terug  begin  verderprepost
[p. 100]origineel

Aischylos' Promêtheus in de Boeien

Eene rotse aan de palen der wereld.

Komen Promêtheus, Hêfaistos, Kracht en Geweld.
 
Kracht
 
Der aarde ja ten uitersten rande zijn wij gekomen,
 
aan Skythias boord, menschenlooze wildernisse.
 
Hêfaistos, u nu gehoort het te beramen de bevelen
 
die u Vader oplei, en dien, aan rotsen
 
hooggetopt, den vermetele te binden.
 
Uwe bloem immers, den glans van het vier, aller kunsten oorsprong
 
ontroovende, aan stervelingen bezorgde hij die, en ja van zulke
 
zonde, ulieden Goden moet hij betalen boeting;
 
dat hij wel eens leere Zeus' heerschappij
 
eeren en menschlievende handelwijze dáar laten.
 
Hêfaistos
 
Kracht en Geweld, ja uwe last van wege Zeus
 
heeft uit, in der waarheid, en niets meer en houdt u hier nog.
 
Ik integendeel en kan het niet herden eenen bloedverwanten God
 
te boeien geweldig aan dien rotstop dien de storm zweept.
 
Maar alleszins 't noodlot zulks mij durven doet.
 
Verwaarloozen immers Vaders woorden, zwaar is 't.
 
O gij der rechtoordeelende Themis wijze zoon,
 
ondanks u, ondanks mij, met onbreekbare klompen
 
zal ik u nagelen aan die menschenlooze rotspille,
 
dat gij noch stemme noch gestalte van stervelingen
 
vernemen zult; blootgesteld aan de zon hare brandende stralen,
 
uw bloeiend kleur zult gij verliezen; u verheugende
 
zal de bontgekleede nacht verbergen het licht,
[p. 101]origineel
 
maar den rijm des morgens smelt de zonne weêrom;
 
en immer de last van het daarzijnde kwaad
 
zal u drukken; de verlosser trouwens nog niet geboren wierd.
 
Zoo boet gij de menschlievende inborst.
 
God immers zijnde, der Goden niet vreezende de woede,
 
den menschen eene eere bezorgdet gij buiten recht,
 
waarom gij deze heillooze rotse waren zult
 
rechtomhooge, slapeloos, met ongebogen knie,
 
en veel zuchten en klachten onnuttig
 
zult gij slaken: Zeus trouwens, onverbiddelijk is zijn herte
 
en elkendeen werkt dóor, die nieuwelings gebiedt.
 
Kracht
 
Welaan, wat eerzelt gij en beklaagt gij vruchteloos?
 
Waarom der Goden vijandlijksten God niet haten,
 
die den menschen overleverde uwe eigenschap?
 
Hêfaistos
 
Het verwantschap in der waarheid machtig is en het verkeer.
 
Kracht
 
Met u beken ik het; maar niet aanhooren Vaders woorden,
 
wat is dát dan? Hoe en vreest gij dát niet méer?
 
Hêfaistos
 
Altijd ja in der waarheid hard zijt gij en ruwheidsvol.
 
Kracht
 
't En helpt immers geenszins hem te beweenen: Gij dus,
 
wat niet en helpt en pijn er u niet omme vruchteloos.
 
Hêfaistos
 
O zeer hatelijke handigheid.
[p. 102]origineel
 
Kracht
 
Waarom ze haten? Des lijdens toch, om onbewimpeld te spreken,
 
nu tegenwoordig en is geenszins schuld uwe kunste.
 
Hêfaistos
 
Alleszins, had ze een andere mogen bekomen!
 
Kracht
 
Alles gehoort den Goden, buiten opperheerschappij:
 
onafhankelijk immers en is er niemand buiten Zeus.
 
Hêfaistos
 
Ik ondervond het hierin en niets tegen te spreken heb ik.
 
Kracht
 
Waarom dan u niet haasten den band rond hem te slaan,
 
dat u dralende niet gewaar worde Vader?
 
Hêfaistos
 
Reeds ja veerdig ziet gij de ringels bij.
 
Kracht
 
Grijp ze en rond de handen, met krachtig geweld,
 
ze met den hamer sla; nagel hem aan de rotsen.
 
Hêfaistos
 
Voltrokken is het ja, en niet vergeefs, dat werk.
 
