Met verroesten kiel en beschadigden boeg was de Waldemar de haven binnengeloopen, en lag nu sedert drie dagen vastgemeerd in het Groote Dok om zijn lading te lossen. Terwijl manschappen hamerden en klopten op de voorplecht, en twee matrozen op een plank, die zij tegen de kiel aan boven het water gehangen hadden, den rossen ontverfden wand brandden en afkrabden, om er dan met meterlange borstels een nieuwe laag donker groen op te strijken - lag aan 't ander eind van het schip het groote luik open; als een groote geopende buik gaapte de donkere schipholte, waar koopwaren in gele met blik beslagen kisten ordelijk gerangschikt lagen.
De windassen raasden, een sissende dampstraal proestte de lucht in; een ketting bengelde kronkelend omhoog, verdween in het ruim en vischte er ijzeren staven op; struisch geschofte paarden, met breeden gekromden nek en goedige oogen, sjorden ze dan in heele bundels kletterend voort, terwijl twee dampstralen uit hun wijde neusgaten spoten. Krengen en scheppers vol balen en kisten, werden voortgestouwd, de koopwaren aangehaakt, opgelaten of neergehaald. Het schip lag daar als een willig beest, dat zich neerstrekt om zich te laten ontlasten; en, als uit de schouw nu en dan een lichte rook opsteeg, was 't of het beest zuchtte van verlichting.
De schemering was reeds gedaald en over de ploeg werklieden viel de roode gloedschijn der smokende wieklampen, waartegen de masten helgeel opflakkerden. De omliggende schepen, met hun talrijke masten en hun want als een spinnewebbe, begonnen in de violette avondlucht in vage schaduwen weg te kwijnen. In het water spiegelden de gaslantarens. Een voor éen blonken in de masten de avondlampjes op. De stapelhuizen, groote massieve donkere brokken, die achter de schepen der overzijde machtig oprezen en het gezicht afsneden, deinsden in den donkere langs om meer weg.
Het rumoer verflauwde. Hier en daar in de verte hoorde men nog een ijzeren balk ratelen; een schipper op een verre schuit begon op zijn harmonica een aarzelend deuntje...
Een man verscheen aan dek van de Waldemar, op het donkere vaartuig een donkere schim. Hij bleef eenigen tijd tegen den boord geleund, tuurde naar de schepen, naar de lucht, en naar ginds, waar, in een gelen gaslichtschijn, de stad lag; daar, van waar dit verdoofde gerucht van rollende wagens en schreeuwende menschestemmen aan zijn ooren kwam uitsterven.
Hoog aan den hemel steeg de wazige schijf der maan op; 't was of zij door den hemel zeilde, op fijne wolkjes gezeten; op de gladde waterkom droppelden gele kringelende glanzen als vochtige goudblonde haren; dat rees en daalde, vloeide uiteen en vereenigde zich weer naar het spel van het water.
't Was nu zeer stil.
De matroos wilde den planken gang af die aan wal voerde, maar hij talmde nog een wijl, als iemand die onbesloten is, of niet weet waarheen. Hij bekeek nog eens het schip, waar hij den heelen dag wederom op een plank tusschen water en lucht gehangen had, en altijd maar borstelen, altijd borstelen. Zijn oogen zochten den weg in den donkere. Een tolbeambte wandeltde over en weer en bekeek hem verdacht. Hij strompelde over
een sleng, kroop onder het afdak waar zakken en kisten onder een zwart zeil lagen, moest over eenige harstonnen springen en bereikte eindelijk het gaanpad.
Het schelle licht van een gaslantaarn viel op hem. Het was een tamelijk hoog opgeschoten kerel van in de dertig, met zware heupen en sterke beenen. Zijn gelaat was plat en schier loodkleurig; het had iets van een Mongool; een kleine gedrukte neus, waaronder een klein dik smoezelig snorretje. Alles was vernepen en gedrukt op dat gezicht, met een kniezende en suffende uitdrukking. De groote ooren, die tegen zijn pet raakten en wijd van het hoofd stonden, voltooiden den indruk van dwaasheid die dadelijk aan hem opviel. Een groen sjerpje hing slordig aan zijn hals; een uitgeregend jasje en een te korte broek plekten tegen zijn lijf en beenen en gaven hem het voorkomen van een slungelachtigen jongen. Maar bovenal was vreemd de toonlooze uitdrukking zijner oogen, die moe en loom stonden als bij een ziek dier. Hij liep daar als een hond die verloren geloopen is, zwalkend langs de straten, met natte vacht, neerhangende ooren, den staart tusschen de beenen.
Hij stond vóor de brug. Een rij schepen werden van het eene dok naar het andere geloodst. Gelaten bleef hij wachten, tot de slagboom omhoog rees, en de werkers, onder luid gesnater, gevolgd door stootkarren, platte wagens, krengen, duivels, en bassende honden en fluitende straatbengels over de brug joelden...
Willoos had de matroos zich door den drom laten stuwen en was, zonder het recht te weten, vóor het afgebrande stapelhuis gekomen, waaruit nog steeds de schrapende geur van verbrand graan vunsde. Achter hem was de brug weder opengedraaid, een machtige driemaster kwam log en statig het dok binnen gedreven. Hij voelde zich eenigszins verbijsterd, en had moeite niet onder een wagen of een paard verplet of vertrapt te worden.
Dit was nu de derde avond dat hij, na den dagarbeid aan
boord, diezelfde brug overtrok om, zonder bepaald doel, in het havenkwartier der stad rond te dwalen. Hij kende niemand hier, was er voor de eerste maal, en voelde zich eenzaam. Tot nu toe had hij alle reizen meegemaakt, in alle zeeën en naar alle gewesten. Hij voelde zich als een stuk van dat schip, dat hem over den heelen aardbol had rondgeslingerd; altijd nieuwe gezichten en andere menschen had hij gezien, en nooit was hem de gedachte gekomen dat hij zich ergens aan land zou kunnen vastnestelen en iets anders zijn dan de zwerver, de trekvogel die hij tot heden geweest was. Maar toen hij hier den voet aan wal had gezet, was opeens als een diepe snijdende pijn in hem gekomen. 't Docht hem of heel dat gedachteloos geleefde leven een nutteloos slingeren was in een zelfden eentonigen cirkel. In zijn borst voelde hij een leegte, en het deed zeer overal, hij wist niet wat dat was... Soms kreeg hij zonderlinge invallen, als zou er iets gebeuren met hem, en wel juist hier, dat op hem slaan zou onvermoed, en met éen keer zijn leven omwentelen... En hij bleef zoo maar rondloopen, altijd door dezelfde straten, zeurend vóor een winkelraam zonder de dingen eigenlijk te bekijken, in één vage soezeling. Hij kuierde lusteloos langs werven en dokken, door de enge stegen waar elk huis een taveerne is en waaruit het getokkel eener piano of schertsende danswijsjes op een harmonica klonken. Tobbend, met de handen in de zakken, slenterde hij door het scheepsvolk en die luidruchtige menschen allemaal...
Soms bleef hij staan, met de lust ergens binnen te trekken, maar hij kon zijn besluiteloosheid niet overwinnen, haalde de schouders op en ging verder. ‘Waarom zou ik er binnen gaan? Wat zou ik daar gaan zoeken?’
Hij liep nu langzaam, dan opeens sneller voort, gestuwd door een onuitlegbare kwelling, een landerigheid als hij te voren nooit gekend had. Nochtans in zoovele havens was hij ánders
geweest, had zich bij de makkers aangesloten, had geluisterd naar de lonkende straatwijven die het scheepsvolk in haar donkere kamers lokten. En hij had gedanst en gezongen en gedronken, tot hij onder de tafel zeeg, of ergens ontwaakte in een vies bed naast een leelijk schepsel dat hem zwijmelend buiten zette... Neen, dát was 't niet wat hij wilde, hij had een behoefte naar een teederheid, naar een goed frisch gezicht dat hem vriendelijk zou bezien en hem zou genezen. ‘Bah, ik zal nooit vinden’ - kniesde hij en sleurde zijn lijf, dat hem meer en meer pijnde, door de kronkelende stegen. Soms slopen tegen de huizen, geruischloos op hun pantoffels, kleine groepjes Hindoes voorbij, het slanke lijf in bonte dunne jurkjes, huiverig en schuchter. Zij keken schuw rond met hun glimmende amandeloogen in de als geverniste of olijfkleurige gelaten, stil als geniepige vreemde beesten, het lange zwartglanzige sluike haar onder den opgehaalden halskraag weggestopt...
Wat verder wemelde het van meiden, dansend vóor een herberg waar een schetterend orgel draaide; haar wuivende rokken sloegen in de wilde vaart tegen zijn beenen. Hij spoedde voort langs de winkels, waar de stijve gele oliejakkers of blauwe truien, aan de deurstijlen vastgehecht, hem de wangen raakten. Hij ging een zeemans-home binnen, waar thee gedronken werd en de tafels vol tijdschriften met prentjes lagen. Maar hij had er spoedig genoeg van. Hij zwierf dan maar verder, zieker en zieker, als een vagebond op den dompel, door de donkerste straten.
Hij dacht aan huis. Hij had een moeder daar ginds, en hij zag haar in haar winkeltje en zijn zusterke die haar hielp... Neen, trek naar huis had hij ook niet. Hij wou iets anders, iets dat hij nog niet gekend had, nergens ontmoet... Wie zou hem wel aantrekken? Als een onttakeld schip dreef hij voort, waar de stroom hem stuwen wou.
't Was laat geworden en hij zou maar naar zijn kooi terug.
Nog zoo veertien dagen lang zou dat duren, tot de Waldemar gerepareerd was in het Droge Dok waar het heen moest als het geheel gelost was, daarna de lading, en dan weer de zee in, naar huis toe, dan weer naar andere kusten, en zoo altijd zich maar laten wiegen op dat water, tot hij eens ergens zijn einde zou vinden...
Hij voelde weer die pijn - maar waar? overal, zijn maag, zijn lever nepen hem vreeselijk, zijn hoofd duizelde, het knaagde in zijn lenden en zijn beenen sleepten. Hij wou de brug over, toen hij zich eensklaps omkeerde en regelrecht naar een roode lantaarn ging, die hing vóor een taveerne waar hij ook de vorige avonden voorgestaan zonder te kunnen besluiten er binnen te gaan. Hij kon het opschrift niet lezen, hij zag alleen dat roode licht, als de vlam van een baak, en hij dreef er heen.
Hij hoorde daarbinnen iemand op de piano kloppen, een engelsch deuntje dat hij kende. Hij duwde de glazen deur open, het gaslicht viel als een fletsche geut op hem; zijn loodbleek gezicht werd er door verklaard; hij zag dat er weinig volk was: twee meiden die een paar klanten bedienden, twee matrozen die bij de piano zaten, de waard achter den toog, een gemoedelijke dikbuikige Rijnduitscher, met rossen baard en een blauwen bril met groote ronde glazen op den vettigen stompen neus. De matroos liet zich op de bank zakken en bleef vóor zich staren, moe en lusteloos. Een der meisjes was bij hem gekomen en, haar zonder aandacht bekijkend, bestelde hij whisky. Hij dronk een teug, grijnsde onder een kramp, lei de hand tegen de maag en verbleekte. De kellnerin had het bemerkt en vroeg vriendelijk: ‘zijt ge niet wél, kameraad?’
