GINDER hooge tusschen de sperren stond zijn huis. Hij woonde er alleen met de boomen en de vogels en keek er elken morgen de zonne rijzen en 's avonds weer wegzinken. Hoeveel jaren reeds!
's Zomers dreven de witte wolken hooge boven zijn hoofd, de merels lierlauwden in 't hout rond zijne deur, en vóor hem, in een blauwig vergezicht, lag heel de wereld.
Als zijn oogst binnen was en de dagen kortten, als de lucht toeging, de droge sperren lutterden en wiegden in den droeven wind en de kraaien, lijk zwarte vlaken neervielen en kwamen krassen, dan sloot hij zijn vensters en zette hem in den donkeren te mijmeren. - Nu moest hij, ginder diepe, omleege... naar 't dorp.
Hij haalde zijn sterre van den zolder, herplakte de gouden bloemen en papieren kwispels en maakte ze vast in 't geleed van den langen draagstok. Dan deed hij zijnen grooten frak aan, trok de kap over zijn hoofd en vertrok.
Van achter de zwarte wolken kwam een klaarte, een mat koperkleurige gloed zonder stralen, tot hooge in de sterren; de wolke bleef zwart. Die klaarte zette goudene boorden aan den rand van de wolken. Er verscheen een streepke gloeiend koper... dat groeide, groeide... een sikkel werd - een halve schijf... en eindelijk een reuzige groot-ronde goudene mane, die rees, rees. Ze ging op lijk een eendlijke roode sienappel achter de wolke en van langs om sneller - 't was een opschieten - hooge de lucht in, altijd verminderend tot het een heel gewone mane werd: de lachende maan tusschen de sterren.
Hij alleen had het gezien.
Nu nam hij zijn sterre op zijn schouder, dook zijn hoofd diep in zijn kappe en daalde 't wegelke neer, alover de sneeuw naar ginder waar lichtjes brandden. 't Was eenig, doodsch dat wit veld onder dien klaren hemel; en hij alleen, de zwarte vent op de sneeuw. En de wereld zag hij zoo groot, zoo eentonig blak: een platte, witte woestijne met hier en daar een pijlde populier en een reeke zwarte, magere kopwilgen.
Hij ging... tot bij de lichtjes.
Het dorp lag stil. De strate liep zwart van de menschen. Heele drommen wijven, in zwarte kapmantels gedoken en geduffeld, trappelden lijk in een droom langs de huizen op de sneeuw, die piepte. Ze schoven van deur tot deur, staken hun magere handen uit en vroegen klagend om het ‘godsdeel’. Ze verdwenen tenden de straat en gingen dompelen in den eindloozen manesching.
Jongens liepen met lichtjes en sterren en stonden in groepen geschaard; hun zwarte gezichten gloeiden in den schijn van hun lanteerns; zij maakten eendlijk gedruisch met hun tuithoorns en rommelpot en zongen van:
en
Zotte Wanne liep alleen; - ze dweerschte gedurig de strate, met haar lange beenen die ver uit haren rok staken, en heur armen hield ze wijd open onder haren kapmantel - lijk een duivelachtige vleermuis. Ze neuzelde iets van:
Top Dras, Wulf en Grendel, drie venten lijk boomen, leurden ook.
Ze waren de drie Koningen: Top had zijn groote veste gekeerd en zijn wezen gezwart; Grendel droeg een wit laken over den rug en blies een hoorn; en Wulf had een mijter op en droeg een groote ster met lanteern aan eenen stok. Zoo trakelden ze langs de strate en zongen overal aan de deuren:
Hun grove stemmen dreunden en drie groote schaduwen wandelden verre vooruit, in lange schaduwen op de witte straatsneeuw. Al dat volk ging en keerde en draaide deureen en kwam en vertrok. Elk zong zijn eigen liedje en knees zijn kriepende bede. Boven dat alles ging het dof-ronkend getuit van 's bakkers hoorn die gestadig riep: heet brood! heet brood!
Hooge dreef de mane en pinkten de sterren, en fijne, witte pijlekes vielen deur de lucht, overal op, lijk zilveren stuifmeel. - ‘Maarten van den berg!’ vezelden de jongens van achter de venster. - ‘Maarten de Vriezeman!’ en ze kropen weer diepe in de keuken bij 't vuur. En de zwarte man stond buiten aan de deur, te snokken aan 't touwtje van zijn draaiende sterre en hij zong door zijn neuze:
Te lande stonden de boerenhoven ingesneeuwd, met zwarte slagvensters die blekten en 't licht binnen hielden; en stompe
schouwen waar dikke rook uitkuilde. Binnen zag men niet klaar; 't lichtje hong aan de zoldering in een hof van damp en rook en alles lag zwart en over einde. In den heerd lag de kerstblok aan 't vuur. De boerinne bakte wafels en gooide ze effenaan rond den vloer op 't strooi.
In den eenen hoek, onder 't lichtje en heel in tabaksdamp gewonden, was het werkvolk aan 't kaarten. Ze zaten verslonden, gebogen over hun tafelke heel stille. Nu en dan ging er een halven vloek en een dreunenden vuistslag op tafel, en dan weer rustig kappelen, steken en leggen met hun kaarten.
De Vriezeman zat rondom in de jongens, die met hun mond wijd open, zaten te luisteren naar zijn vertelsel van ‘den fellen Jager’. Zijn sterre stond in den hoek.
