terug  begin  verderprepost
[p. 220]origineel

Starkadd

Drama in vijf bedrijven

Personen.

Koning Froth.
Ingel, zijn zoon, later koning.
Saemund, vroeger goudsmid, nu kamerheer van den koning.
Starkadd.
Wolf, een van zijn mannen.
Hilde, gade van Ingel, later koningin.
Helga, Froth's dochter.
Een zanger.
Twee wachters.
Twee visschers.
Mannen en vrouwen aan het hof van Froth en van Ingel.

 

Het stuk speelt aan de westkust van Denemarken.

[p. 221]origineel

Eerste Bedrijf.

Het tooneel stelt de troonhal voor in Froth's burcht. Bedienden schikken zetels en banken.
 
Saemund.
 
Wat vlugger, haast u, - daar, rechts, naast den troon,
 
De zetel voor den vorst; aan dien kant, twee
 
Voor de vorstin en voor de koningsdochter.
 
Laat maar die banken waar ze zijn, wij hoeven
 
Ze heden niet, - 't is wel nu, ge moogt gaan.
(De bedienden vertrekken.)
 
Zoo dienend, diende Saemund weer zichzelf.
(Ingel komt rechts op.)
 
Mijn vorst, weldra is aan uw wensch voldaan;
 
Nog heden avond neemt de koning afscheid
 
Van Starkadd; - dan, vaarwel naar friesche kusten
 
Waarheen zoo menig trotsche held reeds trok;
 
Maar nog is geen van daar ooit zegevierend
 
Teruggekomen; daar ook kan de skald
 
Met zang en zwaard om koningskronen werven.
 
Ingel.
 
Zwijg, Saemund, zwijg, gij hebt mijn brein vergiftigd.
 
Sinds gij vóor mij dat beeld van Starkadd koning
 
Getooverd hebt, sinds heb ik rust bij dag
 
Noch nacht gevonden voor dat hoonend spook.
 
Zie, droomen en gedachten spannen saam,
 
Ik kan niet anders meer, ik moet dat beeld
 
Steeds vóor me zien; ik kan 't niet meer ontgaan.
 
O Saemund, zeg, kunt ge 't niet van me nemen?
 
- Die droomen, o wat zijn ze vreeslijk klaar. -
[p. 222]origineel
 
Ja, Saemund, hij is groot als 'k hem zoo zie,
 
Het purper dat om zijne schouders hangt,
 
Hij draagt het met eens konings majesteit,
 
En dan die blik die eerst vol eedle hoogheid
 
En dan met medelijden op me neervalt!
 
Hoort gij het, Saemund, medelijden voor
 
Een koningszoon die ook wil koning zijn!
 
En ik, ik zink in 't stof; - hoort gij het, Saemund,
 
Mijn eigen spot en schande droom ik met
 
Mijn eigen brein, - en met de tanden kners ik,
 
Maar van mijn laffe leden roert er geen
 
Om 't valsche purper hem van 't lijf te rijten.
 
En dan bij dag in elk gezicht dien hoon,
 
In elken blik 't verlangen naar mijn schande.
 
- Ja, ja ook uit ùw oog glanst soms wel iets,
 
Dat als triomf schijnt over mijne zwakheid. -
 
Slechts éen, hij, Starkadd zelf, heeft in zijn blik
 
Iets liefdrijks dat me onwillekeurig aantrekt
 
En 'k moet tot hem dan spreken als een vriend;
 
Wantrouwend volg ik wel hetgeen hij zegt,
 
Ik weeg elk van zijn woorden, géen ontgaat me,
 
Tot hij dan schielijk ophoudt en bevreemd,
 
Maar toch deelnemend, vraagt wat ik toch heb.
 
Iets van dat medelijden uit den droom
 
Ligt in zijn stem, en woedend schiet ik op.
 
Maar als mijn oog zijn vranken blik dan treft,
 
Dan kan ik hem niet zeggen dat hij liegt,
 
Want dan geloof ik 't zelf niet meer, en 'k zwijg
 
Beschaamd, en 'k ga. - Saemund, laat mij zijn vriend zijn? -
 
Ofwel geef mij het recht hem meer te haten.
 
Saemund.
 
Mijn vorst, 'k dacht dat mijn plicht als dienaar was
[p. 223]origineel
 
U het gevaar te toonen dat u dreigt
 
En dat ik reeds sinds maanden wassen zag.
 
Ik had nu juist nog dingen te vermelden
 
Waarvan uw oog nog purperder zou droomen,
 
Maar ook uw handen bloedig zouden slaan,
 
Want 'k had gedacht dat ik mijn vorst moest helpen
 
Hem kroon en troon te waren tot zijn eer!
 
Maar 'k moet nu zwijgen daar mijn heer 't gebiedt.
 
