[p. 148]
origineel
Zang
Kom, laat ons gaan door 't land der herfsten... Ooft-beladen
glooit, in haar vruchten-rust, naar 't laatste dage-rood,
glooit de aarde, in 't plooien-kleed der goud-zwaar' herfst-gewaden
moede als een moeder is van voede' en van verzaden,
zóo: moede en blijde, in de armen van de Dood; -
in de open armen van de Dood, zoet als de haven
waar verre tochten zich aan hope komen laven; -
in de open haven, troostend als een goden-schoot...
Kom, laat ons gaan door 't land der herfsten... Zomer-dagen
laaien hun laatste brand van zwaar gebroei... o kind
dat vóor mijn zijn uw wijze liefde hebt gedragen,
en ál de sterren weet die we in veel nachten zagen,
en de' adem van den Tijd in de' adem van den wind:
Zomer laait uit nu, kind, in 't staêge licht-vervagen;
de aard laat de barens-daad ter vlije rust vertragen, -
- en 'k voel dat de eeuwigheid in deze' avond begint...
We zullen gaan door 't land der herfsten, en, verloren
in herfstige eenzaamheid, zal ons veel vrede zijn...
Zie, de avond graaft in de aard zijn laatste zonne-vore;
en wij, - ons liefde werd in wetens-ernst geboren, -
't geweten van den herfst zal om ons leden zijn...
Ons liefde is moe van lam gezeur en mooie logen. -
We gaan door 't land van herfst; - o, sluit uw levende oogen, -
we gaan ter zoete Dood in 't kallem Aard-gedein.
Karel van de Woestijne
.