ALBRECHT RODENBACH was mijn leerling. Ik heb hem gekend, zoo naar als men eenen mensch kennen kan, en toch is het mij moeielijk over hem te spreken.
Hij was te veelvoudig, in zijne eenvoudigheid; zijne hoedanigheden en veerdigheden liepen te verre uiteen; zijne gedachten en gevoelens rezen te hoog, en lagen met al te diepe gronden, zijn dichterlijk wezen sprietelde te los en te veelvoudig en te ver.
En daaronder, onder dat uitwendig schoon kleed van den student, leefde er een wezen, met zulke wondere krachten, met zulke vreemde hoogten, zulke onpeilbare diepten, zulke ontrustende verscheidenheden en ontstellende scheppingsmacht, dat geen menschenhand mij machtig schijnt dat te teekenen, machtig dat in woorden te vatten, te doen bestaan en tastbaar te maken.
Hij is en blijft mij ongrijpelijk op het papier en in het woord.
Ik zeg op het papier en in het woord; want vóor mijnen geest en hert staat hij levend, doorkeken, doorgrond en verstaan.
Nu nog geniete ik hem, en éen woord uit zijne gedichten verwekt in mij zijn geheel, levend beeld: Ik zie hem!
Zwarte kijkers, positief met benauwlijke glanzen, ovaal en aristocratisch vriendelijk wezen; gebogen hoofd, met schielijk om en naar boven zien en luisteren; nette, vaste, korte, heusche stap en beweging. Door alles, een zekere angst en gejaagdheid.
Ik zie nog beter zijnen binnenkant: zijne ziel, of liever die innigste innigheid van zijnen geest en hert met al hunne krachten.
Ik schrijve dus een eerste blad over hem; wel wetend dat ik het, onvoldaan, zal laten varen, en, mijn hoofd schuddend, zeggen: Neen, nog dát niet, ik blijve er verre onder; hij strekt verre daarbuiten.
Toch zullen dezen die dit lezen hem misschien juister kennen en hooger schatten.
Dat is mij genoeg.
Eerst wil ik een woord schrijven over die wonderlijke hoedanigheden die bekend, of kenlijk zijn uit zijne schriften. Daarna een tweede woord over hetgeen ik in mijnen leerling, uit dagelijksch werk en verkeer en vriendschap, hebbe mogen zien en bewonderen.
In den jongen dichter, Albrecht Rodenbach, woelde er een alleronstuimigste drift, een jacht, gelijk een dravende zee vol stormende baren, - niet gebaard, maar waar; - en toch bleef hij koel en zijn eigen meester. Hij droeg een afgrond, een vuurberg, van binnen; maar bleef koud en koel van boven en al buiten. Ik zou zeggen dat hij, onder zijne handen, hevige, hitsige peerden hield van zuiver bloed, maar ze geenen stap buiten zijnen wil en richting zetten liet: Meester!
Leest die Walkuren Rid. - De storm woedt en huilt over de rotstoppen. Zij, de speremeiden, de wilde luchtmaagden, jubelen, en door de vlagen en windzweepen, op wilde rossen, zij rinkelen op den schild en tuiten op de hoornen: spel en wilde luchtleute:
Maar daar hooren zij, uit de verte, Wodan naderen, den god, tegen Bronhild verbolgen! Ziet hoe levend, driftig en juist:
Leest Sneyssens, leest dat ‘Gent!’ als gij macht en adem en stem genoeg hebt om in ieder ‘Gent!’ de snaar heviger, inniger, dieper te doen klinken, tot springens toe, en onder 't geruisch van de stormende peerden, den man, den krijger, den kimpe, den Gentenaar kunt doen uitkomen, die onwrikbaar, strijd en sterft voor zijne stad, voor zijn volk! en beziet dan haastig die edellieden die, met gevelden zweerde, den doode hulde bieden, terwijl, ginder ver, benden vluchten.
En op een bloedigen lijkenwal daar staat in 't vale tweelicht
de vaanderik aleen en blixemt voorts,
pal. ‘Geeft u over’ schreeuwt men. ‘Gent’ juicht hij en splijt een ruiter.
Het hagelt zweerden op hem: ‘Geeft u over!’