Ingel.
 
Spreek, spreek, 'k beveel 't u, is 't nog erger nieuws?
 
Ziet gij dan niet dat ik naar daden haak
 
Die van mezelven me verlossen zouden?
 
Saemund.
 
Als wilde wiking kwam hij hier aan land
 
En bood den koning zijne diensten aan;
 
In grootschen kamp streed hij ons kusten vrij:
 
- Dat moet hem zelf zijn ergste vijand laten
 
Dat grooter held nooit opdaagde in den kamp -
 
Daarna tracht hij des konings gunst nog meer
 
Te winnen; hoe hij 't deed, moet ik niet zeggen,
 
Zijn wondre zang...
 
Ingel.
 
Maar toe, maar toe, zijn zang,
 
Zijn daden... O kon ik ze maar vergeten.
 
Maar zóo er steeds aan denken, steeds er aan
 
Herinnerd worden... Ga toch voort, zeg 'k u.
 
Saemund.
 
Die gunst viel hem ook rijkelijk ten deel,
 
Want koning Froth, door dankbaarheid vervoerd,
[p. 224]origineel
 
Weet niet hoe hij zijn skald beloonen kan;
 
Van 't hoogste spreekt men al, des konings dochter,
 
Uw zuster Helga, geeft hem Froth tot vrouw.
 
Ingel.
 
Wat, Helga, zijne vrouw, Helga, mijn zuster?
 
Saemund.
 
Ziet gij hem dan als broeder naast u rijzen,
 
Dan staat hij bij den troon zoo dicht als gij;
 
Nog zoeter klinken dan zijn woorden u
 
In 't oor; en zachter nog gaan zijn gebaren:
 
Een vriend zult gij zoo hebben tot den stond
 
Van 's konings dood; dan strekt hij naar de kroon
 
De handen uit en zet die kroon op 't hoofd,
 
En legt des konings purperen mantel om,
 
En zóo, met majesteit, treedt hij voorbij
 
Vorst Ingel, die hem braaf en needrig dient.
 
Ingel.
 
Mijn droom, mijn droom, spraakt gij dan waar, zoo ver is 't?
 
Maar neen, nog sta 'k vóor hem, des konings zoon,
 
En ik alleen ben 't, Starkadd mag 't nooit worden!
 
Voor mij moet Starkadd buigen in het stof,
 
Hij zal niet meer als vriend de hand me biên;
 
Als heerscher wil ik hem mijn trots doen voelen!
 
Het was bijna te laat; dank, Saemund, u,
 
Dat gij me vroeg genoeg 't gevaar nog zien deedt
 
Waarin mijn koningskroon verloren ging.
 
Waarom zou ik nog leven zonder kroon,
 
En eer en macht; het trachten van mijn ziel,
 
Welk doel zou 't vinden? Wee, vermetele, u,
[p. 225]origineel
 
Indien ge mij de hoop op hen ontneemt;
 
Mijn leven heb ik op die kroon gezet;
 
Wacht u, mijn leven is het uwe waard.
 
Saemund.
 
Bedaar, mijn vorst, nog is hij niet geslaagd;
 
Eerst gaat zijn weg naar verre, onzeekre streken,
 
Waarvan men eens terugkeert - of wel niet -
 
Na langen, langen tijd; - wat in dien tijd
 
Gebeuren kan, wie weet het; koning Froth
 
Is oud en hij kan sterven...
 
Ingel.
 
Dood, mijn vader!
 
Ja, vader, 't is uw schuld, indien 'k niet ijs
 
Voor die gedachte; - Saemund, waarom spreekt gij
 
Dat woord zoo koud, zoo vastberaden uit?
 
Het is of in uw stem bedoeling lag...
 
Saemund.
 
Hebt gij bedacht indien vóor 's konings dood
 
Starkadd terugkeert, met nieuwe eer belaân,
 
Hij machtiger dan ooit te voren optreedt
 
En eischen kan waar hij nu vleien moet?
 
- Bedenk het wel, mijn vorst, eerst heeft hij 't land
 
Gered; heeft hij de Friezen nog verwonnen,
 
Dan schonk hij niet alleen het leven ons,
 
Maar wijl hij eer en macht ons wederbrengt,
 
Zijn wij gedwongen tot ootmoedgen dank,
 
En koning Froth geeft hem zijn dochter dan,
 
En Ingel, in de schaduw weggeduwd
 
Door Starkadd's glans, mag ook een zang dan zingen
 
Ter eer van Starkadd, van den sterken vorst
[p. 226]origineel
 
Die door zijn daden wist een kroon te winnen
 
Die andrer zwakheid niet meer dragen kon.
 
Ingel.
 
