Door danste in omhelzing der kil
 
geschedelde het zwarte paar.
 
 
 
Vrouw, achter u staat de moeder,
 
van wereld-barensnood lacht haar smart
 
bij uw dansen.
 
Uw dansen is baren,
 
bij iedere grondtikking van uw zilvervoeten
 
ijg en zwartblauwe vrouwvlammen
 
uit bloedpoelen;
 
gij baart vervloekingen,
 
uw stem werpt gele nachtbloemen
 
van de Liefde vloek.
Mirjam
 
Uit het wierookvat rookt gezucht,
 
Doorzweet van tranen is mijn doek.


illustratie

Michaël Archangelus
 
Boven den sterrenloop,
 
hoog gekroond boven de wereld,
 
is God de Vader.
[p. 70]origineel
 
Eeuwigheid in zijn linker hand,
 
Waarheid in zijn rechter,
 
De alkleurige vogel Liefde
 
zit op zijn borst,
 
hem voeden de Levenstranen van Gods oogen:
 
Geheimnis en Alweten;
 
voor hem is het kruis
 
welks top het Licht,
 
welks omvattende armen Geloof en Hoop,
 
welks voet Duisternis wijst;
 
dit alles weerschijnt boven hem de Duif,
 
en zijn stralen lichten de wereld.
 
 
 
Onbereikelijk voor de vrouw op het beest,
 
boven de wateren
 
is Maria als muziek.
 
Van haar mond
 
gaat Alharmonie,
 
begeleid van de harpen harer oogen,
 
alvoedend de melk harer borsten:
 
Onthouding en Vruchtbaarheid.
 
Sfinxen en heremijten kussen
 
de sterzoomen van het kleed.
 
Haar stille handen wijzen Offer en Genade,
 
Moeder vloeit de haarglans.
 
 
 
Zoo is aan de krachtvoeten van God den Vader
 
gezeten Maria boven alle wateren.
 
 
 
Mirjam, in uw handen is Gods eigendom.
[p. 71]origineel
Mirjam
 
De eens geketende geesten schimmen op,
 
mijn doek omsluiert de Maan.
Michaël Archangelus
 
Zie, vrouw, daar is gezeten een Mensch,
 
vruchtbaar in genade als de Granaatboom.
 
Zie zijn voorhoofd als de zee oneindig
 
als sneeuwrotsen blank,
 
zie zijn handen, de herinnering
 
maakt zilvren plectra zijn vingeren,
 
daar zij eenmaal melodiën opgezonden
 
hebben tot het toekomende, uit Davids harp,
 
zie zijn voeten...
Mirjam
 
Graf zerken van het Leven,
 
welks naam in een roode letter gekend wordt,
 
zijn voeten, zijn voeten,
 
rustende tweevuldigheid.
 
Mijn gouden wierookvat,
 
omstroom met uw kostlijken nardus
 
dit blank eener maagden ziel.
 
Mijn gouden haren,
 
omstroom deze vaste bergen die de wereldlast dragen.
 
Eenmaal zullen ze bewegen,
 
omhoog zullen ze voeren de zonden zwaarte.
 
Uitgewischt zijn de dansindruksels
 
bij de eeuwige sporen
 
van zijn voeten.
[p. 72]origineel
Aholiab
 
Kon zij zalven bevatten u waard,
 
Jehovah.
Moses
 
Jehovah Vader Almacht.
Michaël Archangelus
 
Zie, vrouw, een God stijgt op,
 
maar in zwaarte drukt hem de last,
 
op hem rust een massieve donderwolk van zonde.
 
Nu torst op buigende schouderen
 
Oneindig hij het Eind.
 
Zie de cedren tempelpilasters,
 
eenmaal de Eer Gods steunend
 
zijn nu zijn handen die Gods genade houden;
 
zie de goud becherubde verbondskist:
 
zijn lichaam waarvoor in statig rhytmus
 
de alklank van den harpenaar trad,
 
zie zijn aangezicht...
Mirjam
 
Vaste ster van Liefde,
 
kostbaar bedauwd van zalig wijnbloed,
 
dubbel Heelal van oogen.
 
Hemelsche mondspelonk die de schatten van God
 
bevat houdt,
 
hemelsche mond, om u zie ik zwaar druppend
 
paarlen van leed.
 
Vlakte van zuiverheid, spiegel van Liefde,
[p. 73]origineel
 
sereen voorhoofd, op u schreit droefheid
 
moeilijke tranen van offer.
 
Mijn purperen doek,
 
omvat een oogwenk het wereld kleinood.
 
Mijn purperen doek,
 
droog de zweetdroppen.
 
Dat nu rein voor de eeuwigheid het Eindlooze
 
ten Hemel vaar.
Bezaleël
 
Mocht daar uw voorhoofd rusten,
 
Jehovah.
Moses
 
Jehovah Vader Almacht.
 
 
 
Aug. 93. André Jolles.


illustratie

prepostterug  begin  verder