- ‘Gent!’ juicht hij en zijn weêrlicht snijdt die ruiters door den stormhoed,
en steigerend wijkt de stormloop. Huivrend schudt
de vaandrik zijne linker hand. Zij valt. Een bloedstraal speerst.
Maar bloedig sluit zijn arm 't gescheurde vaandel.
‘Geeft over’ schreeuwt men. ‘Gent’ huilt hij, en bleek en zwijmelend staat hij
in 't bloedig wederlichten van zijn zweerd,
afgrijselik schoon. Een nieuwe storm behagelt hem met zweerden,
maar wijkt gekneusd en steigerend terug.
‘Geeft over’ schreeuwt men. ‘Gent’ huilt hij en zwaait enn bloedige scherve,
maar stort doorkorven op den lijkenhoop.
‘Geeft over’ schreeuwt men. ‘Gent’ zucht hij en wanhopig zich rechtend
kwetst hij een ruiter met des vaandels punt,
bezwijmt en zieltoogt, krampachtig des vaandels flarden grijpen,
zucht nog eens ‘Gent,’ spuigt bloed en sterft. En siddrend,
de zweerden neder, stil en stom bewonderen hem de ruiters.....
De vlucht verdwijnt in 't donkeren van de verte. -
Bij die drift en jacht, lag in onpeilbare diepte een soort van afgrond ‘waarin de stormen liepen’. Leest Freier. Maar eerst, gelijk de vedel die spelen gaat, stemt akkoord met het algemeen gevoelen van het stuk; want hier ligt de drift en stormmacht stil en geborgen. Zij wordt alleen gemeten door hare diepte, en eene nauwlijks wellende ontsteltenis der zielenzee, onder dumsterend avond, bij 't ver geruisch der wateren, door het klemmen van dat angstig voorgevoel, in die lucht van innige stille liefde:
Waarom nu wilde ik hierbij, en niet elders, De Zwane drukken? Waarom begere ik ze U te doen lezen en ze zelf te lezen? - Ik en weet het niet. - Nergens vinde ik den band die De Zwane aan 't voorgaande bindt. Misschien ook en bestaat hij niet. Maar waarom dan komt De Zwane mij in de oogen spiegelen, achter Freier, en haar genot ontwekken? Waarom schijnt het mij dat De Zwane de diepten volledigt van dien geest, en de diepte latend, er stilte in dalen doet, ingetogen stilte en eindloos avondgenot? Nescio, maar er liggen verholen en verrestrekkende snaren tusschen sterren en aarde, tusschen hoogten, diepten en vlakten van het gevoelen.
Hier dan De Zwane; en luistert maar: Avondstilte!... eindeloos... en zoet... geen rimpelken ook in letter- of sylbenklank:
In Rodenbach lag er een zicht en gevoel van eindloosheid: l'Infini; en te zelfder tijde eene klaarheid en juistheid die alles, bepaald en afgeteekend, deed voor zijne oogen staan. Zijn geest strekte en wentelde over alles en pegelde die verten waar alles samensmelt en verzwindt in damp: Eindloosheid! En daaronder in eene eindlooze ijdelte des herten, teekende hij en bracht tot leven die klare beelden, groote en kleine: Weelde! - Regendag - De Stoet - Avond; en zuchtte door den Abyssus, en keek en bouwde door zijn Geschiedenisse, met verder zicht, met langen adem, en halfdroeve hoop.
Eindloosheid in lucht en verte en gevoelen, maar vlugge, juiste, welgezinde teekening van beelden.
En dan die schoone schildering van 't naar huis keeren; van den avond in huis; van den vallenden avond, en van het laatste eindelooze rustgevoelen.
Uit zijn gevoel en zicht van oneindigheid komt dat verre-strekkend phrasen gedacht; komen die heldere, grootsche, lange zinnen, waar, zonder moeite en spanning, het gedacht en gevoelen openwentelen grootsch en harmonisch gelijk de baren van de zee.
Uit dat bepaald, klaar, net, juist zien en teekenen, zingt ‘zuiver en helder’ het liedeken:
Ja, ook draagt hij een geest vol theoriën, die hij drijven zou tot de verste verten; maar, veel nader zijn leven, eene werkelijkheid die hem droom en theorie misprijzen doet, en 't gedacht en beeld in drij woorden vatten.