Zwijg, zwijg, ge maakt me razend! Mijn hoofd duizelt
 
Van al dien spot! Wie zijt ge die mij hoont
 
Met zulke driestheid?
 
Saemund.
 
Ik, uw dienaar, heer.
 
Ingel (langzaam bedarend).
 
Wat windt, o Saemund, uwe koude taal
 
Mijn arme, radelooze hersens op!
 
Ik kan die groote dingen niet meer denken,
 
Zij zijn te groot, en mijn gedachte woelt
 
In hen en kan hun grenzen niet bereiken.
 
Saemund.
 
Uw kroon, heer, red uw kroon; - keert Starkadd weer
 
Vóor 's konings dood, dan gaat uw kroon verloren
 
En gij en uw geslacht dient koning Starkadd.
 
Ingel (nog altijd in zich verzonken).
 
Een woord klonk mij met vreemden klank in 't oor,
 
Reeds driemaal was 't. - Hoe was 't nog: dood, dood, dood!
 
Het klinkt zoo vreemd, alsof 't een redding bergde.
(Plots opziende, zijne hand op Saemund's arm leggend).
 
Zeg, waarom spraakt gij toch dat woord zoo vreemd?
 
Saemund (langzaam en met nadruk).
 
Nog eens, vorst Ingel, waak op uwe kroon.
 
Sterft koning Froth niet door der goden hand
 
Vóor Starkadd keert, dan moet hij sterven...
[p. 227]origineel
 
Ingel.
(heeft zijne woorden met spanning gevolgd; bij den laatsten zin heeft hij Saemund hevig teruggestooten, en met den kreet:)
 
Neen, neen!
(stormt hij weg).
 
Saemund (alleen).
 
Ga zwakkeling, het was bijna te veel
 
Voor u, nu gaat uw arm brein weer doorpeinzen
 
Wat kwaad en goed is in die slechte daad.
 
Een slechte daad, - waarom een slechte daad?
 
Wat kan wel slecht zijn als 't een krone geldt?
 
En de arme, hij wil koning zijn, en hij
 
Heeft een geweten, en 't spreekt hem niet vrij
 
Van goed en kwaad, - 't is een armzalig ding
 
Zoo een geweten voor wie koning zijn wil.
 
En toch zal dat gedacht van hem niet wijken,
 
Uit zwakheid zal hij 't kwade doen en 't weten
 
En 't zal hem neerslaan en voor steeds vernielen,
 
- En de' afgetobde heb ik in mijn hand; -
 
Waarom is zij voor hem dan slecht, die daad,
 
Waarom moet hij daardoor ten ondergaan?
 
Het moet toch zoo; zoo heb ik 't ook voorzien,
 
Wijl 't mij als eene deugd verheffen zal,
 
Tot haar, mijn doel, die gouden koningskroon.
 
Het is zijn vader, ware 't nu mijn vader!
 
- Hoe zonderling daaraan kan ik niet denken -
 
Nochtans, hij is mijn koning, die met eer
 
Mij overladen heeft, en ik voel niets
 
Dat als een wroeging mij iets wijten komt;
 
Hoe komt die zaak me zoo eenvoudig voor?
 
Kalm, met noodwendigheid groeide in mij op
[p. 228]origineel
 
Die daad, die moord, jawel die moord, dat is 't toch -
 
't Woord heeft een ruwen klank. (Hij lacht.)
 
Ga ik nu siddren
 
Omdat een woord toevallig holler klinkt?
 
Weg van mij, sprookjes uit den kindertijd,
 
Ik heb mijn doel en daar ligt mijn geweten,
 
En alles wat mij nader er toe brengt
 
Is goed, en zal zich ook ten goede wenden.
 
De koningskroon moet eenen koning sieren
 
En wie mag koning zijn, hij die de macht
 
Slechts met het purper om het makke lijf hangt
 
En 's avonds ze met 't purper ook weer aflegt,
 
Of hij die ze gebiedend in zich hoort
 
Tot volkren spreken, die gedwee hem hooren?
 
O 'k ben u allen meester, ik, uw dienaar,
 
Vorst Ingel, u, te zwak voor goed of kwaad,
 
U, koning Froth, te zachte en tamme heerscher,
 
En u ook, Starkadd, die slechts zingen kunt
 
En met het zwaard slaan, en u leven laten.
 
Ik houd de draden van uw aller handlen
 
En mijn gedachte zal uw noodlot zijn.
 
