terug  begin  verderprepost
[p. 39]origineel

Scheppingsdag

'T WAS vol-middag. Bloeiend gloeide, in de heetgroene schitterlucht, de stage siddervlam der zon. Haar adem streek met schier zengend geweld, en hijgende hartstocht toog over dit eindlooze geschroeide landschap.

Onder den onmeetbaren boog van den steeds deinzenden horizon, ten westen, de breede zilveren plas, de tot zee geworden stroom, langs de zandbanken in plechtig nadenken voortvloeiende; daarnaast, de lage polders, openbuikend uren wijd, neergestrekt ter ontvangenis; ginds ver, de sombere heide, paarsch en bar, gelikteekend door de gapende kloven, gebult door de steile heuvelen, als lag ze nog onder den vloek en de overweldiging der oude cataclysmen..., en hier het razend-wilde woud, met zijn gefolterde leefkracht en overal te bersten staande rijpheid. Uithuilend was zij in de met hevigheid opschietende boomen, in de verwoed-wanhopige kronkeling der takken, in de weelderige haardossen der woudreuzen, en, verfijnd-wellustig, in de blauw-groene bladeren, tong-vlammen met siddering lekkend de luchten...

Welke blijheid overal, welk goddelijk opgloriën in dit groeien, dit groeien van alles!

Die zuivere ongebondenheid, die uiterste passie der reine dingen, allen als pas geschapen, door menscheregel noch -wet gehinderd noch ontreind!

En al die dingen ze waren nog ongezegd, nog ongenoemd. In een uitverkoren stonde geheel zich één voelen met al deze bloeisels, en dan een naam hun te geven, een eenvoudigen melodischen naam! Adam, o eerste Dichter, noemer van het ongenoemde! Hoor toch, de vogelen fluiten mij de namen in de ooren, vleiend luwen de winden en fluisteren de eerste taal. Een

[p. 40]origineel

tak die breekt en vóor mijn voeten valt, zegt zelf mij het woord. 't Gonst en bonst alom, nieuw leven gaat en vergaat in éen oogwenk, begin en einde van alles.

Wilde haarvlechten van droomboomen slieren over ravijnen; stilte omhult ze en geheimenissen waren er om, alsof aan hen nog iets hing van de droomen waarin ik ze reeds eenmaal ontwaard moet hebben. In gedrochtelijke bochten kruipen de wortelen den uitgezogen grond over, haastig en met begeerigheid; met hun vieze afschilferende huid wroeten zij weldra ergens weg diep in den grond. En wat verder, daar wuiven weelderig de varens en spreiden haar sporen rondom, in gedurige herschepping.

Door gindsche heesters baan ik mij een weg: boven op den begroeiden heuvel omvat men het dorp, de velden, het gouden wiegelende koren, met de zwaar neerhangende rijpe aren; - het dorpje met zijn oude torentje, en erom de nederige woningen geschaard, als simpele menschen neergeknield - en alle wegen leiden naar het kerkje...

Ik was vermoeid van gaan. 't Was of ik 't heele Leven op mijn schouders gedragen had. Met vernieuwde hoop den berg op, en me neergevlijd op 't mos, de wijd-opene verwonderde oogen op deze prachtnatuur, op den blauw-zilveren stroom, op de hei, dan weer op den polder, en eindelijk op de velden en de menschen...

'k Ging een deuntje fluiten, van de vogels afgeleerd, toen opeens een gezicht mij achteruit deed deinzen. Daar, terzijde van den wegel, waren twee menschen. Ik hield mijn adem in, eerbiedig, als zou ik een heiligschennis begaan.

In een lijst van heel oude boomen stonden zij. Twee op elkaar klevende monden, die er nog slechts éénen uitmaakten, dit alleen zag ik eerst. Elkaars ziel ophevelend, stonden zij daar, ineengestrengeld, verloren, de vleeschgeworden

[p. 41]origineel

begeerte. Zijn struisch-geknobbelde armen klampten haar om en tilden haar zacht van den grond op, zij raakte de aarde niet meer en ging geheel in hem wegsmelten. Geen spier vertrok op hun groote verbleekte gelaten, waarin de strakke oogen met een waanzinnigen gloed dof vonkten. In de wildheid van dien éénen kus lag de scheppingsdrang van geheel dezen dag. Hun overvloedige zwarte haren liepen in elkaar en regenden over hun schouders; van hun taaie wezenstrekken was bijna niets meer zichtbaar.

Onbeweeglijk stonden zij, te midden dit woud van eeuwigheid. Hij was wel de bevelende kracht, zij de gelatene dienstmaagd van haren heer; hij, een zwijghuis, norsche slimme oerkrachtige Boer; zij, wellustige vleezige deerne, geschapen voor het heil des vleesches, de breede heup vaardig voor het heilige Werk. Ruig en zwart als de aarde zelve, schenen zij uit grond gekneed. Zij hadden de stem gehoord, en daar waren zij: hij verzwolg haar, hij slokte haar op - en zij, zij gaf zich...

Zij zagen niets, zij hoorden niets meer, dan zichzelven - zij waren geheel zichzelven, en in de opperste daad des Levens vergaten zij de wereld....

De boomen ruischten het tevredene smeltende hooglied der communie boven hunne hoofden. Zachter zoefden de winden door de twijgen, verkwikkend. In de verte klonk helder 't gezang van een vogel.

.... Met behoedzame schreden keerde ik terug, stil, verontrust, bereid om het uit te schreien. Mijn vermoeienis was verdwenen, en ik moest wederom gaan, gaan...

In den grooten diepblauwen plas zakte traag weg de zon, die alles aureoolde, in rossen gloed bronsde. De bosschen stonden in brand.

Toen zonk ook de rust van dezen vallenden avond in mij, en langzaam genaakte ik, langs de droomende zacht wiegelende korenvelden, het dorp.

[p. 42]origineel

De boeren arbeidden nog in de schemering. En, terwijl de laatste glansen de koppen verguldden, bleef ik opeens getroffen staan: tusschen de werkers ontwaarde ik hen, mijn twee menschen, met meerder hardnekkigheid dan ooit wrochtend aan de taak: zij, met open mond en deinende borst, de schoven stevig vastbindend, en in vollen tas wegdragend op den wagen, het breede lijf nog verbreed door den zwaren gang; hij, pikkende met starren zin, kin naar voren, mond toegebeten, onafgewend oog, en met gebaren op en neer, terwijl het zweet zijn slapen bevochtte... - beiden met de groote hernieuwde kracht ná de schepping.

In onstoorbare plechtigheid neeg de zon, en gleed zacht weg onder de kim: zij ook ging nu rusten, moede van dezen Scheppingsdag.

 

Emm. de Bom.

prepostterug  begin  verder