Hij heeft nog een juist bepaalde wetenschap en eene heele wereld juist gekende wetendheden van oude en nieuwe wereld.
Daarbij die groote, die allergrootste gave van lijn en kleur en samenstel, zoo juist, zoo zeker, zoo stralend en levend dat niets daaraan kan vergeleken worden.
Zijne tafereelen staan in twee trekken op het papier, en ieder deel en man staat levend onder eigen pluim en hoed.
Lafontaine zeide:
Rodenbach spreekt, en tijd en plaats en volk en omstandigheden staan en roeren onder klare lucht:
En in het groot en grootsche Gudrun: soldaten zijn aan 't kijven. Camillus komt er tusschen; maar vrijmans houden aan hun recht: Kamp, kamp! Hoiho! zij vechten en Wate:
en 't spel is op den wagen.
Eindelijk in Rodenbach ligt er eene ziel waar eene geheele wereld, een levende wereld in weêrspiegelt, van aan het gerzeke tot aan de sterrenwereld, waarin geheel de menschelijkheid weêrspiegelt, en eene scheppingskracht die alles waar, lustig, levend, in schrift en dicht, doen bestaan.
Ja de levenmachtigheid, de schepping van levende wezens die uiterlijk en innerlijk, uit hun eigen ingestort leven, hun doen en laten, hun denken en voelen, hun spreken en zwijgen halen: dat was de groote macht van Albrecht Rodenbach.
Dat schreve ik en beweze ik hier, maar moete er over handelen in dat tweede deel. Ik laat het dus; maar zegge nog hoe geheel de dichtwereld geuit staat en gekleed in onvergelijkelijke zeggingskracht en woordenpracht; en hoe zij is; het ware
woord van zien en gevoelen. De mond spreekt en zingt zoo de ziel, de zee roert en waagt.
Bij Albrecht Rodenbach was dit alles beheerscht en gericht door 't gedacht van Vlaanderens herworden.
En nu mijn tweede woord, of een tweede deel, waarin ik beschrijven wil en bekend maken wat, van Albrecht Rodenbach, min bekend is, en wat ik in mijn dagelijksch verkeer met mijnen leerling en den student van later dagen, gezien, gevonden en bewonderd heb.
Er lag in Albrecht Rodenbach een mysterie; een mysterie voor ons, meer nog een mysterie voor hem zelve.
Hij was de jonge student, mijn leerling van de letterkamer en van rhetorika, en hij ging en leerde en las en leefde tusschen zijne kamaraden, en gelijk zijne kamaraden.
Maar in hem ontwaakte, leefde en groeide er als of het ware een tweede macht, een tweede wezen, wonderbaar! waarover hij zijn zelven ondervroeg, en dat hij monkelend en als zelf verwonderd bekeek.
Hij luisterde in zijn eigen als naar een soort van echo, een weêrklank van de buitenwereld; van al wat hij hoorde, van al wat hij las, van al wat hij zag, van al wat hij bewonderde.
Van alles bleef er iets en wierd er iets in hem, dat gelijk een tweede wezen was dat hem bezielde.
Er liep van alle gevoelens eene trilling door zijne ziel, of door eene ziel, eigen en half vreemde, en die hij, koel, met genoegen ontwaarde en nakeek.
Daarin lag een wilde ‘sehnsucht’ een wilde zienzucht.
Daarin lag een onvoldane wetenzucht.
Daarin, een vreemde begeerte en een vreemd genot alle bloemen en bladeren te overrieken, alle schoonheden te bewonderen, alle mysteriën te doorgronden en onderkijken, en dat éene, het éene licht of woord te hebben, het slot van alles. Hij stond als voor den sfinx.
Hij ontwaarde zijn halfander zelven, en rechtstaande met gebogen hoofd, verwonderd over alle diepten die in hem opengingen, over alle klaarten die in hem uit de hoogten schongen, alle verten die binnen hem verder en verder strekten, alle trillingen die hem doorzinderden, alle vormen die schoon vóor hem crystallizeerden, verwonderd ja maar verheugd, benauwd en beraden, monkelend, doorschouwde en doortastte hij zijn eigen vreemd tweede wezen.