Hij verschoot en staarde haar aan, met een dwaas gezicht, of hij haar nu eerst bemerkte. Een vriendelijke stem, iemand die hem met lieve woorden aansprak... Hij was zoo verwonderd, dat hij haar met domme blikken bleef bezien, en niet antwoordde.
Een meisjesstem, die streelend vleide, van iemand die zijn ellende zag en hem aantrok. Hij voelde eensklaps een verandering in zich, als een zon die door een nevel breekt; het was of hij iets zag schemeren als een onverwacht heil, iets teers en goeds en dat voor hem was. Zij was glimlachend weggegaan, ziende dat hij bleef suffen, en stond nu aan de tafel waar de matrozen haar riepen die met de andere kellnerin aan 't drinken waren.
Een oude heer trad binnen, in den rouw gekleed, met gebogen rug, en in zijn voorkomen iets van een versleten militair; zijn grijze snor hing slap over zijn mond. Hij scheen een bekende van het huis, groette toch statig met den zijden hoogen hoed met rouwkrep om, en ging zuchtend bij den dikken patroon die hem de hand reikte. Deze hielp hem den jas uittrekken en beiden gingen aan een tafel recht over den matroos zitten, die nog altijd met half toegenepen oogen droomend in 't ijle staarde.
Een der matrozen sprong op, tokkelde onbehendig op de piano; de kellnerin danste met den andere een walsje.
Daarna werd het weer stil. Een vrouw kwam stil het hoofd door de deur steken, gleed voorbij de tafels, bood zwijgend een korf bloemen aan, en ging weer zachtjes buiten. De oude meneer bleef met den patroon en de kellnerin die den matroos bediend had kouten. Hij scheen te klagen; zijn tranerige stem klonk als het gebed van een ellendig kwezeltje.
‘Nein!’ riep hij opeens in gebroken Duitsch, met een zekere halsstarrigheid en bijna uitdagend, ‘nein! ich bin nicht gelukkig! ich bin gár nicht gelukkig! ich bin een man der Liebe noodig hat... Liebe, viel Liebe!.. ich moet schöne en brave menschen rond mij haben. O sedert mijn selige Frau mij ontnommen is... nein! ich bin nicht gelukkig!...’
Mistroostig keek zijn onnoozel gezicht, met den haviksneus en de slordige grijze snor, en zijn mager verdrietig profiel deed
denken aan den deerlijken kop van een ouden half ontpluimden arend.
‘Aber Herr Classen... sehen Sie doch mal an...’ troostte de gemoedelijke waard, ijverig met zijn korte armkens werkend. ‘Na, oller Kerl, nur Courage! was?’
De oude grijnde voort en was niet te stillen; dikke tranen rolden langzaam over zijn jukbeenderen en droppelden langs zijnen neus af. De pret der matrozen werd er door gestaakt. Zij stonden op en verlieten schokschouderend het lokaal. Het werd hun daar te muf in dat kniezig kot, en hun beenen dansten aan hun lijf van gezondheid en levensvreugde.
De kellnerin die den matroos had bediend, naderde hem, toen zij zag dat hij met zekere belangstelling naar den ouden heer staarde, en zeide fluisterend:
‘Arme oude, en zoo gaat dat nu schier elken avond!’
Hij was hem reeds vergeten en was in haren aanblik verslonden. Hij richtte het lijf half op en verzocht haar met aarzelende stem neer te zitten en hem te vertellen over dien zonderlingen man. Terwijl zij sprak, bemerkte hij dat zij zeer schoon was. Fijngeteekende wenkbrauwen boogden boven haar zeegrijze oogen, die hem zwaarmoedig en innig toeschenen. Er was aan haar iets bijzonders, iets voornaams in haar manieren, alsof zij in dit wereldje misplaatst was, er niet tehuis hoorde. Haar donkerbruine haren boven het hooge blanke voorhoofd droeg zij in groote krullen tot in den hals; maar vooral haar mond had een vreemde bekoorlijkheid: boven de lange fikscke kin, golfden haar roode frissche lippen; de bovenlip was lichtjes gekruld; er ademde uit dien heerlijken mond een gesluierde wellust, een betoovering die den matroos het bloed in het lijf opzweepte; - een diep brandend verlangen schrijnde hem door de ziel... een onuitsprekelijke begeerte om op dien mond zijn gulzige lippen te kleven, om zich te verliezen in den afgrond harer
oogen, oneindig en wisselend als de zee. Welke vreemde verschijning, en wat een leven mocht daar achter schuilen, wat een avontuur van ellende en passie mocht dit leven zijn... Opeens, in een enkel beslissend oogenblik, was het hem door de ziel gebliksemb: deze vrouw had hem in haar macht, zij had maar éen woord te spreken, hij was haar slaaf, haar hond... En hij zag waarlijk tot haar op, met een jongensachtig verbazen, met een beteuterd dwaas gezicht en de goedmoedige trouw van een Newfoundlander.
Zij spraken een tijd lang, hij steeds in monosyllaben, zij met een stem van kameraadschappelijke genegenheid, als kende zij hem sinds lang. Diep in zijn gemoed ontstond een wensch, die heviger en heviger opblaakte; de zin harer woorden ontging hem, zijn eigen gepeins brandde in zijn hoofd, zijn lippen stamelden dingen die buiten het gesprek waren...
Zijne zware hand lag op tafel, vol weren en sporen van verf en van touwen door zijn dikke vingers. Boven den pols was een anker getatoeëerd, en daaronder de naam geprent van zijn eerste schip ‘Ophelia’. Zij las dien naam, en vroeg hem dan waar hij vandaan was.
‘Van Kopenhagen ben ik, mijn vader was van Hamburg...’ Hij sprak het Duitsch met een deensch accent, en nu en dan moest hij naar een uitdrukking zoeken; soms zei hij het deensche woord eerst, en vertaalde het dan daarna.
- ‘En hoe heet het schip waar ge nu op vaart?’
- ‘De Waldemar.’
Hij verhaalde dat hij een paar weken hier zou blijven, en dan naar Kopenhagen terugkeeren, waar zijn moeder woonde, en dan naar Dantzig misschien, of Riga...
Zij onderbrak hem, verrast:
‘Dantzig? Dat is mijn land... zóo, gij gaat naar Dantzig?’
Het verblijdde hem, alsof zij nu dichter tot hem genaderd
was. Zijn moeheid was bezweken, een korten tijd toch, hij dacht niet aan zijn pijn. En in korte gehakte zinnetjes verhaalde hij van zijn reizen: hij was pas geleden van een grooten tocht weergekeerd: naar Batoem, en hij noemde Sebastopol, Odessa, Constantinopel, Smyrna... Hij zei dat alles met langzame woorden; zijn tong was belemmerd; hij was niet gewoon zoo lang te spreken.
Zij dacht na, alsof zij in den geest het schip vervolgde op zijn reis naar al de verre gewesten, waarvan zij er sommige zelfs niet bij name kende. Dan sprak zij stil:
‘O het moet een schoon leven zijn, zoo eeuwig varen op dat goede water, en altijd veranderen, nooit den tijd hebben zich ergens te vervelen...’
Hij staarde haar bewonderend aan.
‘En nergens vastgebonden zijn, altijd voort, altijd voort, en morgen honderd uren ver van gisteren!... Gij hebt een schoon stuk van de wereld gezien...’
- ‘Ja’, antwoordde hij, en werd weder somber. ‘Maar het is mij thans niet meer zoo te moede... ik zou toch nog iets anders willen...’
- ‘Gij hebt genoeg van zwerven?...’
- ‘Ja, ik wil... ik zou ergens mijn anker willen leggen... ik voel mij zoo eenzaam...’
Zij zweeg, en keek hem vorschend aan.
‘Uw moeder leeft nog, zegt gij, nietwaar?’
- ‘Zij woont in Kopenhagen, met mijn kleine zuster... ik ga haar bezoeken - en waarheen dan? misschien naar 't eind van de wereld! en voor wie? voor wat? - altijd dolen - en ik heb nergens een tehuis...’
Hij zweeg, als voelde hij dat hij reeds te veel gezegd had.
‘Ik ben moe’, herbegon hij daarna, ‘ik weet niet wat ik heb.’
- ‘Ja, gij ziet er wat ongesteld uit.’
- ‘Ik geloof dat dit land niet goed is voor mij...’
- ‘Ach, voor mij ook niet’ - antwoordde zij langzaam, met de gedachten naar binnen gekeerd. ‘Men is toch niet beter dan in zijn vaderland...’
Hij bezag haar vreemd.
Hij werd levendig, zijn oogen vlamden op en bevend sprak hij de woorden:
‘Zoudt gij met mij willen gaan?’
Zij dacht dat hij schertste, en lachte luid op. Maar toen zij die eerlijke tronie als van een goeden hond bevend op haar gericht zag, kreeg zij eensklaps de bepaalde gewisheid dat het hem bloedige ernst was. Aarzelend bekeek zij hem en zei, zeer ernstig:
‘Gij schertst zeker...’
Opgewonden en met vlammende begeerlijke oogen, als een hond wien men een stuk vleesch getoond heeft dat hij niet wil laten ontglippen, antwoordde hij met vaste stem:
‘Ik meen het ernstig: ik vraag u of ge met mij zoudt willen naar Kopenhagen gaan...’
Zij zweeg.
‘Wat weerhoudt er u?’ vroeg hij, maar bedacht opeens dat zij hem afschuwelijk, dom en beestig vinden moest.
‘Neem niet kwalijk’, zegde hij. ‘Ik dacht er niet aan u eerst te vragen...’
- ‘Wat?’
- ‘Of gij... of gij vrij zijt?’
Zij bedacht zich een oogenblik. Zij knikte ja.
Hij bleef haar vragend bekijken.
‘Het kan niet’, sprak zij eindelijk...
- ‘Ik zou met u trouwen natuurlijk’, waagde hij te fluisteren.
Zij bleef zwijgen; eindelijk, zeer stil, sprak zij:
‘Ik heb een kind...’
- ‘Ah!’
Zij keek hem aandachtig aan, en kleurde, terwijl een boosheid in haar keel opsteeg. Hij was plotseling weer bleek geworden, een vaalheid overtrok geheel zijn gezicht, dat weer zijn vroegere pijnlijke uitdrukking terugkreeg.
Hij bezag haar diep, en voelde iets als een triomf in zich: dát was het middel - ja, zij zou hem misschien niet afwijzen, indien hij dát deed - en een medelijden groeide in hem op, als hij dacht aan dit vreemde wezen dat in een taveerne moest gaan dienen, om haar leven en dat van haar kind te redden... En opeens meende hij in haar wat matte zwaarmoedige trekken een historie van opgekropt verdriet en gekwetste hoogheid te lezen. Maar dat kind..? Zeker was zij verlaten... Wie mocht de vader zijn?...