Kracht
 
Klop harder, duw en niets slap en laat:
 
Schrikkelijk immers is hij om te vinden zelfs uit middellooze zaken uitkomst.
 
Hêfaistos
 
Vast nu ja ligt deze arm onbevrijdelijk.
[p. 103]origineel
 
Kracht
 
En den dezen nu vestig hem zeker, dat
 
hij ondervinde, alhoewel wijs, toch flauwer dan Zeus te zijn.
 
Hêfaistos
 
Buiten díen niemand met recht mij verwijten zal.
 
Kracht
 
Des stalen klomps nu den fellen tand
 
dweersch door zijne borst boor hem krachtig.
 
Hêfaistos
 
Aiai, Promêtheus, over uwe pijnen stene ik.
 
Kracht
 
Gij dus wederom eerzelt en over Zeus' vijanden
 
steent? Dat gij maar over uw zelven niet en klaget eens.
 
Hêfaistos
 
Gij ziet een schouwspel onzienlijk voor de oogen.
 
Kracht
 
Ik zie hem krijgende wat hij verdient;
 
maar rond de lenden banden sla.
 
Hêfaistos
 
Het doen moete ik. En gebied niet te veel.
 
Kracht
 
Nogtans zal ik u gebieden en u aanprikkelen derbij
 
Kom afwaarts en de beenen ringel fel.
 
Hêfaistos
 
Dat werk is ook gedaan zonder grooten last.
[p. 104]origineel
 
Kracht
 
Krachtig nu nagel de dweerschende voetspijkers;
 
want deze ja die onderzoeken zal uwe werken is zwaar.
 
Hêfaistos
 
Gelijkvormig uw wezen uwe tonge spreekt.
 
Kracht
 
Gij, ontferm u, maar mijne stoutheid
 
noch mijner gramschap ruwheid mij niet en verwijt.
 
Hêfaistos
 
Gaan wij, want hij zijne leden gansch ombeslegen heeft. (af).
 
Kracht
 
Hier nu spot, en der Goden eere
 
roovende, aan wezens van éenen dag die geef. Wat voor u
 
kunnen stervelingen om u te ontdragen dezen pijnen?
 
Met valschen name u de Goden Promêtheus ‘voorziender’
 
heeten, uw zelven immers ontbreekt een Promêtheus
 
op welke wijze gij u dezen gevalle ontwringen zult (af met Geweld).
 
Promêtheus
 
O goddelijke barnlucht, en rapgevleugelde winden,
 
en stroombronnen, en der zeebaren
 
ontelbaar monkelen, en allerwezen moeder, Aarde,
 
en allesziende zonnebol schoon,
 
aanschouwt mij wat ik van de Goden, God, lijde;
 
ziet met welke mishandelingen
 
verscheurd, ik door den tienduizendjarigen
 
tijd zal lijden. Dát de nieuwe
 
Meester der Heiligen uitvond voor mij,
 
schandelijken band.
[p. 105]origineel
 
Ho Ho. Het wezende en het toekomende
 
kwaad beklage ik. Hoe eens dezer kwalen
 
moet het einde opkomen?
 
En toch wat zegge ik? Alles voorzie ik
 
schitterend dat worden zal, nochte mij nieuw
 
zal eenig lijden overkomen. Het vastgestelde lot moet ik
 
dragen ten gemakkelijkste, wetende dat
 
des noodlots onwederstaanbaar is de kracht.
 
Maar noch zwijgen noch niet zwijgen deze lotgevallen
 
mogelijk mij is. Den stervelingen immers eere
 
bezorgd hebbende, aan dit noodlot ik gebonden ben, ongelukkige.
 
Er een narthêksriet mede vullende trouwens roofde ik des viers
 
oorsprong, dievelings, dat meester van de kunsten
 
altemale den menschen wierd, en groote hulp.
 
Door zulke straffen die misdaden boete ik
 
met hemelhooge banden gevestigd zijnde.
 
Ho Ho Lacy Lacy!
 
Welk gerucht, welke geur bevliegt mij, onzienlijk?
 
van Goden of menschen of van de twee?
 
kwam er tot den verren rotstop
 
een, der pijnen mijn aanschouwer, of wat toch willende?
 