Daarbij en uit dit tweede wezen dat hem geheel vervulde, overmeesterde, bezielde als met de verdoken ziel zijner ziel, gevoelde hij, in zijn eenvoudig studentenwerk 't gene ik zou moeten noemen: die evenmachten.
Hij was evenmachtig!
Hij zag niets, of in hem rees het onbewust gedacht en woord: Ik zou dat ook kunnen. Anch' io son' pittore.
Hij zag geen schilderijen met roerend leven en lucht, of 't was: Ik zou dat ook kunnen.
Weet gij het nog, studenten, hoe hij vro en vrij in levende en stormende beweging, op die prachtige feestplakaten, uwe spelen teekende? Neen, zijne proefteekeningen in huis en studie
van hetgene hij niet gezien heeft geven daar geen gedacht van; maar wat hij dagelijks onder de oogen heeft, dat teekent hij, in eens, met zeker hand op het roerend papier. Alzoo in alle kunst.
Alzoo bijzonderlijk in zijne letterwereld.
In zijne jongere studiejaren las hij nooit, hoorde hij nooit een meester- of wonderwerk, of dat onbewust: ‘Ik kan dat ook,’ ontwaakte in hem; niet als een onnoozel hooveerdig zelfbetrouwen, maar als het ontwaken of als het onbewust levendworden van ingewikkelde slapende machten, die zulk eene wereld, nieuwe wereld, nieuwe schepping en bezieling, in hem deden ontstaan, en die hij ook verwonderd bezag en als of het ware toetste.
Hij las Homeros en hedendaagsche andere kunstwerk uit den oosten; en daaruit die beelden en schilderijen vol oostersche pracht en lucht, zoo veel schooner in zijne eerste frissche proza.
Hij las die comediën van Plautus en schreef die haastige loopende leutige studentenspelen voor malen en gilden.
Hij las Joinville en schreef voor schoolwerk in oud fransch, die wondere redevoeringen die ik hier vóor mij liggen heb.
Hij las de tragoediën van Aischulos en vertaalde Prometheus, en teekende en dichtte ze na, met die oude ziel, uit zijne verbeelding.
Hij las Schiller en liever Goethe en voelde verwonderd 't Goethewezen in hem ontstaan en hem doorwaaien; en hoe wijdom-vattend ook, voor Shakespeare schudde hij zijnen jongen kop en zei: Neen! al monkelend peizen en voelen: Ja!
Welke ook de uitwendige vorm en gedaante was van die meesterwerken, welke ook hunne allerdiepste bezieling, die wondere macht wrocht in hem om, in evenmacht, hun werk en wezen over te nemen en er mede hunne schepping te herscheppen.
Zoo droomde hij zijnen ‘Later’ vol wonderwerken.
In 't algemeene was hij vriendelijk voor alle man, maar natuurlijk gesloten. En wederom was die vriendelijkheid, die heuschheid deze van den gekenden, goeden, allerbesten student en braven jongen. Dat was meer uitwendig en oppervlakkig. Inwaarts was hij schuchter, en schuw van 't vreemde. Hij deed voor niemand open, en liet over al wat er in hem omging gelijk de plooien liggen van een prachtigen mensch, onaangeroerd, tenzij somtijds, ja niet altijd, voor hem zelve, en 't gene aardig is om hier zeggen, voor mij.
Hij stond voor 't onbekende. Hij stond voor iets dat wordend, was dat hij beminde, waar hij preusch over was, maar dat hij mistrouwde.
Hij droeg in mijde handen, een kostelijke, eene allerkostelijkste gave, die hij wilde of dacht te willen weiger en bescheiden genieten en ter bezieling van zijn werk en van wat van hem worden mocht, weerhouden bezigen.
Wat ging er uit hem groeien? Wat ging hij worden?
Die crystallizatie tot een geheel wezen voelde hij wel, als overrijke macht, maar in hem lagen alle kiemen.
Hij zou geworden zijn de Zanger, de Minnezanger van eertijds:
.......................