Daar komt de koning; achteruit, mijn trots,
 
En dien, zoolang gij nog niet heerschen moogt.
Koning Froth komt op met gevolg. Starkadd in volle wapenrusting aan zijn zijde leidt hem; Ingel volgt. Helga en de vorstin onmiddellijk daarna. Mannen van Starkadd en van Froth in wapenrusting of in feestgewaad.
Froth bestijgt den troonzetel in den achtergrond; aan de linkerzijde (van den toeschouwer) zijn de vorstin, Helga en de vrouwen, aan de rechterzijde, de mannen.
Starkadd aan de zijde van zijn mannen staat wat op den voorgrond. Saemund, achter de rij der vrouwen, verborgen.
[p. 229]origineel
 
Froth (rechtstaande).
 
Ik riep u, mannen al, in deze halle,
 
Dat helden Starkadd uitgeleide doen;
 
Reeds ligt zijn schip voor zwaren tocht gereed,
 
Na al den roem van twintig grootsche daden
 
Wil nu zijn arm de sterke Friezen slaan;
 
Voorwaar, de zwaarste wel van alle tochten
 
Die hij ooit ondernam, wij weten 't wel,
 
Wij, die den smaad nog brandend op ons voelen
 
Der laatste slagen, waar de besten sneefden;
 
Gij kwaamt te goeder ure, Starkadd; ik
 
Was aan 't vertwijflen in den grooten nood,
 
Want onze zwakheid kennend, drong de roover
 
Van uit de zee tot in ons vaste woning.
 
Toen hebt gij tweemaal hem teruggedrongen
 
Met harde slagen, en hem zoo vernield
 
Dat van zijn gansche trotsche macht misschien
 
Een enkel brandzwart wrak drijft op de baren;
 
U, Starkadd, dank ik 't, dat ik in dees land
 
Nog heersch en dat weer weelde en rijkdom
 
Stroomen in onzen burcht uit land en zee.
 
Dan, of uw plicht nog niet ten einde was,
 
Bood balsem voor de wonden nog uw lied;
 
Het wekte weer den moed in onze harten,
 
Die te vergeefs een steun nog in zich zochten.
 
Heldhaftge vreugd klonk uit uw zang ons tegen
 
En daden, zoo heldhaftig als gij zongt,
 
Ontsprongen wrekend weer aan aller armen.
 
Dat was uw werk, o held; 't rijk stortte neer,
 
Met uwe hand hebt gij 't weer opgericht.
 
Mijn hart moest in het bittre van dees stond
 
De milde stem van zijne dankbaarheid
[p. 230]origineel
 
Aanhooren; eens, moest ik het toch bekennen
 
Voor u en allen, wat mijn borst sinds lang
 
Beweegt.
 
Starkadd.
 
O koning, uwe woorden bruischen
 
Als zuiderwijn door mijne gloeiende aderen
 
En scheppen rond mijn ziel een lichte waas
 
Waardoor 'k de wereld nu met de oogen van
 
Een dronken man aanschouw; vergeef 't mij, koning,
 
Indien mijn mond nu woorden spreken moet
 
Die uwen koninklijken zin wel konden
 
Krenken; maar ik en kan niet anders meer;
 
Een macht die ik niet langer kan bedwingen
 
Welt nu uit mij.
 
Froth.
 
Spreek luid, mijn skald, voor allen:
 
Met heel mijn hart kom ik u te gemoet.
 
Starkadd.
 
Veel groote werken had ik reeds verricht
 
Waarvan de skalden in hun liedren zingen,
 
En menig sterke held werd bleek van nijd
 
Bij 't hooren van de daad, terwijl 'k mezelf
 
Steeds eenzamer en zelfverlaten voelde.
 
O ja, de roem van de eerste daad verhief
 
Mijn jeugdig hart tot aan Walhalla's poorten.
 
Maar ook die vreugde was van korten duur
 
En het genot mij uit dat éene werk
 
Ontsproten, zooveel grooter daden brachten
 
Het niet terug; toen heb ik wel gevoeld
 
Hoe nietig alle lof uit vreemden mond is;
[p. 231]origineel
 
Wat menig skald van mijnen roem vermeldde,
 
Hoe ik 't aanhooren kon of 't mij niet gold,
 
Slechts grievender nog voelde ik dan de leegheid
 
Waarin 't vertrouwen al verloren ging.
 
Uit beter daden wilde ik het herwinnen,
 
Maar ijdel was mijn doen voor de eigen redding,
 
En hielp ik toch nog menig volk, 't was maar
 
Omdat 'k een zwaard had en een arm die slaan wou.
 
Mijn koning, laat me nu verhalen, hoe
 
Gij, die in mij uw redder hebt geprezen,
 
Mij hebt verlost uit een ellende die
 
'k Met al de macht mijns wils niet wenden kon.
 
'k Stond op een zachten avond aan den steven
 
Verzonken in die zelfde mijmeringen
 
Waarin 'k zoo hopeloos verloren ging;
 
Mijn mannen wisten dat zij ongestoord
 
Mij moesten laten in die oogenblikken,
 
Want, of het nog zoo pijnlijk was, ik minde
 
Dat wroeten in mijn eigen leege borst.
 