Ziet, in de boeien, mij, eenen ongelukkigen God,
 
Zeus' vijand, die aller Goden
 
haat doorleed, zooveel er
 
Zeus' hof bewonen,
 
om mijne te groote liefde der menschen.
 
Ho Ho! Wat nu wederom een klepperen hoore ik
 
hierbij van vogels? en de lucht, bij het slaan
 
hunner vlerken gezwind, zoeft.
 
Al mij schrikkelijk is dat naast.
 
De Okeaninen komen bijgevlogen.
[p. 106]origineel
 
Okeaninen (eerste wandel).
 
En vrees niet: vriendig trouwens deze rei,
 
bij der vlerken vluchtig klepperen,
 
kwam tot deze rotsspille, het vaderlijk
 
gemoed met moeite overkout hebbende.
 
Rapvoerend ja mij brachten de windekes.
 
Des slaans immers van 't ijzer het geruchte
 
drong tot in onzer krochten bodem, en verjoeg uit mij
 
die edele schuchterheid,
 
en ik sprong ongeschoeid op den gevleugelden wagen.
 
Promêtheus.
 
Aiai aiai,
 
der vruchtbare Têthys telgen
 
en van hem die rond geheel de wereld wentelt
 
met rusteloozen vloed, kinders
 
van Vader Okeanos, beschouwt, beziet
 
met welken band geboeid
 
aan deze rotse hare toppen hoog
 
ik eene wacht onbenijd zal houden.
 
Rei (eerste wederwandel).
 
Ik zie, Promêtheus, en van afschrik over mijne oogen
 
een nevel toog vol
 
tranen, uw lijf aanschouwende
 
op den steen verdorrend
 
bij deze stalen mishandelingen.
 
Nieuwe stiermans trouwens
 
zijn den Olympos meester, en met nieuwe wetten ja
 
Zeus onrechtig gebiedt,
 
en het eertijds geëerbiedigde nu verdelgt.
[p. 107]origineel
 
Promêtheus.
 
Indien hij mij toch onder Aarde, leege bij Haidês
 
den doodenweerd, in den onbezoekelijken
 
Tartaros had gezonden, in banden onlosbaar
 
wreed mij gewenteld hebbende, dat noch God
 
noch iemand el daarin hem verheugen mocht.
 
Maar nu der winden speeltuig, de ongelukkige
 
zijnen vijanden tot vreugde lijdt.
 
Rei (tweede wandel).
 
Wie zoo hardhertig
 
onder de Goden, wien dat verheuge?
 
Wie niet medelijdt met de ongelukken
 
dijn, buiten ja Zeus? want deze met woede altijd
 
opleggende den onplooibaren zin
 
temt des hemels
 
kroost, nochte ophouden zal hij
 
voor hij ja voldeed zijn herte, oftewel dat, met eenen aanslag ievers,
 
iemand het moeielijk om rooven gezag roove.
 
Promêtheus.
 
Ja zeker, nog mijns, alhoewel ja met harde
 
ledenboeien onteerd,
 
nood hebben zal der Heiligen meester,
 
om te toogen den nieuwen raad bij den welken
 
skepter en eer hij zal gestolen worden.
 
En mij zal hij niet met der overtuiging zeemgetongde
 
tooverzangen overhalen, en de harde
 
bedreigingen nooit vreezende en zal ik dat
 
veropenbaren, voor hij mij uit wilde
 
boeien losse, en boete betalen
 
dezer mishandelingen wille.
[p. 108]origineel
 
Rei (tweede wederwandel).
 
Gij toch zijt stout en ja uwe bittere
 
smerten geenszins onderdoet,
 
al te vijandig;
 
mijn herte kwelt doordringende vreeze;
 
ik ben benauwd om uw lot;
 
hoe eens dezer pijnen
 
gij moet, havende, het einde
 
zien naken. Onroerbaar immers eene inborst en een herte
 
onoverkoutbaar bezit Kronos' zoon.
 
Promêtheus.
 
Ik wete dat hij trotsch is en naar eigen zin
 
recht Zeus. Maar algelijk
 
zachtergezind
 
wordt hij eens, als hij alsdus verbrijzeld zal zijn;
 
en dan den ontembaren wrok stillende
 
ten bond met mij en vriendschap,
 
begeerende tot den begeerenden, zal hij eens komen.
 
Reihoofd.
 