Hij was de Jongeling die zou oogenblikkelijk geweest zijn de duitsche Student, Kantist, Hegeliaan, die de gemeene wereld over den schouder werpt en zijn jongen Ik verheft hemelhoog.
Hij zou gegaan zijn door de natuur, onverschillig, heusch, grootsch, misprijzend, en toch alle mogelijke theorie genegen en begroetend, maar zeggend: al wel, al wel, en mij eender! en leve 't jonge leven!
Hij zou ook geworden zijn de droomer, de zoeker door allerdiepste en duistere theorie, smachtend achter verklaring en angstig bezwijkend om het ongevonden woord en licht; mysterium:
Zoo schreef hij in zijn collegiejaren: ‘Want mijn verstand heeft licht noodig, licht en zekerheid; want letter verstaat het omdat het alles te oneindig vindt! Nauwelijks heeft men iets gevonden en meent men het te vatten en te vâmen, of men ziet hoe schrikkelijk verre het strekt al alle kanten. En van daar lijk een angst en gejaagdheid en onzekerheid in het studeeren.’
Hij zou gedoold hebben misschien, God weet hoe of waar; maar angst naar orde, licht en waarheid waren hem meester geheel en gansch.
‘Als gij spreekt, dan voele ik het licht door mijne ziele stroomen, en ik en ben dan niet gejaagd, maar versta, begrijpe en omvatte, en hebbe meer verstand dan anderszins.’.... ‘O wistet gij, hoe dat uw woord somtijds valt lijk dauw in de bloeme, lijk regen in het brandende zand, voor die gejaagd was en ongerust, hakend naar orde en vrede, en dorstig naar goede hoop.’
En later mocht hij dichten:
In dat wonderlijk wezen lagen die drij grondhoedanigheden:
Hij zag het leven en teekende het na; - hij had de scheppingskracht; - hij had eene rustelooze bedrijvigheid, werkzaamheid, en - 't gene ik niet en weet hoe noemen, - eenen rijkdom, eenen overvloed van wordende beelden en wezens en werelden.
Hij zag het leven. - Gij zult mij misschien antwoorden: Ja, dat ziet iedereen; dat zien wij ook.
Kwestie!
Of liever, neen, wij zien het leven niet, in de Kunst. Wij en zien het zelfs dikwijls niet in de levende natuur.
En hier moete ik, om mijn gedacht vatbaar te maken, wat schoolwetenschap en uitleg bezigen:
Neemt eenen man die den trap opgaat. In iederen stap dien hij stelt is er, in geheel het lichaam, een heffen dat maar eenen stond en duurt.
Doet dien man ‘poseeren,’ en bijgevolg gebaren dat hij den trap opgaat: De voeten staan wel waar en zoo zij moeten staan, en nemen ‘pose’, gelijk van een opklimmenden man; maar die voeten en al de deelkes van het lichaam, al de pezekes en spieren, zijn doorzonken; of liever zij en hebben die gespannenheid, dat wezentlijk werken, dat dragen niet naar boven; anderszins, zij zouden naar boven gaan, en er ware geene ‘pose’. ‘Pose’ is dood; de ‘pose’ is de dood; en duizenden zijn er die studiën op ‘pose’, studiën op het leven noemen. - Doorzonken en dood! - Zij en zien het leven, het roerende, het heffende leven niet, het leven zonder gebaren, het ware, met de dracht naar boven.
Ik zou u honderde namen noemen van befaamde kunstenaars, die, - levende en roerende? - neen, - maar poseerende beelden hebben doen bewonderen. Dat hebben zij gedaan met penseel en beitel, en meer, veel meer nog, in dicht en proza.
Poseerende beelden genoeg; declameerende beelden genoeg; - levende beelden bijna nooit.
Die ééns het leven geschapen heeft, hoe kleen, hoe gebrekkelijk, hoe vol fouten ook, hij, hij gaat ter glorie en ter eeuwigheid. Dat is de ‘Genie.’
Die maakt, alleenlijk maakt, fijn en kunstvol, hij wint voorbijgaande befaamdheid. Dat is het ‘talent’.