‘Hoe oud?’ vroeg hij eindelijk.
- ‘Vier...’
- ‘En de vader...’
- ‘Is dood...’
Hij ging iets zeggen, maar hij stokte - neen hij zou zwijgen, van avond niet, nu nog niet...
‘Hoe heet gij?’ vroeg zij opeens.
- ‘Breede... William Breede...’ En hij zocht in zijn tesch... ‘hier staat het op...’ zei hij, en hij gaf haar een gedrukt blad, een oud afmonsteringsbewijs.
Zij wou het teruggeven.
‘Behoud het - mijn adres staat er op... En... hoe is uw naam?’
- ‘Elly.’
Hij greep haar hand en wilde iets zeggen. Maar hij stond op, en haar in de oogen starend:
‘Morgen... tot morgen... ik zou u willen spreken...’
Toen verliet hij het huis. Zij had hem verstrooid hare hand laten nemen, als afwezig, zonder iets te zeggen.
Zij bemerkte dat het lokaal ledig was. De andere kellnerin zat, half ingedut, aan een tafel. Toen zij haar naderde, meesmuilde die haar toe, geeuwend:
‘Na, een verovering gemaakt?’
Zij schokschouderde en lachte pijnlijk.
Breede, buiten gekomen, voelde zich ellendig. Hij duizelde en zag den grond niet meer. Hij zwijmelde tot aan zijn schip. Alles was donker in het dok. Alleen de lampjes wiegelden in de masten. De hemel was bespikkeld met starren. Hij sleepte zijn moede lijf aan boord, bereikte de slaapkooi waar de kameraden reeds lang lagen te ronken, en liet zich gekleed op zijn matras vallen.
Alle weken, Donderdags namiddags, als de oudste dochter van Madame Koenen in hare school verlof had, kwam de vriendin der beide zusters op bezoek. Tegenover moeder, in haar breeden donkergroenen leunstoel weggezonken, en kalmpjes ijverig met allerlei klein naaiwerk op den schoot, zat Nestorine, de onderwijzeres; vóor haar op tafel lagen wel dertig of veertig te verbeteren cahiers, waarin zij, zenuwachtig pinkend achter haar glinsterend pince-nez, streepjes trok, of nu en dan, met kalligraphische bezorgdheid, in rooden inkt een opmerking schreef; de tafel zag wit van al die papieren; het leek er wel een leeskabinet. Naast de piano, op de sofa, zaten de twee andere meisjes, druk pratend onder het bladeren in modejournalen, bij poozen in luid gelach uitberstend - wat de onderwijzeres stoorde en verdrietig de wenkbrauwen deed optrekken; op den toon van gezag welken zij zich onwillekeurig aangewend had in het gedurig bevelen geven aan rustelooze kinderen, sprak zij half kluchtig, klagend als een verstootelinge: ‘Maar stil dan toch, kinderen!’ Zij wierp de armen in de lucht en zuchtte: ‘ik geef het op! het is onmogelijk hier te werken!’ Dan volgde een lange litanie over de dwingelandij der oversten, de onbillijke beknibbelingen, de ongehoorzaamheid en driestheid der veertig wurmen in wier weerbarstige koppen zij de eerste beginselen áller wetenschappen pompen moest, dag-in dag-uit; en dan de examens, de bijeenkomsten van het personeel onder het bestuur van den schoolopziener, en vooral, o vooral - die verschrikking, die doodende, eeuwige zaag van... het conferentiewerk!
En met een begeerigen blik keek zij naar de beide meisjes die glimlachend den welbekenden stortvloed op haar jeugdige hoofden ontvingen, en eindelijk in lachen uitproestten: terwijl moeder Nestorine aanzette haar hoofd daarmede niet zóo te breken, zich zoo niet op te offeren - zij deed immers haar plicht, het was toch een geacht baantje, zij moest het troostend gevoel hebben een solied mensch te zijn die nooit van iemand zou afhangen... Ja, nooit afhangen van iemand! en Nestorine zuchtte, terwijl zij met een paar dier stadhuiswoorden welke men met de officiëele schoollucht schijnt in te ademen, in volzinnen, aanvangend met een statig ‘inderdaad...’ of een degelijk ‘inzooverre...’, op het moederlijk idealisme trachtte af te dingen.
De vriendin, een slank meisje, met een zacht blond gezicht, met een fijnen glimlach, naderde tot de verbolgene oudste, vatte haar om den hals en kuste haar.
‘Leg al die verdrietige leelijke schrifturen nu wat op zij, en kom wat muziek maken; dan zijt ge weer frisch strakjes en ziet ge weer alles in 't blauwe!’
De stroefheid was al van Nestorine's gelaat verzwonden, maar zij bleef donker kijken, den mond steeds dichtgeknepen.
‘Kom, Nestje’, vleide Hanna, ‘vergeet nu een poos uw saaie ‘opvoedingsleer’ en zend de kalligraphie naar de maan!... weet ge wat? straks maken we uw conferentiewerk samen, onder ons drieën - hè? Goed? O Leonie heeft nieuwe gedachten over... ja waarover weer, Leonie?... ha, over den ‘invloed van het huiswerk op de ontwikkeling der kinderen!’
Nestorine hield het niet uit: zij lachte met korte schokjes, een scherpen gillach van achter uit de keel, van iemand die maar zelden bij zoo 'n feest is.
Moeder staarde met haar goedige oogen buitengewoon vriendelijk naar het blonde meisje, met haar bescheiden fijn gelaat,
vol goedheid en vroolijke luim - die altijd de twee zusters, welke nog al eens hevig met elkaar overhoop lagen, wist te verzoenen en in stemming te brengen.
‘Muziek!’ riep Hanna bevelend. En zij sloeg de piano open. ‘Komt hier, belasten en beladenen, en ik zal Pestallozzi en Comenius in slaap wiegen!’
‘Wat moet ik spelen?’ riep Leonie, een zenuwachtige zwarte, met iets snijdends in haar stem. ‘Toch weer niet de officiëele cantate, hè?...’
En zij tikte moedwillig met éen vinger een kinderachtig deuntje uit ‘de Zegepraal der Wetenschap’, een insipied gewrocht, dat nu in alle scholen aangeleerd werd en dat zij kenden door het de onderwijzeres te hooren neuren, die er als door een obsessie van bezeten was en het niet uit haar geheugen kon wisschen. ‘Gelukkig dat Richard niet tehuis is... die loopt altijd weg als ge daar meê begint...’
- ‘Speel wat ge wilt’, klaagde Nestorine, zich vermoeid op de sofa uitstrekkend, ‘ik ben niet zoo delikaat, ik versta niets van muziek.’
De beide meisjes trommelden een dreunende quatre-mains, die de stille kamer met militaire marschmuziek doordonderde. Uit die fijne vingertjes scheen opeens een geheel regiment flinke soldaten te voorschijn te komen. Met een rommelend salvo eindigde het.
‘Dat is de parade! Nu de oorlog’ zei, met een ernstig gezicht, Hanna, en moeder vermaakte zich als zij haar zoo in haar weer zag. Maar de krijgsmarsch had den vrede hersteld, en Nestorine liet zich overhalen een romance te zingen: C'est pour la paix que mon marteau travaille et ne forrrge du ferr que pourr l'humanité! De onderwijzeres meende, dat er toch geen schooner gedichten of romances bestonden, dan waarin van ‘het menschdom’ gesproken werd, of welke een edel denkbeeld verdedigden,
als, bij voorbeeld, de afschaffing der slavernij, of de ‘verstandelijke ontvoogding des volks’ of zoo iets. Zij zong met een schril mager stemmeke, maar vol pathos in het refrein, volkomen doordrongen van ‘de gezonde strekking van dit lied’.
Dan kwam moeders lievelingsstuk. ‘Daar is het weer!’ zei ze gemoedelijk, toen ze de eerste klanken hoorde. 't Begon heel stil, heelemaal niets, nu en dan éen toontje maar, als 't gedroppel van een stillen regen, of als bladeren die van de boomen ruizelend vallen, of het stille kletsen van 't water - het werd levendiger, het water begon te murmelen, te gonzen, te zingen, te bonzen, tot opeens: boem! dát was de waterval... en terwijl Leonie het zoetsappige salonstuk afhaspelde, hadden de twee andere er pret in twee dagbladen tegen elkaar te wrijven, om het geklikklak van den molen en het gezoef der golfslagen weer te geven... Moeders oogen glansden, het vervulde haar met een goede blije stemming, alsof zij in een bosch zat te luisteren naar de beek - en nu had de onderwijzeres haar wrevelig gezicht geheel afgelegd, al vond zij het kinderachtig daar zoo dom met die papieren tegen elkaar te zitten schuifelen. Hanna keek naar al die gezichten, en zij vond het heerlijk dat haar middel zoo uitnemend gelukt was.
‘De vreugd der families!’ kondigde Leonie aan, met een haar eigen spotlach, en zij begon een zoete welbekende familieromance af te dreunen, waarbij zij een gezicht trok als een nufje uit de kostschool. La prière d'une vierge! Op zoete suikeren toontjes golfde de ziel van Hanna omhoog; het was haar zoo rein, zoo teer, zoo bevallig. Haar argelooze ziel gaf zich geheel aan het sentimenteele aria over. Zij kon niet begrijpen hoe Leonie daarmeê spotten kon. Vage verliefde beelden spiraalden óp in haar ziel: het was ‘het pure geluk’...
De deur ging open en een jongeling trad binnen, een vioolkas onder den arm. Leonie staakte opeens haar spel, het werd plotseling stil, en 't scheen of een koude wind binnengewaaid
kwam. Richard was een twee-en-twintigjarige aankomeling, met een tamelijk mooi lang gelaat, wat bleek, met denzelfden dichtgesloten mond die heel de familie onderscheidde. Hij zei niets, zag met opgetrokken wenkbrauw en koude oogen naar de piano, zette zijn vioolkas ergens neer, groette even naar Hanna, en wilde weer weggaan, toen hij den verwonderden, hem docht droeven blik van moeder op hem gewend zag.
Dat was nu haar trotsche flinke kerel, haar lieveling - en weder zoo ontevreden, zoo norsch, zoo ingetrokken. Wat was er toch met hem? Zoo stuur en achterhoudend was hij vroeger niet. Wel altijd nooit heel veel van zeggen, maar langzaam ontbolsterend en ontluikend in de warme huiskamer, onder moeders oogen en naïeve woorden. Toen toonde hij zich de blije opene jongen die hij eertijds altijd geweest was, die zijn moeder aanbad, maar brusk zonder liflafferij, ruw soms.