Geheel de zaak ontdek ons en doe ze ons geworden,
 
om welke beschuldiging Zeus u nam
 
en aldus zonder eere zoo bitter mishandelde;
 
meld het ons, zoo 't u niet wat en pijnt bij dat verhaal.
 
Promêtheus.
 
Smertelijk ja voor mij is het te vertellen die dingen.
 
Smertelijk ook te zwijgen: langs alle kanten pijne.
 
Toen eerst begon der Goden wrok
 
en een geschil tusschen elkander oprees,
 
de eene ja willende werpen van den troon Kronos
 
opdat Zeus heersenen mocht alzoo, de anderen integendeel
[p. 109]origineel
 
ijverende opdat Zeus nooit beheerschen mocht die Goden.
 
Dán ik, het beste radende, overhalen
 
de Titans, kinders van Hemel en Aarde,
 
niet en vermocht, maar de slimme treken
 
misprijzende, met harderen zin
 
zij meenden zonder moeite met geweld te winnen.
 
Maar mij moeder, meer als eenen keer, Themis,
 
de Aarde, met veel namen enkel wezen,
 
de toekomst hoe zij volbracht zou zijn voorspeld had:
 
dat men bij geweld noch bij macht
 
moest, maar wel bij list, de beheerschers overweldigen.
 
Dit als ik het hun met woorden voorhield
 
zij en geweerdigden in 't geheele niet mij te bezien.
 
Het beste dus voor mij in deze omstandigheden dan
 
scheen te zijn, medenemende mijne moeder,
 
gewillig den welwillenden Zeus bij te staan.
 
Door mijnen raad, des Tartaros somber gediepte
 
schuilplaats door den oudgeboren Kronos,
 
met zijne medekampers. Alzoo door mij,
 
der Goden heerscher geholpen,
 
met zulke kwade pijnen mij loonde.
 
Zij is trouwens in zekeren zin der heerschappij eigen,
 
de ziekte, de vrienden niet te betrouwen.
 
En wat gij mij vroegt, de reden waarom
 
hij mij mishandelt, dat zal ik klaar uit een doen:
 
Als eerst op den vaderlijken troon
 
hij zat, rechtuit den Geesten deelde hij eere uit,
 
andere den anderen, en schikte
 
het bestier; maar van de rampzalige menschen geene rekening
 
hoegenaamd hield hij, maar vernield hebbende het geslacht
 
geheel, hij wilde er een ander doen worden nieuw.
 
En dáar niemand tegenkwam buiten ik,
[p. 110]origineel
 
maar ik, ik dierf; en bevrijdde de menschen
 
van verbrijzeld naar Haidês te varen.
 
Daarom dus onder zulke straffen ben ik gebogen,
 
pijnelijk om lijden, deerlijk om zien;
 
en de stervelingen in deernis genomen hebbende, deernis te bekomen
 
ik niet weerdig geacht wierd zelf, maar onmeêdoogend
 
zoo wierd ik doorkorven, voor Zeus een onteerend zicht.
 
Reihoofd.
 
Een ijzeren hert en van steen gemaakt
 
is hij Promêtheus, die niet medelijdt
 
met uw' pijnen. Ik immers ze niet zien
 
ik had het gewild, ze ziende leed mijn hert.
 
Promêtheus.
 
En inderdaad voor vrienden erbarmlijk om zien ben ik.
 
Reihoofd.
 
Zijt ge eentwaar niet wat verder gegaan dan dat?
 
Promêtheus.
 
De stervelingen ja deed ik ophouden te voorzien hun lot.
 
Reihoogd.
 
Welke gevonden hebbende bemiddeling dezer kwaal?
 
Promêtheus.
 
Blinde hoop hebbe ik in hen gesteld.
 
Reihoofd.
 
Een groote hulpe aldus gaaft gij den menschen.
 
Promêtheus.
 
Daarbij ja nog het vier ik hun verschafte.
[p. 111]origineel
 
Reihoofd.
 
En nu het schitterend vier bezitten wezens van éenen dag?
 
Promêtheus.
 
Bij het welk ja vele kunsten zij zullen leeren.
 
Reihoofd.
 
En om zulke beschuldigingen u dus Zeus
 
mishandelt, en geenszins lost uwe kwalen,
 
noch is er des leeds een einde u voorliggend?
 
Promêtheus.
 