Later werd de groote tafel uitgetrokken en 't avondeten opgediend. Allen zetten hen bij en aten. Er kwamen eerst aardappels met zwijnsvleesch, roôkoolen met hoofdvleesch, dan gestoofde appels met worsten, en wafels, wafels, wafels. Men dronk bier uit kleine glazekes. De tafel werd geruimd, de koffie opgegoten, druppels uitgehaald en genever gebrand met siroop. Dan werden de stoelen bij geschoven, dichte in den heerd, en Maarten stond recht, nam zijn sterre, streek zijnen langen baard effen, en op mate dat zijn hand het koordeke snokte ging het:
Het bleef alles stil; de mannen zaten te drinken aan hun dampende ruimers, de kinders horkten met hun hoofd scheef en de boerinne met heur handen te gaar op heur dikken buik zat te weenen.
De deur ging open en de ‘Koningen’ stonden te midden den vloer. Ze waren wit besneeuwd en hun aanzichten blauw van de koude; 't ijs hong in Grendel's knevels. Ze keken verweerd van onder hun hoed naar de tafel, den heerd en de druppels en naar Maarten die nog rechte stond. Wulf deed zijn sterre draaien, Top duwde op mate aan zijn rommelpot en ze zongen:
Als 't liedje uit was kregen ze elk twee druppels; dan mochten zij vertrekken.
Grendel vloekte.
- ‘Die verdoemde bergduivel slokt het al op,’ grolde Wulf. En ze vertrokken deur de sneeuw.
Nog lange werd er gezongen, gespeeld en gekaart, en 't was
reeds late als Maarten zijn sterre nam en met een ‘Goên nacht, tot 't naaste jare,’ de deure toetrok.
't Was nog altijd klaar buiten, maar de lucht hong vol sneeuw; - hooge, een grijze vacht en leeger een kriemelen van groote witte vlokken die traag wemelend neervielen, d'een op d'andere.
Hij schoot er diep in... Het was nog zoo lange te gaan; en zign huis en zijn sperren, hij had het alles zoo ver laten liggen...
Hij was zoo oud, zoo alleen, 't was zoo koud en alle wegen waren wit... al hemel en sneeuw. Ginder in de leegte lag het dorp: een groepke slapende huizen rond den witten kerktoren; en erachter zijn berg, maar 't was lijk een wolke, een vormeloos gedrochte heel veraf. Boven zijn hoofd sterren, sterren bij heele reesems. Hij stond stil om te zoeken en hij vond er éene, die van alle avonden: een bleeke, doode sterre, lijk een oude kennisse, en die moest hem leiden - voor den laatsten keer misschien - weer naar hooge, naar huis.
En hij dompelde voort.
Drie smalle boogvensters van de kapelle waren verlicht, en binnen rinkelde de belle. Hij ging bij den muur wat rusten. Wat een geruchte, gewoel en beweging van avond... en genever, en die ruwe gasten hadden hem zoo wreed bekeken. Hier binnen was er stilte; ze blonken zoo klaar, die vensterkes, en achter den belleklank ging het zoo zacht, een vrouwestemme: Venite Adoremus... Dan viel alles stil, de lichten gingen uit. - En hij vertrok.
't Dorp lag achter hem en de weg begon te klimmen. Daar rechts stond de ‘Stropuit’; nu herkende hij zijn wegen en 't en was niet ver meer van huis. Van uit de gracht komt er daar iets gekropen, een zwarte gedaante, die loopt over 't veld, en schettert lijk een ekster... Zotte Wanne met heur magere beenen en heur mantel wijd open; ze liep al wat ze loopen kon en verdween achter de herberg.
Hij had verschoten; 't werd hem zoo aardig, ongerust, dat hij den stap verhaaste en verlangde om t' huis te zijn.
Er was nog licht in den ‘Stropuit’ en geruchte van dronkenmans. Als hij er reeds voorbij was keerde hij nog weer... om zijn laatste liedje te zingen, volgens oude gewoonte. Men opende de deur en ze vroegen hem binnen. Hij zag Grendel zitten en wilde weg. Dan sprongen ze met drieën buiten en riepen achter hem. Als ze zagen dat hij voortging, zetten zij het aan een loopen.
- Sta, loeder!
- Hier met uw sterre!
- O, gij verdoemde liedjeszanger! huilden zij en liepen en haalden hem in en wierpen hem op den grond. Grendel duwde zijne knie op zijn borst en hield zijne armen wijd uitgestrekt tegen den grond. Wulf en Dras grepen heele handvollen sneeuw en stopten ze hem in den mond, en altijd voort tot heel zijn aangezicht hooge toegedekt was en hij machteloos bleef liggen. Dan plantten ze zijn sterre bij hem in de sneeuw en begonnen te draaien en zongen dat 't helmde:
Lijk een schicht schoot zotte Wanne voorbij en wierp snijdende schreeuwen uit. Wulf smeet zijn stok tegen haar beenen. Ze zwaaide met heur armen onder heur mantel, en verdween in 't duister.
De drie mannen zetten hen langs de gracht luidkeels te lachen. Dan trokken ze naar 't dorp. Lange nog ging het:
Groote witte vlokken vielen uit den klaren hemel, kriemelden, wemelden d'eene op d'andere.