Als hij toen tehuis keerde van zijn muzieklessen, gewoonlijk nog al afgemat en ontzenuwd, duurde het niet lang of hij klaarde op; hij was stil verheugd de oude gezichten en de bekende meubelen te zien, door het gewoonteleven zachtjes bekoord. Hij klopte dan bij het binnenkomen de oude eens op haar schouder, trok een kluchtig gezicht en, lijk een kind dat van de school komt, drensde hij: ‘moê! honger!’ en hij deed of hij schreide. Iedereen lachte en moeder schoof bedrijvig rond hem op haar pantoffels, en dan, als hij zijn koffie vóor zich had, zette zij zich, met haar goede oogen en haar breeden goeden mond die door eenige uitgevallen tanden inzakte, naast hem neer en vertelde hem het nieuws, maar zóo goddelijk naïef, zóo guitig en levendig, met zulk een gullen humor, dat als bij tooverslag alle bekommering uit zijn hoofd vervloog, of het venster werd opengezet op een frisschen tuin... Dat kwam er zoo geestig uit, zoo verrukkelijk leuk, dat hij soms zijn boterham neerleggen moest om achterover in zijn stoel te gaan proesten... Om haar aangenaam te zijn,
speelde hij haar voor, terwijl zijn zuster begeleidde - en dán was het heerlijk, en hij koos altijd de vroolijke dingen voor haar uit, die zij kende en meevoozen kon... Als hij bijzonder opgewekt was, lei hij zijn instrument neer, greep het vrouwken onder de armen, en, hoe zij zich ook verweerde, zij móest meê, hij danste met haar de kamer rond, tot zij hijgde, in haar kortademigheid, smeekend dat hij zou ophouden, om de liefde Gods!.. Hij herinnerde zich hoe hij dikwijls bevend had staan luisteren in den gang, wanneer zij, van kindsbeen af met een hardnekkigen hoest geplaagd, de trap opsjouwde... en de pijn telkens, als hij het schorre geluid uit haar arme keel hoorde scheuren! Hij aanbad haar wordenden glimlach op het nog zoo schoone oude menschengelaat met de eerbiedwaardige grijze blessen, links en rechts van het hooge voorhoofd...
Nu, sedert eenige maanden, was hij geheel omgekeerd. Hij was nog altijd lief, maar zóo bitter soms en altijd in zich gekeerd, neerslachtig alsof een gewicht op hem drukte. Hij kon zoo versmadend over allerlei dingen spreken, als hij sprak. Hij maakte geen muziek meer met zijn zuster. Soms hoorde men hem van zijn kamer, op het tweede, waar hij zich alleen opsloot, en de viool scheen te klagen, 't was alles zoo somber, zoo pijnlijk... Eens was moeder bovengekomen en had hem uitgestrekt zien liggen in zijn stoel, met bleek gelaat, open oogen, droomend, ver weg. Hij had haar zelfs niet hooren komen. Daar zij geloofde dat hij niet wilde gestoord worden, was zij weer stil weggegaan. Hij was dan opgesprongen, had haar willen roepen, haar omhelzen, aan haar borst uitschreien, haar zijn ziel openleggen, met al zijn droefheid en zijn heimwee - maar hij bedacht zich en zweeg. ‘Waarom haar bedroeven? het zou toch voorbij gaan - en dan zou alles weer zijn als van ouds - en, zou zij begrijpen? oude menschen kunnen geen jonge verstaan...’
Het was hem te eng geworden in zijn huis. Van zijn zusters,
vooral van die Leonie, met haar schamperen spotlach, kreeg hij een afkeer sedert zij hem eens in éen woord had getoond dat zij wist wat met hem omging. Die schoolmeesteres, met haar onnoozele gedachten en haar uitspraak naar de letter, verwekte maar zijn misnoegen om haar kleinzieligheid en haar gedurig geklaag - maar die Leonie was liefdeloos, haar stem klonk hem vijandelijk en vervulde hem met wrevel. Haar vriendin... ach ja... een goed kind - een zeer braaf, ál te braaf kind - maar zoo pensionnaire-, zoo duf meisjesachtig... aan haar dacht hij zelfs niet.
Eens had zijn jongste zuster hem ontmoet op straat. Zij had hem star en verwijtend bekeken, en een verachtenden blik geworpen op de vrouw die bij hem was. Zij had zeker getracht er iets over te vernemen, en in een twist had zij eens een boosaardige zinspeling gemaakt. Dat was om nooit te vergeten en zijn leven lang zou de wrok in hem blijven steken als een doren.
Waar moeide zij zich meê? Mocht hij met zijn leven niet doen naar hij goeddacht? Hij was herhaaldelijk zeer laat tehuis gekomen, als de morgen reeds in de lucht was. Zij alleen wist het. Zou zij het aan moeder reeds gezegd hebben? Nu zelfs reeds tweemaal was hij in het geheel niet tehuis gekomen, en zij had hem de tweede maal met opzet gevraagd ‘of het noodig was zijn bed op te maken?’ Hij was bleek geworden en had de deur toegeslagen. Sedertdien spraken zij elkaar niet meer aan, en er ontstond een gruwelijke koude als zij samen waren in de huiskamer. Moeder had het bemerkt, haar leed was groot en zij scheen te verouderen, en te kuchen... O die familie! Richard voelde zich van dag tot dag meer vervreemden. Dat joeg hem weg. Dat liefdelooze leven, hij kon het niet langer uithouden. En waarom toch dat alles! Omdat hij hun burgersgedoe, hun kamer-plantenleven, niet langer kon meêleven? Zij dochten hem als geraniums die tegen een gordijn staan te verdorren. Zijn jonge
bloed bruiste, zijn drang sleepte hem mede naar bewogene gewesten, nooit geziene dingen, naar onmogelijke dingen! Die omstrengelende goedheid zijner moeder, die huishoudelijke praatjes van zijn zuster, die professioneele klachten, het werd hem eindelijk zoo knellend, zoo duf, zoo ingesloten, zoo kleinsteedsch. Driften waren wakker geworden, langverpleegde wenschen en droombeelden van een vrijer, ongedwongen leven waren losgekomen, hij moest hieruit. - En dat alles had hij vroeger slechts vaag vermoed, maar nu hij die vrouw kende - o die vrouw, die hem mensch gemaakt had, die hem, den jongen, ontgroend had, hem allerlei nieuwe gezichteinders geopend! En toch - ook bij haar, bij háár ook was hij niet gelukkig. Daar was het een andere kwelling; hij voelde zich onvrij; alles moest zoo verborgen, zoo gestolen toegaan; hij voelde die vijandschap van al de zijnen en van heel de wereld eerst scherp als hij bij haar was. Neen, dáar ook vond hij geen akkoord met zijn eigen, overal voelde hij zich vervolgd, vernepen, gedrukt! Een langzame wrok was in hem gekomen, hij had een lust met de geheele wereld af te breken, zich af te zonderen en zich te gaan herbouwen in de eenzaamheid...
‘Gaat ge weeral weg, jongen?’ had moeder gevraagd, met een stem die lichtjes beefde.
Hij zag opeens de oogen van al die vrouwen op hem gericht; zij doorboorden hem met de stomme verwondering die hij er in las. Het maakte hem beschaamd, zoo opeens ontdekt te worden, zoo 't voorwerp te zijn van haar nieuwsgierigheid en haar onderzoek. Zouden die zoo altijd aan hem denken als hij weg was?
‘Ik heb geen honger’ morde hij, verveeld. ‘Ik heb beloofd ergens te gaan...’
Onwillekeurig keek hij naar den kant waar Leonie stond, en zag hoe zij aan de piano stond, zich opeens omdraaide, en de schouders ophaalde met een sarcastisch lachje en een zucht.
Wat hebt gij te zuchten en de schouders op te halen!! wou hij haar toeschreeuwen; hij ziedde van toorn en had wel iets naar haar hoofd kunnen werpen. Zijn lippen beefden... Hanna had het bemerkt en ging aan 't venster staan met den rug naar hem toe; zij was bleek als een lijk.
‘'t Is maar dat het al zoo lang geleden is, dat we weer eens 's avonds bijeen waren’, zei moeder, met een droef lachje.
Waarom moest zij hem altijd zoo droef bezien? En wat was dat voor een heerschappij dat al die vrouwkens hier op hem wilden uitoefenen!..
‘Moeder - ik kán niet - ik kán niet...’
En zonder haar antwoord af te wachten, sloeg hij de deur toe, wanhopig en terwijl hij tranen in zijn keel voelde opwellen. Hij sidderde over heel zijn lijf en liep als waanzinnig de straat op.
Het was eenige oogenblikken doodstil in de kamer. Er hing een vreeselijk geheim in die kamer, en allen voelden dat zij het voor elkaar moesten verbergen.
Leonie sloeg de piano met een harden ruk dicht, de onderwijzeres vatte met een zucht haar papieren weer op en herbegon lijntjes te trekken en handteekens te zetten, punten en komma's in rooden inkt links en rechts neerzaaiend.
Moeder had haar naaiwerk opgenomen; maar de naald bleef werkeloos in haar hand; besluiteloos keek zij op haar werk... Hanna naderde tot haar en vatte haar hand. Toen keek de oude vrouw op, en terwijl zij het blonde meisje dwaas bekeek, scheen zij te ontwaken en lachte haar stil toe, met een lach mistroostiger dan tranen.
Wat was het dan toch dat hem tot die vrouw lokte? Welke geheimzinnige betoovering hield hem omvangen? Wist hij het zelt? Dit alleen wist hij, dat zij geheel zijn leven opslurpte, al zijn droomen en denken, en dat hij niet langer redeneeren kon en zich overleveren moest aan dien wilden drang, dien blinden hartstocht die hem tot haar dreef. Het was over hem gekomen als een duizeling; bij de eerste ontmoeting had hij een noodlottige macht hem voelen vastgrijpen, en die had hem niet meer losgelaten. Zijn jeugd tot dan toe was éen vaag idealisme geweest, een fladderend fantazeeren, ijl gemijmer en gescharrel langs verloren wegen. Dit was de eerste wezenlijkheid die hij geheel gevoeld had. 't Was in den beginne geweest als een zegepralende fanfare die zijn jong leven openblies; een dolle roes, een heerlijke gezonde gewaarwording al zijn levenskrachten in te spannen, zich geheel uit te laten... Was dát ‘het onmogelijke’ dat hij altijd in wazige horizonnen had zien beven, als een lokkend beeld! Geheel overgeleverd aan zijn driften, zonder toomen voorthollen, als een jong paard dat lang opgesloten was en eensklaps onder de blauwe lucht in de onafzienbare weide wordt losgelaten, hinnikend en brieschend naar de zon! En dan, al zijn gewoonten omgestort, uit het oude verband gerukt, ver van het getjilp der verdrietige huismusschen. Boven alle conventies, dronken van genot, waanzinnig van overmoed: een vrije jongeling die voor de eerste maal een lief heeft, geheel zijn bezit, zijn eigendom! Een vrouw, zooals hij er nooit een gezien had, van een vreemde bekoring, bijna duivelachtig schoon, en veel veel
sterker dan hij in wereldervaring, die uit een ver gewest hier aangeland was, met een ingewikkelden roman in haar verleden, een raadsel dat zijn verstand deed stil staan, van wie elk woord hem iets dieps, iets verborgens scheen uit te ademen. Met al het idealisme der twee en twintig jaren had hij zich aan haar vastgeklonken, steeds opnieuw omslingerend haar slanke leest, haar sirenenlijf, altijd opnieuw in haar oogen en aan haar mond de eerste weelde der jeugd drinkend!
