HIJ bezag me recht in de oogen, en viel uit:
‘Heeft Banquo's geest zich nooit neergezet aan uw tafel?’
Hij hield een oogenblik op, dan ging hij voort met doffe stem: ‘Kijk me zoo verwonderd niet aan. Er is niets vreemds in mijn vraag..... Ik ben niet gek, mijnheer: ik vraag u niet of gij al hallucinaties gehad hebt..... Dát is het niet, in 't geheel niet..... ja, ik weet, ik heb aan mijn vraag een zonderlingen vorm gegeven, een vorm - hoe zou 'k zeggen? - die symbolisch schijnt... Maar dat is het ook niet... Ik wil het u uitleggen, want gij zoudt waarschijnlijk niet kunnen begrijpen... ik ook, vroeger, zou niet begrepen hebben, ik had misschien geglimlacht, zooals men glimlacht over dingen die geen antwoord verdienen.. Ik dacht toen dat alleen Macbeth Banquo's geest gezien had... Maar luister, mijnheer, ziehier wat ik erkend heb, zie, dit is schrikkelijk: wij zijn allen Macbeths, allen, allen, zeg ik u!... Ge gelooft me niet, niemand gelooft me wanneer ik dat zeg; de menschen willen zich niet kennen, zij willen in zichzelf niet kijken, zij hebben schrik, zij hebben schrik bewust te worden. Gij zijt blind en ik ook en wij allen, halsstarrige blinden, die er zich aan onttrekken, het licht te zien... Nu heb ik dat gevat, ik heb dát reeds gevat, ik zie klaar op één punt, één enkel: vrees niets, mijnheer, ik wil op mijn superioriteit niet pochen. Heb ik begrepen, 't is louter toeval: de omstandigheden hebben me gedwongen te begrijpen... Gij weet niet welke omstandigheden, ik zou u dat willen zeggen, en ik lijd zoodanig iedermaal ik er aan denk... en toch moet ik u iets zeggen, ik moet het, anders zoudt ge u verwijderen, en ge zoudt me voor een gek houden en ge zoudt niet bewust zijn.
Luister, mijnheer, gij weet niet, gij zult nooit weten wat ze voor mij was, en niemand zal het weten, en ik zelf, al heb ik nu begrepen, ik zou niet in staat zijn het u duidelijk uit te leggen. Ik zou u heel eenvoudig moeten zeggen dat zij mijn moeder was, maar wat baat het: gij gebruikt de woorden in den alledaagschen zin, zooals men ze op straat gebruikt om zich tot den eersten den besten voorbijganger te richten, en gij kunt niet bevroeden al wat dat woord bevat wanneer ik het uitspreek... mijne moeder, mijne moeder... hoort gij al de diepe weergalmen daarvan?... geen oogenblik heeft ze opgehouden mijne moeder te zijn, vóór álles mijn moeder te zijn, alleen dat, niets dan dat: mijne moeder, mijne moeder... luister toch: dat is schooner dan alles...
Een dagelijksch mirakel is er geen: de wonderbaarste dingen schijnen ons niet wonderbaar wanneer wij die elken dag zien. Dit is een eenvoudige opmerking, mijnheer, niets meer: ik wil mijn misdaad niet verklaren. Mijn misdaad! ik ga u mijn misdaad vertellen, en dan zult ge begrijpen... 't Is afgrijselijk, maar beef niet... Zie: mijn moeder, ik heb haar gedood... ja, ik de eerste, ik vooral, ik alleen... Elk mijner aandoeningen weerklonk door haar; mijn vroolijkheid werd haar vreugde, mijne droefheid was haar een pijn, mijn minste wee veroorzaakte bij haar eene diepe smart, al wat ik gevoelde, dat gevoelde zij krachtiger dan ik; mijn leed sneed scherper in hare ziel, en werd doodelijk. Zij leefde door mij... Dat ten minste, dat wist ik, 'k wist het sinds altijd, ik moest het weten... en toch was 't alsof ik het vergeten was, alsof ik het nooit geweten had... Ik heb haar niet geëerbiedigd in mijzelf, ik heb haar niet bemind in mijzelf. Ik heb mij overgelaten aan mijne booze neigingen; ik heb mijn eigen smarten met wellust aangekweekt; ik heb haar die aanvertrouwd, ik heb haar die met pijnlijke zorgvuldigheid uiteengezet, ik heb haar die de een na de andere doen aanraken. Iedere wonde die zij trachtte te verbinden, zag ik bij haar opengaan: haar bloed
vloeide waar het mijne had gevloeid... Welke demon me er toe dreef zoo te handelen, dat alleen dat weet ik niet... Ik gevoelde een duivelachtige behoefte haar te folteren: zij kuste mij, zij glimlachte, en hare oogen stonden vol tranen, tranen die zit uit al hare kracht wilde terughouden, en toch ben ik er soms in gelukt die te doen uitspringen... Dat is alles niet: er zouden nog veel andere dingen zijn, maar het doet me zoo wee die zegen... en zij zijn niet gruwelijker dan deze... Zoo heb ik voortgeleefd, zonder wroeging tot op 't einde... Rond haar sterfbed berstte elkeen uit in snikken, ik alleen weende niet, onverschillig, als de misdadiger... En dan is de tijd voorbijgegaan, ik heb me vereenzaamd gevoeld, ik ben tot mezelven ingekeerd; mijn geheugen was als een trouwe spiegel en ik heb het beeld gezien van den mensch die ik geweest ben, ik ben bewust geworden, ik heb eindelijk begrepen... en sinds dien verlaat me Banquo's geest niet meer... Tracht hem niet te bespeuren, gij zoudt hem niet ontwaren, ik zelf kan hem niet ontwaren... en toch hij is daar, rond mij, onvoelbaar maar werkelijk, hij omhult mij, onstoffelijker dan de fijnste nevel, hij scheidt me af van de wereld rond mij, ik zie u aan mijn zijde en toch zijt ge voor mij zoo ver dat ge mij tot een ander heelal schijnt te behooren, en indien ik den arm uitstrekte zou ik u niet aanraken.
Jac. Mesnil.