Ik staarde in de opgewoelde zee en voelde
 
Mij half wellustig op en neer gaan met
 
De kiel die, stijgrend, door de baren boorde.
 
'k Was weggezonken in een stomp nietdenken;
 
Als uit de verte kwam tot mij de stem
 
Eens deenschen zangers, dien wij gastvrijheid
 
Aan boord geschonken hadden en wiens zang
 
Mijn volk vermaakte door zijn vreemde wijs.
 
En ik verstond zijn lied: van koning Froth
 
Ging hoog zijn zang en zijn begeestering.
 
Hij zong hoe na den roem der jeugdge daden
 
Ge uw volk te binden zocht door 't milde hart,
 
Hoe in uw daden en uw deugden, steeds
[p. 232]origineel
 
Het milde hart het eerste en laatste woord sprak;
 
O koningslied, hoe hadt ge een heldren klank!
 
En toen 'k vernam hoe 't noodlot u vervolgde,
 
Hoe ramp na ramp u dreigde te verdelgen,
 
Toen brieschte de oude moed weer in mijn borst.
 
Terstond wendde ik den steven naar dit strand,
 
Want eenen vriend, een vader moest ik redden.
 
Ik vond u en het lied had waargezegd:
 
Een vriend, een vader heb ik mij gered.
 
Nu viel het woord, mijn koning, wees genadig.
 
Froth (tot hem komende).
 
Vriend, stelp den vloed niet die u 't hart ontwelt,
 
Ik heb sinds lang reeds deze bron gemist,
 
Mijn hart staat open voor uw jeugd, en klopt
 
Het uwe te gemoet als in den tijd
 
Toen het nog open stond voor gansch een wereld
 
Gulheid. Nu lost uw spraak mijn oude tong
 
Tot ongewone taal van hartigheid,
 
En 't oude menschenhart verlangt een stond
 
Te rusten van 't hardvochtig koningschap
 
Aan uwe borst, mijn vriend, mijn zoon.
(Hij omarmt Starkadd.)
 
Starkadd.
 
O koning,
 
Nu is mijn arm zoo sterk, mijn hart zoo rijk
 
Van 't woord dat eedler nog heeft waar gemaakt
 
Wat in het stilste van mijn hart ik nauw
 
Met woorden durfde aan 't eigen hart bekennen!
 
Froth.
 
Ik dank u voor dit oogenblik van jeugd,
[p. 233]origineel
 
En over 't oogenblik sluit ik mijn borst
 
Tot gij terugkeert, en met u onze eer;
 
Dan zal ik met het beste wat ik heb
 
Ook met den held het skaldenhart beloonen.
 
Maar zie, reeds ligt de zon rood op de zee,
 
't Is tijd tot afscheid nemen; ga, mijn vriend,
 
Ik wil de laatste zijn die u aan 't hart drukt.
 
Starkadd (gaat tot Ingel).
 
Ingel, uw vriendschap was me waarborg dat
 
Ik niet te veel gevergd heb van uw goedheid
 
Toen ik gedurfd heb u als vriend te groeten.
 
Soms docht mij wel - meer in den laatsten tijd -
 
Alsof uw blik mijn durven me verweet;
 
Heb ik u dan gekrenkt? - O 'k wilde 't niet,
 
Het was onwetens dan. - Ik wilde nu,
 
Dat ik voor langen tijd ga afscheid nemen,
 
Mijn borst verlichten met een vriendlijk woord
 
Van u.
 
Ingel.
 
Hoort gij zijn woorden zoet zich buigen
 
Gelijk een lied dat hij van buiten kent?
 
Denkt gij dat ik sinds lang niet klaar gezien
 
Heb in uw spel? - uw woord is zoet als honig,
 
Maar de gedachten die het zorgzaam dekt
 
Spuwen me gif en gal in 't bloed en 'k moet
 
U nu doorschouwen doen van die verblinden.
 
Een vriend, een vader! Ja, waarom ook niet!
 
Noem mij uw broeder toch, indien 'k die eer
 
Genieten mag; 't is immers veel voor iemand
 
Die slechts uw dienaar zijn mag, Starkadd koning!
 
Ge twijfelt nog, zijt ge dan blind, gij allen,
[p. 234]origineel
 
Ziet gij den hoogmoed in zijn oog niet blinken?
 
Mij, mij wil hij de kroon mijns vaders nemen
 
Die hem toch beter voegt; is 't niet zoo? - hem,
 
Starkadd, den held, Starkadd, den skald, neen, neen,
 
Starkadd, verrader, Starkadd, onderkruiper.
 
Froth
(is opgestaan en nadert ras tot Starkadd die spreken wil).
 