Rodenbach zag het leven, het inwendig roerende leven; hij bespiedde het; hij bespeurde het; hij minde het leven, en tee-
kende het na. Het leven deed hem monkelen; het deed hem bewonderen; het deed een wederleven in hem onstaan; het deed gelukkig zijn; en hij teekende het na.
En niet alleen teekende hij het leven na, maar, hebbende ‘die scheppingsmacht’, bezielde hij al zijne beelden met dat innig levend leven. Alzoo zijne uchtend- en avondbeelden, alzoo zijne natuurzichten; alzoo zijne tafereelen uit geschiedenisse, uit hedendaagsche werkelijkheid, uit gedroomde werelden; alzoo zijne dramas, zijne mindere tooneelen en studentenspelen, waar menschen niet alleen, maar aarde en duinen en zee en lucht en zonne en natuur, van leven doorstraald zijn en tintelen. Het leven!
Rodenbach en maakt niet; hij schept levende wezens, wien hij geen woord of daad geven moet, maar die natuurlijk hunnen weg gaan, hun werk doen, hun woord spreken; niet van dichterswege, maar uit eigen levend wezen.
Door de kracht van dat innere wezen dat in hem lag, en waarin alle evenmachten speelden, miek hij eigen, geheel eigen, alles wat hij in de kunst en in de natuur mocht tegenkomen en bewonderen.
Beelden speelden voor zijne oogen onder oostersche lucht: Faraô en de maagden van Egipten:
Rodenbach heeft Gudrun geboetseerd met liefde en ingetogenheid; en bewonderend, gelijk die Griek voor zijn standbeeld, heeft hij geroepen: sta op en leef en wandel. Gudrun leeft in hare jonge, reine schoonheid, onsterfelijk! Zij leeft, van aan den lichten plooi van haren voet, door den wentel van lijf en leden, tot het kijken van oog en hoofd. Zij leeft in geest en hert, en hunne ontelbare weêrspiegelingen en weêrklanken op natuur en gevaarten, onder klare of donkere lucht. Haar woord is de klank van een levende ziel.
Wate, de droomer, de dweper, gaat de runen werpen:
Hij staat gebogen in het zand over de teekens. - Gudrun, daar hoog, verschijnt op de dunen:
Daarbij die werkende scheppende geest was onuitputbaar. Uit hem, door zijne studiën, door zijne lezingen, door zijne kennissen, door al hetgene hij in kunst en natuur mocht genieten, welde in rijkdom en overvloed, een dichte drang van wonderbare beelden, verschillend van lijn en kleur, van leed en vreugde, van woord en zang, van ziel en zinnen, van uitborrelende leven.
In hem lag een chaos, waaruit zijne scheppende geest, de geest, gedurig, in schoone droomen, beelden en dramas en een wordende wereld deed ontstaan, als een overschoone levende panorama.
Zijne gedachten, met hunne tafereelen en tooneelen, rijzen aan den ingang van den tempel, den allergrootsten, den allerrijksten, den Pantheon, dien hij bouwen ging, en waarin in over-
prachtige levende beelden, hij een volk, eene wereld, herscheppen wilde, zijn eigen volk ten toone en ter herwording.
Wat ging hij worden?
De dichter, de ziel, het hert, de geest van het herwordend Vlaanderen! -
Strijdend, met penne en woord, vooruit, op eersten rang.
Want ja, dat nog moet ik hier bijvoegen: Was zijne macht het leven te scheppen in zijne Gedichten: dat leven, die levensmacht legde hij ook in alles wat uit zijne hand kwam.
De Gilden, de Bonden, de Kamers die hij stichtte, bezielde hij met zijn alles doorstralende, alles doorsprietelende, alles overstroomende leven.
Als geheel het studentendiet van Vlaanderen roerde: in alle geesten straalde, in alle herte zong die naam: Albrecht Rodenbach.
Kwamen de knapen ergens te gaâr, een naam weêrklonk: Rodenbach.
Rodenbach, de twintigjarige student, was in Vlaanderen, een licht geworden, een vuur, eene macht, eene hoop, eene toekomst!
Wat ging hij worden?
Dat woord herhale ik:
De Dichter, de Ziel, het Hert, de Geest, het Woord van het Herwordend Vlaanderen!
Hugo Verriest.