Maar hij was ontwaakt uit die dronkenschap, en hij zag dat hij op een steile helling stond, en ging vallen... Nochtans, dat zoete lijf, die begeerte naar haar vleesch tegen het zijne aan, en, boven alles, dat geheime in haar dat hij niet ontraadselen kon! Want hij begreep haar maar altijd niet. Was het alleen zijn illusie die haar zoo kleedde in een romantische wade, aureoolde hij haar met zijn jongensgedroom - of was zij werkelijk de sphinx waarvoor hij haar hield?
Ach, één gebaar slechts, de ronding van haar heup, de opslag harer diepe glimmende zeegrijze oogen - haar plotselinge verschijning in de verte op de straat - de gedachte alleen eraan, stortte in zijn ziel een duizelige vervoering. Hoe zou hij dat ontleden? Zij was zijn eigen ziel, vol verre begeerten, vol heimwee naar verre landen, het oneindige van een jongelingsziel!
En toch, zij zouden niet samengaan - de droom moest eindigen - dat raadsel (was zij er een?) zou hem verslinden, moest hij het verder pogen uit te vorschen; gelukkig was hij niet - en reeds weken lang was een onafwendbare weemoed in hem gezonken, de voorbode van de onttoovering, van het barre oogenblik dat hun wegen zouden scheiden...
Haar ellende was het, die hem aantrok. Dat maakte haar heilig in zijn oogen, dat gewicht dat hij voelde op haar te drukken. Zij was verdacht in de oogen der burgers, de maatschappij stootte haar uit. Dat was de aantrekkingskracht, de geheime
affiniteit die hun zielen nader tot elkaar bracht. Maar in den eerbied en het medelijden dat hij voelde voor de vervolgde der hatelijke samenleving, mengde zich toch de vertwijfelde gewisheid, dat hij voor haar nooit zijn kon degene die het looden gewicht van hare schouders optillen zou en met haar gaan, voor altijd...
Zijn toekomst... al zijn gedroom van een zelfstandig, harmonisch bestaan, hecht opgebouwd naar zijn wil, geheel vervuld en als doordrongen van zijn muziek... En dan, de niet te dempen afgronden die hen scheidden, die later, als de drift eenmaal verkoelde, den gapenden muil gingen toonen! En zijn moeder... die droeve oogen... Neen, hij moest breken, alles delgen in zijn borst. Heden avond nog zou hij het haar zeggen. Hij kon zichzelf niet langer vergeten en neerzinken bij een gebroken leven, wanneer het zijne eerst aanving en dat gedroomde daarginds hem steeds met onvermijdbare blikken wenkte, streng, of weemoedig, met moeders oogen...
Want waar zou het eindigen, liet hij zich verder medeslepen? Er was een grens - wáár wist hij niet, maar er wás er een, een onoverkomelijke! Haar kind? Och neen, dát niet alleen, maar alles, alles aan haar. ‘Elly - waarom zijt gij Elly!’ zuchtte hij, als Julia over Romeo.
Tegenover zijn nuchterheid van onwetenden jongen, stond zijn levenswil, de diepere kracht die in hem stak, een ideaal dat gedurig wenkte. En nu ging hij, langs allerlei kronkelwegen, meer en meer dat éene uit het oog verliezen, zich uitputten in een hopelooze passie, doen als de schapen die hunne wol aan de struiken langs de baan laten hangen. Hij wist immers ook dat het een gewone alledaagsche gebeurtenis was, door zoovelen reeds ondervonden?
Als een vermaning klonk nog de stem in zijn ooren van een man, die hem eens zijn leven verteld had. Zes jaren lang had hij
een maîtresse gehad waarvan hij niet los kon. ‘Ça dégrade...’ zegde hij. Nu, na tien jaren, stonden hem nog de tranen in de oogen als hij 't leed herdacht van zijn roekeloos verguisde twintig jaren. En, als hadde hij in Richard zoo 'n sentimenteele vermoed als hij zelf geweest was, had hij niet zijn hand vastgenomen en hem met strenge blikken gezeid: ‘Kerel, wilt ge iemand zijn, scheur uw kleêren niet aan de doornen langs den weg.’ En met die bitterheid van den pessimist die door de geheime vijandelijke machten van het leven geknakt is geworden, had hij er niet met bitterheid bijgevoegd: ‘geloof me, het leven is als een stroom; wie er in duikt wordt meegesleept. De verstandige blijft aan wal, zijn notaboekje in de linkerhand en een potlood in de rechter. En hij bekijkt, zeer koelbloedig, de menschen die in den zonneschijn zwemmen en spektakel maken, en de domme kerels die verder willen gaan, meer willen weten en voelen, de domme kerels die neerduiken om te zien wat er daar beneden wel zou omgaan, en die weer naar boven komen, met de handen en den mond vol slijk.’
Stelselmatige phrasen van een geblaseerde, had Richard toen gedacht. Die man vergeet, dat alles zich gedurig herhaalt, dat er eeuwen lang menschen met driften geweest zijn en zich lieten gaan, maar dat de sterken ook dát overwonnen, omdat een nóg diepere kracht dan die drift hen stuwde: de levenswil, de hoogere drijfkracht naar het bewuste of onbewuste doel, de jaloersche zucht tot zelfbehoud, die luider schreeuwt dan elke uitputtende macht... dat diezelfden uit zulke stormen nog grooter weerbaarheid geput hadden - en ten slotte, dat zij die ondergingen, de onmachtigen, niets beters verdiend hadden...
En nu stond hij zelf in dien strijd, en nu ging hij gewaarworden welke folterende waarheid in de woorden van dien man besloten lag. Zijn eigen woorden deden hem thans aan als een kaakslag. ‘Zij, die ondergaan, verdienen het, de onmachtigen...’
‘Neen, ik ben geen onmachtige!’ riep hij, en heden nog - o heden... ja hij zou 't haar zeggen. Hij zou haar geen reden opgeven - zoo maar brutaal-weg afbreken - anders zou hij niet kunnen, weer terugvallen - maar hij zou stand houden - o niet zonder iets in zich te scheuren... maar 't moest. Het was beslist.
Hij stond vóor haar huis. Bevend greep hij de bel vast en deed ze rinkelen.
De dochter van Madame Matthijssen, een sprietmager meisje met een teringachtig gezicht, dwaze oogen en verfomfaaide kleeren, deed open. Zij hield een strijkijzer in de hand en met haar bestendig heesche neusstem zei ze goeden dag.
‘Wie is 't, lieveke?’ hoorde hij de zeemzoete stem van Madame Matthijssen uit de werkplaats roepen.
- ‘'t Is meneer, mamake.’
- ‘Och God! Ja?’ En zij kwam in den gang gedrenteld, die vol emmers en tobben en manden met waschgoed stond. ‘Bonjour mesieu! Wat plezier u te zien... Wat is 't, Sylvieke? Ge weet dat ik met meneer sta te klappen; laat me nu een oogenblikske met rust, ma chère. Wel ja, zet de ijzers maar zoo lang op het vuur; zeg aan Molleke dat ze wat wacht, ik kom seffens, ik moet met Mesieu eenige woorden spreken...’
Zij babbelde in éen adem door, zonder dat Richard aan 't woord kon komen.
‘Is Madame boven?’ kon hij eindelijk vragen.
- ‘Non... ik wil zeggen: oui, och ja! Madammeke zal blij zijn u te zien. Ze vroeg daarstraks drijmaal naar u. Ga er maar bij, mesieu Koenen... Mijn twee dochters hebben weer een valling. Zoo 'n kwispelturig weer, newaar? En ik moet maar altijd werken. Slaven, slaven voor het kostje! Wij hebben nooit gedaan! Wij hebben het moeilijker dan u, zij maar zeker! U ziet er altijd goed uit. Maar hoe zijn rijke menschen - die hebben het gemakkelijk! En uw familie...’
- ‘Ja, wat is 't dáarmee?’ onderbrak hij, moedwillig. (Wat wil zij daarvan, die verwenschte babbelkous?)
- ‘O niets! Ze stelt het ook wèl? Ah, très bien! O, ik ken u allemaal zoo goed! Mijn twee dochters zijn op de school geweest bij... Newaar, juffra Koenen, de schoolmamezel, de stitutrice gelijk of wij zeggen, is toch uw zuster, newaar? Och, zij is zoo goed voor de kinderen; ik heb er van gehoord. Ja ja, mesieu, als ge veel met de menschen moet omgaan, dan kent ge zooal iederendeen... newaar Mesieu?
- ‘Zeker, zeker’ morde hij verveeld, ‘Is Madame op haar kamer? Kan ik...’
- ‘U is altijd even haastig, meneer Koenen’ lachte zij. ‘Val niet over dien emmer! Ja 't wordt al donker op de trap - we zitten hier in de groote kuisch... ga u maar boven - bonjour Mesieu!’
Een geur van zeeploog hing in het huis, uit de strijkkamer dreef een zwoelte van dampend linnen. Met een zucht ging Richard door de onverkwikkelijke lucht, besteeg de moeilijke trap en opende een deur op het eerste.
Op dit arme naakte kamerke, waar nauwelijks plaats was voor een bed, een tafel en een kas - te midden van dit bizarre volkje, leefde zij. Naar die hier leefde gingen dag en nacht al zijn gepeinzen.
In het halfdonker der kamer zag hij haar staan, in haar keurs, met bloote armen, vóor een handspiegeltje aan den muur haar toilet makend. Zij stond met den rug naar hem toe, en keerde zich niet om. Zij had hem reeds gehoord. Hij murmelde een groet, en wachtte op haar antwoord. Maar zij bleef zwijgend heur haren opdoen. Richard was verdrietig. Alles was hier verdrietig. Het kindje, een verrukkelijk hoofdje, lag met zijn hoofd onder zijn beide armen op de tafel te slapen; het gezichtje was schier onzichtbaar onder de bruine welige lokken. Het lag daar vermoeid, in zijn nachtjaponnetje, als een moê bloempje. Hij stapte door 't kamertje, zoodat men alleen 't gerucht van zijn schoenen hoorde, die kraakten. Haar halsstarrig zwijgen ergerde hem. Met verkropte stem barstte hij eensklaps uit:
‘Dit is nu een half uur dat ik hier sta - als een lakei, die wacht tot mevrouw hem wel wil aanspreken - waarom zegt ge me zelfs geen goeden dag?’
Zij keerde zich half om en toonde een zorgelijk gelaat; haar voorhoofd was gerimpeld.