Zwijg, Starkadd, zwijg, mij hoort uw antwoord toe.
(Tot Ingel.)
 
Uw woorden hebben eenen zwaren last
 
Op mijne koningsschouders opgetast;
 
Armzalig kind, door welke daad wilt gij
 
Uw bloedige beleediging vergoeden?
 
Indien gij hem zelf om vergeving smeektet,
 
Wat baat het hem, van u die nooit een daad
 
In 't strijdperk uitgestreden, de uwe noemdet?
 
Ga heen, mijn zoon, ga weenen als een wijf.
 
Zie, Starkadd, 'k buig ootmoedig 't hoofd voor u,
 
Ik, mijn verleden en mijn voorgeslacht
 
Smeeken ootmoedig om vergiffenis.
 
- Starkadd, geen woord, het waar te veel voor mij -
 
En nu betaalt de koning voor zijn schuld
 
De boete die hij zelf bepalen wil.
 
Helga, wilt gij dien man gelukkig maken,
 
Dan geef me uw hand, en 'k leg haar in de zijne.
 
Ingel.
 
Vader, vader, waarom doet gij me dat? (Snel af.)
[p. 235]origineel
 
Froth
(alsof hij niet gehoord had, legt de hand van Helga in die van Starkadd).
 
Starkadd, 't geschenk dat ik thans doe, is klein;
 
Het deel van haar wat ik u geven kan
 
Is weinig bij hetgeen zij u reeds gaf,
 
'k Heb in haar oog en in haar hart gelezen
 
En, wat wellicht zij zelf niet weet, 't hoort u;
 
Dit alles wilde ik eerst bij uw terugkomst
 
Zeggen en doen; spreek, ben ik nog in schuld?
 
Starkadd.
 
Koning, geef me ook een taal om u te danken,
 
De woorden die ik zoek zijn al te zwak
 
En de innigheid, die me verstikt, smoort ze allen
 
Vóor ze in mijn keel tot klank zich kunnen vormen.
(Tot Helga.)
 
Dit handjen, och wat is het klein; zoo zacht,
 
Zoo wit, met teere vingertjes die beven;
 
In mijne hand houd ik 't; is 't mogelijk,
 
Die arm! Zeg, Helga, zijt gij 't werkelijk,
 
Gij heilig beeld dat ik zoo innig minde
 
Maar dat ik slechts in stilte dorst aanbidden,
 
Nu mijn, mijn bruid! - O, ik begrijp niet meer;
 
Kom, rust een oogenblik in bei mijn armen,
 
Schouw met uw oog in 't mijne en spreek niet meer.
(Hij kust haar op het voorhoofd.)
 
'k Heb u gekust - lief beeld, ge zijt niet boos
 
Op mij?
 
Helga.
 
Wel vriend, wat praat ge zonderling
 
En ook uw oogen zien als in zichzelf,
[p. 236]origineel
 
Ge zijt alsof ge zingen woudt. - Ik spreek;
 
Hoort gij het niet? Ontwaak, ik ben het, Helga!
 
Starkadd (als innerlijk).
 
Voor mij die woorden, 'k voel hun zoete vlucht
 
Als witte vlinders mijne ziel omstoeien;
 
't Is alles blank rond mij; o 't al vergeten!
 
In dien zoo milden liefdedroom vergeten
 
Al wat eens was en alles wat nog zijn moet.
 
En ginds dat schip, dat wacht!
(Hij omarmt Helga en kust haar lang en innig.)
 
Het is voorbij!
 
Mijn bruid, weldra keer ik terug en sluit
 
Mijn armen dan voor immer rond uw lijf,
 
Helga, hebt gij me lief? Neen, antwoord niet,
 
Het woord dat ik u zeggen hoor, ge kunt
 
Het niet uitspreken lijk ik 't hoor. Vaarwel,
 
De tijd, die me van u scheidt, zal ik weten
 
Zoo kort te maken, dat geen vijand meer
 
Ons deren durft.
 
Helga.
 
'k Verheug me er nu reeds over;
 
Maar ach, gij gaat, wie speelt er nu met mij,
 
Wie loopt met mij nog door de duinen en
 
Wie zoekt daar plekjes waar het eenzaam is;
 
Wie haalt mijn bal nu uit de zee als 'k hem
 
Te ver eens werp? Gij spat er zoo maar door;
 
Hoe moest ik lachen toen gij druipend weerkwaamt,
 
Zoo'n gek figuur; gij zelf, gij hebt gelachen,
 
Ach Starkadd, geen kan lachen zooals gij!
 
Maar nu gaat gij vertrekken voor zoo lang
 
En morgen ga ik aan het strand en 'k zal
[p. 237]origineel
 
Geen Starkadd zien, en ver, heel ver, ver achter
 
De hooge zee zal ik uw schip vermoeden
 
En verder steeds zal 't van me gaan.
 
