terug  begin  verderprepost
[p. 63]origineel

Slenteren

HIJ ging... altijd gaan, met dien traag trantelenden stap van dolende dompelaars die nievers thuis en zijn.

Z'hadden hem afgedankt - overtijd, en nu liep hij alleen lijk een wildeman. Heele dagen had hij geleurd door de heide, van d'een hofstee tot de andere, zijn kost zoekend lijk de honden. Nu kwam hij in een breede lindelaan en vóor hem lag de stad, in slaap. Hij trok er in. De straten lagen dood; de deuren gesloten, de vensters toe - alle menschen rustten, en hij slenterde. Dat was triestig, zoo alleen loopen, overal buiten, en met zulk een lichaam, - een reus met eendlijke beenen en armen die gedoemd waren niets te doen; en die buik, die onverzadelijke buik dien hij overal meedroeg.

En niemand wilde van hem; 't was alsof ze bang waren van zijn forsche leden en zijn stoeren kop; - omdat zijn gloeiende oogen niet gedwee genoeg konden smeeken, en zijn rakkersplunje...

't Werd ochtend, 't werkvolk was reeds te been. Magere mannen en bleeke vrouwen, hun ketel en etenbeurzen aan de hand, klopten met hun kloefen op de gletsche plankieren. Deuren en vensters vlogen open; er kwam leven, iedereen liep beslommerd, wist waar naartoe en ze verdwenen hier en daar, in een groote poorte of achter den slag van een smalle deur. Karren met groensel, wagens met zand en kolen reden over en weer. Venten met melk en brood liepen rond en 't werd een geruchte van roepen en schreeuwen, al om ter luidst.

En hij slenterde. - Niemand bezag hem, merkte hem op of had hem noodig. T' halven den voornoen had eene juffer hem lang bezien en zei tegen haar moeder. - ‘Wat eendlijke vent!’

[p. 64]origineel

Hij had het gehoord, en 't deed hem deugd. Hij keek om, maar moeder en dochter waren reeds weg achter een hoek en stonden te kijken aan een winkel van linten-en-strikken.

't Begon vreezelijk te woelen in zijnen buik, en zijn maag deed zoo'n pijn en zijn beenen waren moe.

De huizen en straten liepen hem uit de oogen, en al die vreemde menschen. Hij wilde weg, ver weg, en volk zien lijk hij: werkers zonder werk, die honger hadden!

Hij zocht de nauwe steegjes en 't arm geweste.

Uit een zijstrate kwam een stootwagen aangedokkerd. Een tiental arbeiders lagen in den schoerband of leunden met al de macht van hun lijf tegen de karre die lastig voortrolde. 't Was eene lading vlas, die in groote vierkante balen opgepropt was en d'eene tegen d'andere stond, heel de karre vol. 't Getrek klotste met 't rechterwiel in de groeve van eene waterleiding die open lag, en 't bleef er boutstille, scheef geheld, lijk geplant. D'arbeiders pijnden hen dood om 't wiel eruit te krijgen, maar 't ging niet. Dan bleven ze elkaar staan bezien, radeloos en vragend, in de oogen van dien grooten vent die daar bij was komen kijken. Zonder zeggen of spreken greep hij met elke hand een speeke, drumde met zijn machtigen schouder tegen 't binnenste van 't wiel, praamde en wrong, en in eenen draai bracht hij de kar op 't effene. Dan ging hij van achter, bij 't ander werkvolk gaan helpen steken. Ze bezagen hem zonderling, lijk om te zeggen dat ze zijne hulp niet meer behoefden, en hem liever hadden gemist. De karre rolde voort, nog een strate of twee ver en dan in de opene poort van 't pakhuis. D'arbeiders keken in malkaars oogen, verlegen, liepen rond, trokken de balen van de kar en sleurden ze wat verder langs den muur. Dan hindselden ze weg, éen voor éen langs een binnendeurtje, en hij stond daar alleen, lijk een zot. Wat later hoorde hij ze ingehouden lachen en vezelen. Als hij moe was van wachten trok hij weer de straat op.

[p. 65]origineel

Niemand, niemand, niemand wilde van hem!

Zijn tanden knarsden en zijn vuisten spanden. In de straat waar hij door moest, zaten op de pleinen vóor de hotels, heeren en dames te peuzelen aan vreemde spijzen en slorpten aan wijn uit lange ruimers. Ze taterden vroolijk en proefden en keesden met vieze lippen en opgetrokken neus. De knechten liepen verslaafd alhier, aldaar. Die streelende reuken staken lijk priemen en stookten booze gedachten in zijne hersens. Zijne maag knees geweldig en zijn ijle kop draaide.

Hij haastte hem weg.

In een strate met blinde gevels, zonder menschen ging het hem beter. Hij liet zijn lijf leunen tegen den ijzeren paalstaak van een gas-lanteern, stak zijn handen in zijn broekzakken en bleef daar staan kijken naar de straatsteenen. Nu zou hij verdoemd geen stap meer verterden en hier liever kreveeren lijk een beest; dan zouden zij hem toch opnemen en moeten weten dat hij bestond.

De jongens die van school kwamen begekten hem; ze dansten in een ronde en lieten hem, den grooten vent in 't midden. Ze hingen papieren vendels aan zijn rugge en zongen:

 
Hoed, hoed,
 
leelijken hoed!
 
Hij dient voor pispot en voor hoed!

Hij roerde niet.

Ginder kwam een melkmeisje aangereden op eene hondekar. Hij kreeg een krijseling in zijne armen, er schoot een straal bloed naar zijn hoofd en 't docht hem al met eens dat er iets ging gebeuren.

Als ze juist voor hem reed legde hij zijn groote hand op den boord van 't karreke, nam met eenen trek een koperen kanne uit heur strooi, zette ze aan zijn mond en dronk... dan ronkte hij de kanne in de venster van 't eerste

[p. 66]origineel

't beste huis dat de ruiten rinkelden. Rondkijkend - lijk onthutst en in gang gezet, opgewonden door 't geen hij gedaan had - ontwaarde hij het verschrikt boerinneke. Er speelde een spotlach op zijn wreed aangezicht... hij sloeg zijn fellen arm om heur lijveke en hefte 't meisje uit de karre hooge tot tegen zijn aangezichte in eene driftige omhelzing.

De jongens waren tierend weggevlucht. Hij voelde twee paar handen trekken van onder aan zijn mouwen. Hij liet het meisje los en zag twee politie-mannen die hem vasthielden en geboden meê te gaan. Ze hielden langs weerskanten zijn arm vast en stapten haastig om zijn groote schreden te kunnen volgen; en keken verlegen naar dien eendlijken vent met zijn booze oogen en dan naar malkaar als om te vragen wat ze zouden doen.

Ze kwamen in een nauw straatje zonder menschen, voor eene kroeg.

- ‘Zou-je geen borrel pakken, kameraad?’ vroegen ze hem.

Hij keek onthutst, verwonderd. Ze trokken alle drie binnen en dronken elk een bierglas genever.

De politiemannen vezelden iets ondereen, - de oudste veegde den drank van zijn knevels en zei dan heel streng:

- ‘Maak je nu maar gauw uit de voeten, en hou per naast je manieren!’

Hij was weer buiten, en slenterde voort langs de huizen.

 

Stijn Streuvels.

prepostterug  begin  verder