‘Ach... ik heb het zoo druk.’
- ‘Ben ik u dan niets meer?... is het te veel moeite?’
- ‘Maak toch asjeblief geen scène om zoo'n onzin... De kleine slaapt - en ik ben slecht gezind...’
- ‘Waarom? omdat ik kom?’
- ‘Als ge toch niet altijd zoo kinderachtig waart! Gij zijt vrij, hoeft aan niets te denken dan u te amuseeren... maar ik
moet weeral naar het gareel... een leven als een vigilantpaard... en wat vooruitzicht! Ik kan toch niet leven zonder iets te doen... Gij hebt het gemakkelijk...’
- ‘Ach, hoû toch op, ik voel het dieper dan gij zelf - en gij herinnert mij altijd dat ik niets doen kan voor u... Maar, waarom maakt ge u zoo schoon? Dat is toch voor mij niet... Ge moet zeker aan iemand bevallen?...’
- ‘En zoo dat eens ware?’ Zij keerde zich tot hem, met spottend lachje.
- ‘Na, des te beter! Dan kunt ge mij over boord werpen... Want, wat kan ik wel zijn voor u...’
- ‘Ge zegt dat al honderd maal - maar ik wil u immers tot niets dwingen? Wilt gij niet komen, blijf weg.’
- ‘Wie spreekt daarvan?’
Hij voelde dat het hooge woord moest gaan vallen, en hij werd bang dat het zoo spoedig gaan zou... eerst nog wat pijn... voor hem en voor haar... en dan.
Hij naderde haar, met een gezicht dat hij koud poogde te doen schijnen, maar inwendig voelde hij een stille zacht-smeltende pijn, die hem langzaam doorweekte. Hij raakte haren arm, en wilde haar hand grijpen.
‘Elly... zeg eens...’
- ‘Laat mij los.’
- ‘Hè!.. wat is er?’ stokte hij. ‘Men zou zeggen dat ge een hekel aan me hebt?’
Zij haalde de schouders op en viel weer in haar zwijgen.
‘O maar,’ barstte hij eensklaps los, ‘zulk leven kan ik niet langer volhouden. Overal zie ik booze donkere gezichten. Thuis niets dan wrok en triestige verwijtende oogen. En wanneer ik hier kom...’
- ‘Verwijten? En dat alles om mij, niet waar? Hewel, loop naar uw pensionaat terug, gelijk gij 't zelf noemt. Ga klamp u
vast aan de rokken van uw mama, en speel piano met uw zuster... dan zullen ze u glimlachjes toesturen en dan zult ge tevreden zijn. Bah! gij zijt geen man! Op u is niet te bouwen...’
- ‘Gij zoudt misschien verlangen dat ik met u zou vertrekken... viool gaan spelen in de koffiehuizen... la vie de bohême... en zingen of zoo iets...’
- ‘Och, ik merk het al lang; eeuwig en altijd klaagt ge, ik hoor van u niets dan onaangename dingen - ge wilt er een eind aan maken, niet waar? Nu, goed - ik zal u niet terughouden...’
- ‘Wat komt gij dáar altijd op weer? Heb ik zoo iets gezegd?’
- ‘Maar ik, ik kan 't niet langer zoo uithouden, hoort ge? Ik moet u heelegaar hebben, of in 't geheel niet!... Zie eens aan, elken dag word ik ouder; word ik eenmaal dertig dan stuurt ge me weg, dan laat ge me loopen - maar ik zal 't u niet moeilijk maken - zeg gerust aan uw mama en aan uw lieftallig zusterke, dat ik er geen schuld aan heb indien gij hier komt... Ja, eigenlijk ben ik wel eens nieuwsgierig te weten wat ze bij u thuis wel van mij zouden zeggen - niet veel goeds - dat kan ik denken - ik verleid u, ik slorp u op, ik ben de schuld dat gij verloren gaat... toe, zeg het maar!’
- ‘Zij kennen u niet, Elly. Denkt ge dat ik over u spreek?’
- ‘Ja maar zij spreken over mij... hebt ge dan nog niets bemerkt?’
- ‘'t Is toch natuurlijk van die menschen, die gewoon zijn aan enge gedachten, die van 't leven niets weten dan wat binnen de muren van hun kamer gebeurt, dat zij onze verhouding raar vinden...’
- ‘Nu, raar... hoor eens, raar vind ik ze ook, hoor! - Och, heel die geschiedenis weegt me zwaar. En 't ware beter dat we elkaar nooit ontmoet hadden...’
- ‘Hebt ge iemand in 't oog?’ vroeg hij, nuchter.
- ‘Misschien wel.’
Hij begon op en neer te wandelen. Onwillekeurig viel zijn oog op een fluweelen zakje dat in een rommel van allerlei voorwerpen op de kas lag; daartusschen lag een toegevouwen papier, hij nam het en zonder nadenken bekeek hij den inhoud. Maar zij sprong op hem toe, ontrukte het hem en verscheurde het. Hij had den naam gelezen: ‘William...’ Een certifikaat van een matroos... Het schemerde hem voor de oogen. Het was dus geen gekheid? Zij spotte niet, 't was niet een dier gewone krakeeltjes zooals zij er honderd gehad hadden, welke telkens door een verzoening en een heviger wellust gevolgd werden? Een man tusschen hem en haar. Allerlei tegenstrijdige gedachten warrelden door zijn geest. De eerste was een schrijnend wee, om miskenning ontrouw, bedrog - zij had hem nooit bemind. Zou zij met hem reeds..? Neen, dat ware om te sterven. Moest hij zóó eindigen, zijn schoone liefdedroom, zijn eerste begoocheling, die over zijn jeugd beslist had, die over zijn heele jonge leven een donkere schaduw zou werpen? En dan weer, het was misschien goed - en welk recht had hij zich te verzetten tegen een van zelf gekomen scheuring... 't was misschien de redding die opdaagde in de verte... Zij zou wellicht iemand vinden die de vader van haar kind wilde worden, die geen fierheid had en geen ideaal te bereiken, geen jeugd weg te werpen, geen talent, geen toekomst... Dat alles had hij in één enkel moment doorvoeld; 't was of het noodlot zelf aan de deur klopte en hem wenkte zich nu maar voor altijd te verwijderen... zijn rol was uitgespeeld... hun levens waren voor eeuwig van elkaar gescheiden...
Hij zag haar aan en hij kwam weder tot het besef van den toestand. Een drang om méer te weten dreef hem, en zijn ontroering onder een gemaakt lachje verbergend, murmelde hij onverschillig:
‘William... William - de Veroveraar - wat beteekent dat?’
Zij ook lachte, als verborg zij iets.
‘Neen, dat is een verovering van mij’, antwoordde zij. ‘Een huwelijksaanvraag.’
- ‘Toe maar. Mag ik feliciteeren? En wanneer?’
- ‘Zoodra mogelijk. Ik vertrek...’
- ‘Gij vertrekt?... Elly, spot niet, bid ik u. Is er iets van heel die historie?’
- ‘Iets - en niets...’
Zij scheen zich te bedenken. Haar gezicht had een innige uitdrukking gekregen, en zij sprak met een vertrouwelijke stem, als iemand die om raad vraagt, terwijl zij naast hem kwam staan en haar armen op zijn schouder leunde:
‘Hoor eens, Richard... wat denkt gij? Kunt ge mij iets beloven?..’
- ‘Wat dan?’
- ‘Ge weet wel wat. Luister wel. Ik wil u niets opdringen. Zeg me alleen, eerlijk, uit den grond van uw hart, kunt gij geheel voor mij zijn...?’
- ‘Maar ge weet toch dat ik dit ben...’
- ‘Neen, anders - begrijp me toch. Het is zoo gek, dat ik u dat vragen moet.’
Haar stem vleide nu in zijn ooren, streelend en buigzaam, alsof zij hem kuste in zijn ziel.
‘Ach, ik ware toch zoo gaarne altijd altijd met u gebleven...’
- ‘En waarom zoudt ge niet?..’ fluisterde hij, overmand, terwijl een onbegrijpelijke zwakheid zijn hart vermurwde. Zijn schoon plan, zijn krachtdadig besluit voelde hij langzaam wegzinken. En hij bekeek haar met weeke minnende oogen, zij smijgde zich tegen hem aan en hun woorden werden fluisterin-
gen - haar warme adem likte zijn wangen; het werd hem zoo weldadig in de borst.
‘Ach’, zuchtte zij, ‘en zoo hangt men altijd tusschen hemel en aarde... en zoo weet men nooit wat men doen moet... Als ik u maar niet lief had...’
- ‘Elly’, smeekte hij, ‘blijf aan mij...’
- ‘Richard, mijn man... zijt gij mijn man, ja?... Zeg ja... zeg het...’
Zij kusten elkaar. Met langzame teugen dronk hij aan hare lippen en voor hem bestond geen werkelijkheid meer. Alles, alles deed zij hem vergeten... al dat nare, al dat vijandelijke, en... dat zij toch éenmaal van elkaar moesten... moesten...
Het was nu geheel donker geworden in de kamer.
‘Kom, ik moet gaan...’, sprak Elly opeens, rechtspringend, als ontwaakte zij.
- ‘Neen, blijf’, sprak hij koortsig; ‘Elly, mijn lief, mijn vrouw... blijf... ga niet heen van avond - blijf tehuis, zeg ik u...’
Zij keek hem met haar troeblante zeegrijze oogen aan, met een zweem van medelijden, vermengd met een droefheid als van een oudere zuster.
‘Och, als ge maar niet zoo'n jonge dweper waart... Ik zou wel op u wachten... o, ik weet dat ik altijd aan u zijn zou, als uw slavin... uw alles...’
Zij zuchtte diep. Hij zag haar troosteloos aan, voelend dat hij toch geen antwoord geven kon.
‘Eens zult ge een meisje ontmoeten’, sprak zij zacht, en in die donkere kamer klonk hem haar stem bijna prophetisch; ‘en die zult ge zóo beminnen dat gij álles zult kunnen offeren voor haar... Gij zijt nog zoo jong... En ik... ik word oud, ik voel het... gij begrijpt dat niet... Ach, gekheid! heel die geschiedenis is gekheid!’
- ‘Elly’, riep hij, als uitzinnig van weelde en verdriet,
‘spreek niet van een andere! Nooit, nooit iemand anders dan gij! Ik heb u zóoveel gegeven, dat er voor de anderen niets meer overblijft. Ik heb u dat al zoo menigmaal gezeid. Gij zijt mijn heelal! buiten u is de wereld mij leêg - zonder u kan ik niet ademen!... Heks, die gij zijt!’
- ‘O als ge maar niet zoo'n dweper waart... Maar men moet u gelooven, omdat men u gaarne gelooft...’
Zij richtte zich op. Hij zag haar vertwijfeld aan.
‘Ik moet gaan...’
- ‘Blijf!’
- ‘Neen, ik moet...’
- ‘Blijf, voor éen avond - blijf!’