Starkadd.
 
Maar Helga,
 
Ik kom terug; uw woorden jagen mij
 
Naar 't schip; weldra ben ik dan weer bij u,
 
En alles wat ik ben, en alles wat
 
Ik heb is dan voor u, voor u, mijn lief!
 
Helga.
 
Ja, zoo is 't goed, weldra, een korten tijd,
 
Dan ben ik grooter en wellicht ook schooner.
 
Ik ook zal trotsch zijn over uwe zege!
 
En 't goud en de edelsteenen die ge meebrengt!
 
De boosaards, 't schoonste hebben ze me ontstolen.
 
Breng veel sieraad mee, veel breed goud en zilver,
 
Zie eens, hoe dunnetjes die ring zich rond
 
Mijn arm spant, zilver is 't; van 't goud bleef niet
 
Veel over voor ons, vrouwen; ook een ring
 
Om rond den arm te spannen en ook gordels
 
Met gouden gesp en zij met zilverwerk;
 
Breng veel, heel veel, o 'k wou zoo gaarne mooi zijn,
 
Voor u, dat gij me meer nog zoudt beminnen.
 
Starkadd.
 
Al, alles wat ge wenschen kunt, nog meer,
 
Ik wil u tooien als een koningin
 
Met goud en steenen en met innig minnen,
 
Rijk als de liefde zal ons leven zijn!
 
En ook het mijne? Ik kan het niet begrijpen!
 
Koning, vergeef me, 't overweldigde
[p. 238]origineel
 
Me in eens. Ik kon niet danken, doch de woorden
 
Die mij ontwellen kan ik niet weerhouden
 
Want ik voel ze ook als diepen dank voor u!
(Tot Helga.)
 
Kom, ik heb haast, leid mij tot de vorstin,
 
Want zie, ze staat daar treurig, 't hoofd gebogen,
 
Als vreemd; ga mee bij haar en spreek voor mij,
 
Ze is boos op mij misschien, voor 't geen er voorviel.
 
Helga (tot de vorstin).
 
Mijn lieve Hilde, wees niet treurig heden,
 
Het doet me pijn, nu ik gelukkig zijn moet;
 
Zie, 'k breng u Starkadd, wees niet boos op hem,
 
Hij heeft me lief, gij zult hem ook dus lief zijn,
 
Daar gij mijn lieve, lieve zuster zijt.
 
Hij zal voor u ook veel sieraden brengen,
 
Ja, ja, nog meer! een gouden diadeem
 
Vol edelsteenen, groen en rood, zoo groote!
 
Starkadd, niet waar? Beloof het, ook voor Hilde.
 
Starkadd.
 
Vorstin, een stomme taal breekt uit uw oogen,
 
Ik zie niet meer die stille goedheid die
 
Me uit uwen blik als een geluk vervolgde;
 
Een treurigheid omsluiert thans uw oog;
 
Of is 't verwijt? Ben ik dan schuldig toch?
 
'k Voel als een wroeging, als ik denk dat gij
 
Me schuldig vinden zoudt. Nochtans, ik weet
 
Noch woord, noch daad van mij, die aan vorst Ingel
 
Recht konden geven tot beschuldiging.
 
Hilde.
 
Vriend, staak uw woorden, ik verwijt u niets,
[p. 239]origineel
 
'k Voel slechts een matheid die mij hulploos maakt,
 
Sinds Ingel's uitval mij mijn liefste hoop
 
Vernietigd heeft. Ik voel me maar een vrouw
 
Die noch voor Ingel, noch voor 't rijk iets doen kan.
 
Wees op uw tocht gelukkig zooals steeds
 
En breng vooral een langen vrede meê.
 
Misschien verricht de tijd wat ik niet kon.
 
Starkadd.
 
Ik dank u voor uw mildheid; 't zal den Fries
 
Maar weinig naar de deensche kusten lusten
 
Als hij in 't eigen land bedwongen wordt.
 
Maar een nog ligt me zwaar op 't hart; slechts gij
 
Kunt aan vorst Ingel 't onrecht doen beseffen
 
Dat hij zichzelf en mij heeft aangedaan.
 
Zeg hem wat ik hem niet meer zeggen kan,
 
En toch zoo graag hem zeggen wou, dat ik
 
Met zwaard en zang zoo trouw hem dienen zal
 
Als koning Froth, mijn heer, die niet alleen
 
Me 't leven schiep, maar nog 't geluk me schonk.
 
Hilde.
 
O gij zijt goed; ik was voor u gekwetst;
 
Heb dank, heb dank, uw woorden hebben weer
 
De hoop gewekt voor 't geen mijn zwakke hand
 
Ontsnappen liet als iets onmogelijks.
 