Geen ander en der waarheid geen éen, buiten als 't hem belieft.
 
Reihoofd.
 
Believen? Hoe? Welke hope? Ziet gij niet dat
 
gij zondigdet? Maar dat gij zondigdet, geenszins aan mij het te zeggen
 
aangenaam is, en voor u, pijne. Maar van deze dingen ja
 
genoeg, en des leeds eenige verlossing zoek.
 
Promêtheus.
 
Gemakkelijk voor die buiten het lijden den voet
 
heeft, te bepreken en te waarschuwen deze die het slecht
 
stellen. Ik ja dat al wist:
 
Wetens en willens zondigde ik, en zal het niet loochenen.
 
En de stervelingen helpend ik zelf straffe zocht;
 
toch niet ja door zulke straffen in der waarheid meende ik
 
te moeten verteerd worden aan rotsen hoog,
 
mij behoorende die eenzame rotsspille zonder buurt.
 
En 't mij bijzijnde leed niet en beklaagt,
 
maar nederdalende de toekruipende lotgevallen
 
aanhoort, dat gij vernemet tot het einde het geheele.
[p. 112]origineel
 
Doet wat ik vrage, doet het; hebt medelijden
 
met hem die nu lijdt. Zoo ook toch zwevende
 
andermaal eenen andere het lijden aangrijpt.
 
Reihoofd.
 
Aan welwillenden geboodt gij
 
het, Promêtheus,
 
en nu met lichten voet den rapgevoerden
 
zetel verlatende en de lucht, zuivere
 
bane der vogelen, tot den steilen
 
grond zal ik naderen, en uwe pijnen
 
wil ik geheel en gansch hooren.
Okeanos komt toegevlogen.
 
Okeanos
 
Ik kome, eener lange reize het einde
 
doormeten hebbende, naar u Promêtheus,
 
dezen rapgevlerkten vogel
 
door wille, zonder teugel, richtende,
 
en met uwe lotgevallen, weet het, medelijden heb ik.
 
Want mij, meen ik, het verwantschap dus
 
dwingt, en, zonder het verwantschap,
 
geen is er wien ik meerder deel
 
deelde dan aan u.
 
En weten zult gij dat het waar is, noch dat ijdel
 
zoetspreken bestaat in mij... Welnu
 
toon hoe gij moet geholpen worden.
 
Nooit immers zult gij zeggen lijk Okeanos
 
een vriend is er zeker voor u.
 
Promêtheus.
 
Hoe, wat dingen! En gij ook dus mijner pijnen
 
komt aanschouwer zijn? Hoe dierft gij, verlatene
[p. 113]origineel
 
en den met uwen naam genaamden vloed en de met rots bekleede
 
henzelven uitknagende krochten, naar dit ijzermoerig
 
land komen? of om te zien de lotgevallen
 
mijn kwaamt gij en medelijden te hebben met der kwalen.
 
Bezie het schouwspel, deze Zeus' vriend,
 
die hem zijne heerschappij hielp vestigen,
 
onder welke pijnen ik door hem gekromd sta.
 
Okeanos.
 
Ik zie het, Promêtheus, en u aanraden
 
wil ik het beste, al zijt gij veelvindig.
 
Ken uw zelven, en kleed u in doening
 
nieuw: nieuw trouwens ook de heer onder de Goden.
 
En indien gij alzoo stoute en scherpe redens
 
roeit, wellicht u, zelfs veel hooger
 
zetelende, kome Zeus te hooren, zoo dat u het geweld nu
 
tegenwoordig der pijnen kinderspel te wezen schijne.
 
Maar o rampzalige, die woede die ge in u hebt laat ze daar,
 
en zoek der pijnen verlossing.
 
Ouderachtig misschien u schijne ik te spreken alzoo;
 
zulke nogtans der al te hoog sprekende
 
tonge, Promêtheus, de belooning wordt.
 
Gij doch, nog niet ootmoedig, en wijkt voor de kwalen,
 
en bij de tegenwoordige ja nieuwe bijkrijgen wilt.
 
Gij en zult dus niet, wilt gij mij gelooven,
 
aan den prikkel het been bieden, ziende dat
 
een felle meester onverantwoordelijk heerscht.
 
En nu ik ja, ik ga en proeven zal
 
of ik vermoge u te verlossen uit deze pijnen.
 