Zij legde het kind te bed en kleedde zich spoedig aan. Hij vroeg niet meer. Samen daalden zij de trap af.
Beneden stond Madame Matthijssen. Elly verzocht haar naar 't kind te willen omzien, terwijl zij weg was.
‘Ha, madammeke, ge gaat uit met meneer - dat is goed - proffeteer er maar van terwijl ge jong zijt! Wij moeten nog tot twaalf uren werken. Altijd wasschen en plasschen. Maar ge zijt jong en gelukkig - gij hebt gelijk... Wat een aardig paar! Als ik er aan denk... toen meneer hier voor den eersten keer kwam... weet ge 't nog? en altijd zoo blij, zoo goed gezind - o ge zijt twee deugenietjes! - Het kleintje? ja madammeke, Silvieke zal er naar kijken - zij niet ongerust, madame!... Bonsoir, madame! bonsoir, mesieu! Wij moeten werken... voor het kostje, verstaat ge? Amuseert u wel, ge zijt maar éenen keer jong...’
‘Foei, wat is dat wijf smerig vriendelijk!’ zei Richard, toen zij haar ontvlucht waren en, arm aan arm, over de straat gingen.
- ‘Zwijg’, antwoordde Elly, ‘ik zal u vertellen, waarom. Zij heeft me dezen morgen laten hooren dat ze mijn kamer voor vijf francs meer kon verhuren - en nu zou ze willen opslaan...’
- ‘Ha, daarom was ik van zoo 'n rijke goede familie!’ zei Richard.
Zij gingen door de luidruchtige straat, in het schoone avondweder. Zij waren stil en aangedaan... als was het de laatste maal dat zij samen waren. Weldra nam Elly afscheid. Hij liet haar gaan, zonder nog het gesprek te herinneren waarin zij heel hun leven omgewoeld hadden.
Richard dwaalde nog eenigen tijd droomend langs de straten. Hij was moê. Tehuis sloot hij zich op zijn kamer. Hij had gezegd dat hij haar zou afhalen in den nacht in de nabijheid van de taveerne... Zou hij gaan? Waartoe noodig? Zijn twijfel en zijn verdriet om zijn eigen willoosheid waren weder teruggekeerd.
Hij wierp zich op zijn bed, greep het oorkussen vast en verborg er zijn gelaat in, als wilde hij zich voor zich zelf verbergen. O diep in hem - die brandende begeerte naar haar! En... het vaste besluit van daar straks... en al het gebeurde - een mogelijke redding... Die scheiding viel toch zoo zwaar... Nog éenmaal, nog éenmaal... en dan is de droom uitgedroomd...
Hij lag op zijn bed. Het venster stond open. De maan hing in de lucht als een weeke bleek gouden appel. In de verte floten de treinen... dat deed hem nog dieper zijn eenzaamheid, zijn verlatenheid voelen. Ach, alles zoo kalm, zoo helder daarbuiten... een liefdenacht...
De schepen loeiden ver op het water, als een vaarwel - zijn ziel ging meê, ver weg... Zich laten drijven, zich laten gaan lijdzaam met het glijdende water...
‘Onmachtige!’ fluisterde hij opeens. Neen, neen, hij ging niet - het moest uit zijn - hij ging niet meer...
Toen Elly het lokaal binnentrad zat daar reeds de oude Classen, die haar met gulzige blikken bekeek. De oude heer, die ergens boekhouder was op een handelskantoor in den omtrek, was sedert eenigen tijd een bestendige gast geworden; wat hem eigenlijk daarheen trok wist niemand. Hij had een buitengewone vriendschap gesloten met den duitschen patroon, dien hij duchtig trakteerde, en in wiens breeden boezem hij zijn gewone klachten, van zijn verlatenheid en zijn liefdeloos leven, kon uitstorten.
‘Gij moest een jong knap vrouwke nemen, Herr Classen, dat zou u wat opfleuren’, had de baas gemoedelijk gezeid tot den grijsaard, die altijd meesmuilend aan zijn snor zat te plukken en klaagde.
‘Ach - was!... op mijn ouderdom... ich bin ein man von jaren, weiste!... und doch! und doch!...’ fluisterde hij opeens, met schitterende oogen waarmede hij Elly angstig beloerde: ‘dáár, als Fräulein wou...’
De baas verwijderde zich lachend, terwijl hij zijn blauwe brilglazen poetste, en Elly was nu met den oude alleen. Classen had een hooge kleur en scheen vreeselijk opgewonden.
‘Fräulein, bitte bitte... wollen Se gefälligst...’
Zij naderde, bevreemd. En hij begon haar, nogmaals, als ware het iets geheel nieuws, heel het rampzalige avontuur van zijn leven te vertellen: de dood van zijn vrouw, en hij nu héel alleen... en zijn behoefte aan ‘Liebe... Liebe...’ - hij kon zóo niet langer leven - wat doen? hertrouwen? - met vertwijfelde gebaren en schouderophalingen beduidde hij haar dat hij dit
belachelijk, onmogelijk vond. ‘Aber... aber...’ - hoe geniepig klonk die ‘aber’! - ‘aber eine gute Freundin... ja... ja... gute Freundin, weiste’ - dát ontbrak hem! En eer zij er zich aan verwachtte, greep hij plotseling haar twee handen vast, trok ze tegen zijnen boezem en vroeg haastig: ‘zoudt gij bij mij willen komen?... ich habe eine kamer... fein möblirt, was!’
Elly bekeek hem, als versteend. Zij antwoordde hem, beschaamd, dat zij hem niet begreep, en toen hij wou herbeginnen, opeens met waardigheid om hem verder aandringen te sparen, dat hij aan een vreemd adres was. Waarop de oude, met de armen in de lucht, meer dan ooit weeklaagde - ditmaal op een definitieven toon:
‘Nein! ich bin nicht gelukkig! noch lange nicht gelukkig!’
Hij bleef daar nog een tijd zitten morren in zijn eigen, kuchend zag hij haar na, dan weer bekeek hij stumperig zijn glas, zuchtte eindelijk een zwaren zucht, groette diep en plechtig met den hoogen hoed met rouwkrep, en vertrok. Hij vertrok, als een gebroken man, die de laatste hoop laat varen, die zijn eeuwig heil verbeurd heeft...
Elly zette zich in een hoek en begon na te peinzen. Zij voelde zich diep terneergeslagen. Zij had eerst een verontwaardiging gevoeld om de brutale vraag van den ouden gek, maar nu moest zij er pijnlijk om glimlachen. De beleediging voelde zij niet meer - zij had reeds zooveel moeten hooren in dit armzalig bedrijf! - maar levendig stelde zij zich het kranke gemoed van dien man voor. Wat was het leven toch een treurig ding: overal gebroken zielen, hunkerend naar wat geluk dat zij nooit vinden zouden - zij lieten zich drijven, willoos; - 't was als een zee waar ontredderde schepen, het worstelen moê, langzaam in de baren wegzinken of als wrakken aan het strand spoelen...
Hier een dwaze grijsaard, haast tot kindschheid vervallen, door grove wellustige hersenschimmen gekweld; - ginds een
jonge phantast, blind voor de barre wezenlijkheid, sentimenteel en besluiteloos, tot niets anders bekwaam dan tot wat fantaseeren, droomen en dwepen, een onrijpe geest die in de driften verwaterde en verslapte; - eindelijk een soort vagebond, een Vliegende Hollander, geplaagd met een ziekelijk heimwee, met een verlangen naar hij wist niet wat - allen zielen zonder stevigheid, menschen zonder daadkracht - en zij zelve, misschien de armste van allen, alleen, tegenover een vijandige samenleving die haar uitstootte, die haar het beetje rust en vrede misgunde waarop zij toch zooveel recht meende te hebben na al de stormen van haar jong leven.
Het lag daar vóor haar, dit leven, als een veelbewogen drama. Ouderloos op haar veertiende jaar, werd zij in de groote eenzaamheid van het gewoel geworpen - zij leefde bij een oudere zuster in Berlijn - op zekeren dag had een man haar bemerkt - die man, aan wien zij niet denken kon zonder wrok - hij de schuld van alles - en dien zij tóch lief had gehad, omdat hij de eerste was. Nóg een die niet kon - hij was getrouwd, wat zij eerst later vernam. Eenige jaren lang was de onmogelijke verhouding gerekt geworden - dank aan het kind - dan was zijn plotselinge dood gekomen, zijn zelfmoord, of hoe was 't gegaan? het was alles zoo duister geweest - en toen was zij gegaan met haar kind, ver weg uit dit land van verdriet, haar vaderland.
Daarna de kennismaking met den jongen man. Zij was reeds lang ontnuchterd, niet meer vatbaar voor jonge meisjesbegoochelingen. Maar de passies waren in haar niet uitgedoofd en hij had alle hoop in haar doen heropvlammen. O nog eens geheel beminnen, zich heelenal geven, aan een man die sterk genoeg zou wezen haar op te nemen en te koesteren en te doen herbloeien - een nieuw leven! Maar 't mocht niet zijn. Dat eerste gevoel was weg en kwam nooit weer terug; 't was haar of zij thans meer voelde als een moeder dan als een minnares, en in
haar hartstocht mengde zich een zeker verwonderd medelijden om dat onbesuisd zich offerende jonge leven. Zij had beproefd tot hem op te zien als tot een meerdere, maar het kon niet; hij was voor haar altijd min of meer een nuchtere jongen, die maar scheen te handelen in een onbewuste vlaag, als moest het spoedig eindigen. Toch was hij haar lief, en, hadde hij slechts gewild, de tijd hadde hen wellicht nauwer verbonden, haar meer tot zijn vrouw gemaakt. Maar zij had van eerst af het onbepaalde, het tijdelijke van hun verhouding gevoeld...
Zij besefte dat zij geen eischen meer stellen mocht en zich alle hoop moest ontzeggen op een wezenlijk geluk. Mocht zij zich niet nog verheugen misschien dat die vreemde kerel zich tot haar neerboog, die matroos met zijn dwaas gezicht, zijn vluchtende oogen als van een zwervenden hond - o was het dan zoo ver gekomen, dat alléen nog zóo een geheel vertwijfelde en vereenzaamde, een ziel op den dompel, met haar wou samengaan! moest zij zich eindelijk vergenoegen met een dier havelooze twijfelachtige kerels zooals zij er zoo dikwijls met afgrijzen had zien voorbij strompelen wanneer zij van het lokaal naar huis keerde langs de donkere nachtstraten?
Zij herinnerde zich plotseling zijn smeekend oog, dat als bad om deernis, toen zij hem den vorigen avond dat mededeelde van het kind... Zijn afkeer was duidelijk geweest, maar daarna zijn zonderlinge oogen die haar opeens medelijdend aanstaarden, en heel zijn doen als iemand die iets inslikt, die over iets heenstapt... Hij had dus ook bezwaren! Dat kind was ook voor hem een hinderpaal. Zoo zou het altijd zijn: dat zichtbare teeken van haar verleden sleepte zij steeds achterna. Dat revolteerde, kwetste haar, en in haar vage hoop mengde zich een wrok om de pijn van dat oogenblik, om den twijfel die maar éen enkele seconde in zijn oog was te lezen geweest. Maar zij had al zooveel ontmoet; zij moest gedwee zijn, buigen...