Als gij en Ingel 't eens weer zijt dan vrees ik
 
Geen slechten raad voor hem, geen erg voor 't rijk.
 
Laat het mijn zorg zijn, Ingel te overtuigen.
 
Starkadd.
 
Vaarwel, vorstin, en dat uw vrome wenschen
 
Zoo hoog vervuld eens wezen als ze hoog
 
Gevoed zijn; mij reeds vliegen ze vooruit,
[p. 240]origineel
 
Ik voel de vrucht reeds in hun vreugd, en kamp
 
En zege en vree tot een geluk verbinden,
 
Dat slechts me wacht om over ons te schijnen.
 
Froth.
 
Starkadd, het is hoog tijd, de zon is onder.
 
Starkadd.
 
Een oogenblik, mijn koning, en ik volg u.
(Tot Wolf, ietwat ter zijde.)
 
Wolf, gij blijft hier, 'k draag u een eedle taak op,
 
Wat ook gebeuren moog, waak over Helga,
 
Het liefste wat ik heb vertrouw 'k u toe,
 
En met uw leven staat gij voor haar in.
(Hij wendt zich tot Froth die hem wacht; de koning gaat voorop, Starkadd volgt hem; bij de deur ontmoet hij Saemund, hij blijft een oogenblik staan; beide mannen in trotsche houding meten elkander met de oogen; dan volgt Starkadd den koning, daarna Helga en de vorstin met de vrouwen, en eindelijk de mannen.)
Saemund blijft alleen op het tooneel. De deur blijft open staan.
 
Ingel (snel binnen, rechts).
 
Saemund, wat is er nog gebeurd sinds ik
 
Wegging?
 
Saemund (naar buiten wijzend).
 
Ziedaar, mijn vorst, het slottooneel.
 
Ingel (gaat naar de deur).
 
Hij spreekt met Helga, zie - hij vat haar hand
 
En zij nikt ja, zij lacht alsof 't van vreugd waar.
 
Saemund (onbeweeglijk, voor zich, naar voren).
 
Ja wel, van vreugd, 't is meer dan ik voorzien had,
[p. 241]origineel
 
't Gevaar is groot; 't spel heeft zijn kansen, maar
 
Zoo 'n vogel is niet moeielijk te vangen.
 
Ingel.
 
Hij kust haar nu, - nu spreekt hij met den koning -
 
Die ook omarmt hem! God, hoelang dat duurt!
 
Saemund.
 
Het teeder afscheid is 't van bruid en vader.
 
Ingel (snel naar voren bij Saemund).
 
Wat nu gedaan, Saemund? een laatste maal
 
Zeg 't mij!
 
Saemund.
 
Ik zegde 't reeds, het was te veel!
 
Ingel (hevig).
 
Ga voort, ga voort!
 
Saemund.
 
Het moet zooals ik 't zegde;
 
Mijn vorst, het oogenblik der daad is daar,
 
Laat gij 't voorbijgaan, 't is met u gedaan!
 
Gij hebt nu zelf gezien dat Starkadd zich
 
Niet heeft verdedigd toen gij hem zijn schuld
 
In 't aanzicht smeet; voorwaar een moedge daad!
 
Geen woord ter verontschuldiging liet hij
 
Maar vallen, slechts met eenen blik van hoogmoed
 
Antwoordde hij. - Hebt gij 't verachtingsvolle
 
Gemerkt in toon en houding van den koning
 
Toen hij tot u sprak?
 
Ingel.
 
O, ik haat hem!
[p. 242]origineel
 
Saemund.
 
Hebt ge 't
 
Gezien hoe hij ootmoedig voor den skald boog,
 
Hij, zijn verleden en zijn voorgeslacht;
 
Van 't nageslacht rept hij geen woord, 't bestaat
 
Immers voor hem niet!
 
Ingel (snel).
 
'k Haat hem! o ik haat hem!
 
Saemund.
 
En dan, toen gij gegaan waart, 't lief tooneel,
 
Aandoenlijk was 't om zien, hoe zoet de skald
 
Zijn liefje koosde en haar veel goud beloofde
 
En ze zijn mooie koninginne noemde.
 
Ingel.
 
Hoe, koningin, dat heeft hij zóo gezegd?
 
Saemund.
 
Een trouwe dienaar heeft ook ooren voor
 
Den smaad die op zijn heer valt.
 
Ingel.
 
Koningin!
 
En hij dus koning. - Ingel is te laf!
 
O 'k zal me wreken! Froth, gij wildet 't zoo,
 
Eén daad zal ik toch nog de mijne noemen
 
Nu het zijn moet, een koning voor den andre.
 
Saemund.