Gij, wees stille en niet te wild en klap:
 
weet gij dan niet wel, zijnde alleswijs, dat
 
tonge stout de straffe vermorzelt?
[p. 114]origineel
 
Promêtheus.
 
Ik benijde u daarom, dat gij buiten zake u bevindt,
 
en alle dingen gedeeld hebt en gedurfd met mij.
 
Nu, laat varen en geenszins u moei:
 
Geener wijze toch overtuigt gij hem; immers niet te overtuigen is hij;
 
maar let op dat gij zelf niet en lijdet om der reize.
 
Okeanos.
 
In der waarheid veel beter om uwen naasten te raden zijt gij
 
dan uw zelven; bij daad en niet bij woorden ben ik het bewezen
 
Den spoedenden toch niet tegenwerkt;
 
ik betrouwe immers, betrouwe, deze genade mij
 
geven zal Zeus, u te verlossen uit deze pijnen.
 
Promêtheus.
 
Daarom ja u love ik en nooit late dat eens:
 
Van ijverswege immers níets gij verzuimdet; maar
 
niet en pijn: ijdel toch en zonder hulpe
 
voor mij zult gij pijnen, zoo gij ja wat pijnen wilt.
 
Maar blijf stil, uw zelven uit de voeten houdend.
 
Ik immers niet, zoo ik ongelukkig ben, daarom
 
zou willen dat aan velen pijnen overkomen.
 
Neen toch. Want mij ook nog eens broeders lot
 
verplettert; van Atlas, die bij de avondlanden
 
staat, de zuile van Hemel en Aarde
 
met de schouders schragend, last niet wel dragelijk.
 
En het Aardkind ook, der kilikische krochten bewoner,
 
ziende, betreurde ik, het vijandig gedrochte,
 
honderdkoppig, met geweld getemd,
 
Tyfôs den stouten, die allen Goden tegenstond,
 
met schrikkelijke muilen blazende de dood;
 
en uit zijne oogen straalde Gorgônsblik blikkerend,
[p. 115]origineel
 
lijk om Zeus' heerschappij te vernielen met geweld.
 
Maar kwam op hem Zeus' woeligslapende schicht,
 
neêrwaarts schoot de weêrlicht blazende vlammen
 
en hem sloeg uit hoogschreeuwende
 
pocherijen. Want tot in de ingewanden geslegen
 
wierd hij verzengd, en verdonderd zijne kracht.
 
En nu, onmachtig en uitgestrekt lijf,
 
ligt hij bij de engte der zee,
 
geperst onder de wortels des Aitnas;
 
en, op de tinnen hooggezeten, smeedt
 
Hêfaistos; van waar stijgen eens
 
stroomen vier, verslindende met wilde tanden
 
van 't schoonbevruchte Sikelia de wijde velden:
 
Alzoo Tyfôs spuigen zal zijne woede
 
met de brandende schichten eens onverzadelijken maalstroom
 
alhoewel ja bij den donder Zeus' verkoold. -
 
Gij, 't is waar, en zijt niet onervaren, noch mij leermeester
 
behoeft gij; uw zelven red gelijk gij het goedvindt:
 
ik het aanwezend lot zal dragen,
 
tot dat Zeus' gemoed losse den toorn.
 
 
 
Albrecht Rodenbach.
[p. 116]origineel

Albrecht Rodenbach schreef deze vertaling als twintigjarige collegiejongen. Dat zij thans verschijnt hebben wij te danken aan zijn meester, Hugo Verriest, die er ons het volgende over meedeelt: ‘Drij mijner studenten vertaalden, in 1876, Promêtheus in de Boeien; niet als schoolwerk, maar als vrijgekozen dichtwerk voor de letterkamer. - Zij trachtten den griekschen dichter zoo bij mogelijk te blijven, en beoogden niet alleen den zin, maar ook den phrasengang met diepten en hoogten, en ja met iets van den rythmus.’ Die vertaling, voegt hij er bij, ‘zal eene herinnering zijn aan den prachtigen studententijd, toen onder de vlaamsche studeerende jongens, als eene zee in hoogtij, schoonheidszin en genot van eigen vrij wezen naar boven woelden en geweldig sloegen tegen... de duinen.’ Wij geven hier slechts het werk van Rodenbach.

prepostterug  begin  verder