Zou hij zelf, hij, de zwerver, zich te hoog achten voor haar, omdat...? Het wilde niet uit haar gedachte weg, en zij besloot nu hem zeer hooghartig te ontvangen. Hij zou mogen bedelen om haar, die zelf een eindeloos offer bracht; hij zou haar slaaf, haar hond moeten zijn - anders wilde zij hem niet.
Maar zou hij nog wel komen? Zij had hem zoo weinig hoop gegeven. Opeens werd zij er blijde om, en dan weer droef. Hoe ging het toch afloopen? Ongeduldig begon zij heen en weer te loopen in de zaal, nu en dan een blik werpend in den spiegel. Zij bezag zichzelf met een droef lachje, en dacht: ‘ik verwacht mijn bruidegom! God, God, is het mogelijk!’ En zij streek haar lokken achter haar ooren en plooide haar borststrik netjes recht. Haar oogen blonken vurig en zij voelde haar hart onstuimig kloppen.
De deur ging open. Zij verbleekte en 't was of haar bloed plotseling stil hield. Een verdoofde kreet ontsnapte haar. Zij had gemeend Richard te herkennen, maar een verre gelijkenis had haar bedrogen. Het had haar een zenuwachtigen schok gegeven en zij beefde als zij tot den heer trad en hem het gevraagde glas bier bestelde. Het was een onbekende dien zij hier voor de eerste maal zag; aandachtig keek hij haar aan achter zijn nijpbril en begon een spoedig afgebroken gesprek. De mogelijkheid dat Richard ook komen kon, hij die nooit een voet in dit huis gezet had, vervulde haar met angst. Zij herinnerde zich hun afspraak en het was een nieuwe kwelling. Hoe zou de nacht toch afloopen?
Zij keek zijdelings den heer aan die in een notaboekje schreef en vroeg zich af waarom hij dit deed. Zij martelde haar geest met allerlei veronderstellingen, en wilde hem schertsend vragen of hij een schrijver was die hier studies kwam maken - toen de deur openging en Breede binnentrad. Zij gebaarde of zij hem niet zag en ging eerst achter het buffet staan. Opeens geschiedde er iets vreemds in haar: zij voelde zich verbazend kalm; 't was of haar spanning een hoogtepunt had bereikt, waar deze zich bevredigd kon oplossen.
Eindelijk ging zij tot hem. Zij groette hem koud beleefd en bleef vóor de tafel rechtstaan. Zijn gelaat was thans met een gele kleur overtogen en ziek stonden zijn oogen. Hij had zich anders schoon gemaakt: hij stak in zijn blauw zondagsch pak, dat hem het voorkomen gaf van een al te grooten schooljongen die uit zijn kleederen groeit; zijn broek was veel te kort, zijn zeer kort jasje
spande om zijn lijf; aan zijn hals hing een splinternieuw schitterend groen sjerpje; een vilten zwarte hoed met zeer breede randen veranderde zijn trekken; hij zag er nu nog zeldzamer en linkscher uit.
Hij durfde haar niet aanspreken, en zij had hem reeds verscheidene vragen gesteld, over het weer, en hoe het nu met zijn gezondheid was, wat hem toch ontbrak, en zij was uitgepraat. Liefst hadde zij hem daar laten zitten; maar, als overwon hij zijn schuchterheid, wenkte hij haar en vroeg, met een oogopslag die haar vreemd dreigend toescheen:
‘Wel, Elly, hebt gij nagedacht?’
Zij werd bloedrood; haar naam in zijn mond deed haar aan ils een lichamelijke aanraking, die haar schier huiveren deed; zij zag een anderen kant uit, en ging zitten over hem, met den rug naar den vreemden heer. Zijn oogen verslonden haar.
‘Ja’, antwoordde zij zacht.
Hij durfde niet verder gaan en begon over wat anders.
‘Ge ziet zeker aan me dat ik ziek ben. Ze hebben me gezegd dat ik naar 't gasthuis moet om me te laten verplegen.’
Zij herademde en, om iets te zeggen, vroeg zij, of die whisky hem geen kwaad deed.
‘Ik weet niet’, zeide hij, terwijl een kramp hem deed grijnzen. ‘'t Is het geel; het is niet erg; 't kan wel twee of drie weken duren. Maar intusschen is mijn schip vertrokken...’
- ‘En wat gaat ge dan doen?’
- ‘Dat hangt af van... wat gij mij antwoorden zult... Ik heb geld om eenigen tijd te leven. Ik kan een ander schip vinden... Maar, kunt gij mij iets zeggen?... Ik heb zooveel aan u gedacht, Elly. Gij zoudt mij gelukkig kunnen maken... Waarom wilt ge niet?’
- ‘Ik zeg niet dat ik niet wil. Maar we kennen elkander nog zoo weinig...’
- ‘Ik zal voor u werken - ge zult weg zijn uit dit leven - binnen drie of vier maanden kom ik u halen - gij woont bij mijn moeder in Kopenhagen - wilt ge?’
- ‘Daar ben ik juist bang voor. Wat zal uw moeder zeggen? Is het haar wel, dat ik een kind heb?...’
- ‘O ja, dat kind...’
Hij keek donker; wederom glom in zijn oog de verdrietige uitdrukking, nu zelfs met een hatenden en jaloerschen glans. Dat was hij zeker vergeten. Op dit oogenblik voelde zij een oneindig misprijzen voor hem; maar zij bedwong zich, hem afwachtend.
‘En de vader?’ herhaalde hij wederom.
- ‘Zei ik u dat niet reeds?’ gaf zij nijdig ten antwoord.
- ‘Ja... ja... ik vergat...’
Zij deed als wilde zij opstaan.
‘Nu, uw kind kan immers heel goed bij u blijven...’
Zij glimlachte verachtelijk.
‘Ge begrijpt toch éen ding, niet waar, - als ik met u trouw, dan wordt mijn kind... uw kind - gij moet het aannemen...’
Hij keek haar wantrouwig aan. En als instinctmatig:
‘Neen, neen, dat niet... Na... en waarom dan?’
Zij werd rood tot in den hals. Zij stond op, de woede was haar tot in de keel gestegen.
‘Hoe durft ge vragen?’ siste zij, met bliksemende oogen. ‘Hoor eens, ik neem niet aan.’
Hij dronk met éen teug zijn glas leêg. Zij was niet weggegaan, maar keerde zich af.
‘Wees niet verstoord’, stamelde hij. ‘Gij begrijpt dat niet... maar ik heb nooit bemind... gij zijt de eerste vrouw die ik begeer...’
Versmadend vielen haar blikken op hem. Alsof het een groote eer was door hem uitverkoren te worden!
‘Ik kan de gedachte niet verdragen dat gij ook met een anderen...’
- ‘Maar hij is dood!’ riep zij. ‘'t Is goed... als gij zoo jaloersch zijt, is het beter niet te beginnen. Gij zult het kind aannemen, of ik weiger.’
- ‘Ik zal het doen’, antwoordde hij, gedwee.
Zij naderde weer zacht tot hem; de versmadende plooi was weg, maar inwendig woelde nog een wrok in haar, omdat zij hem dat had moeten afdwingen. Had zij hem gevraagd?
‘Moeder zal toestemmen - ik zal haar doen begrijpen... en, gaat het niet, dan maar alleen wonen... 't zal zich wel schikken...’
Breede zag het oog van den vreemden heer met den nijpbril op zich gericht, en hij vroeg plotseling, met dezelfde wantrouwige uitdrukking:
‘Wie is dat?’
- ‘Ik ken hem niet.’
Hij wierp een uitdagenden blik naar den heer, die steeds door zijn bril naar hen getuurd had; kort daarop dronk deze zijn glas leeg en vertrok, schuw groetend.
Andere lieden waren binnengekomen. Zij moest ze bedienen. De oogen van den matroos verlieten haar geen oogenblik. Wat was zij toch een heerlijke vrouw! Als zij over hem zat voelde hij zich als een beer, een woest dier, dat zij temde. In het voorbijgaan wierp zij hem een blik toe, die hem deed sidderen van genot. O die slanke leden omvatten, haar altijd aan hem weten, hij zou nu weten waarvoor hij leefde, geen heimwee meer kennen - zij zou hem een begeerlijk tehuis geven, hij zou haar aanbidden, vereeren als een heilige... Maar zou zij van hem houden? Terwijl hij op zee zwalpte, zou zij niet ontrouw zijn? Daaraan wou hij niet denken - zijn eigen gevoel overweldigde hem zoo geheel dat het hem schier onverschillig werd, of zij van hem hield of niet. Hij had wel een vaag vermoeden, dat indien zij hem nemen
wilde, het was omdat hij iets door de vingers zag... dat kind, en wie weet welk verleden... maar neen - wat ging hem haar verleden aan? - en hij zelf dan? Hij beminde haar, en dat was voldoende...
Elly zette zich weder bij hem en zag zijn eeltige handen die op de tafel lagen. Hij was grof en sterk gebouwd en dadelijk boezemde hij haar 't besef in van een physieke overmacht die haar beheerschen kon. Maar zijn gezicht, het slappe, zonder wil noch veerkracht, dat zegde haar ook dat zij hem door haar verstand bemeesterde, en dat zij die zware lompe handen en dat groote lijf besturen zou en er zich niet door laten onderjukken.
Zij had nochtans een zekere vrees voor hem. Zijn oogen vluchtten altijd weg, er was soms iets zoo pijnlijk gegeneerd in al zijn doen, dat 't was of iets hem op het geweten drukte. Wie weet of hij geen misdadiger was? Maar zijn naïef gezicht sloot die verdenking uit. Neen, die lompe handen hadden nooit gedaan dan touwen gezeuld en zware gewichten getorst; die handen gingen nu werken voor haar en haar kind. Haar kind! Zij verbeeldde zich opeens dat het hem nu ‘vader’ ging noemen en dat leek haar zoo vreemd, zoo nieuw, zoo gek, en toch klonk het schoon door hare ziel; het was de herleving, de herstelling in haar verhouding tot de menschen. Zij zou nu vrijer 't hoofd opheffen, eindelijk tot die rust en dien vrede komen waar ze zoo lang om gesnakt had...
Het werd laat. Zij herdacht dat Richard haar thans wellicht reeds buiten wachtte. Zij trachtte den matroos nu te doen weggaan.
‘Ik moest u nog iets zeggen... maar dat gaat hier zoo moeilijk’, sprak hij, verlegen.
- ‘Wat is het?’ vroeg zij, angstig.
- ‘Kan ik met u niet gaan, naar uw huis?...’
- ‘Wat zegt ge daar?’
- ‘Ik meen’, verbeterde hij snel, ‘u tot aan uw woning geleiden - ik zou u onderweg nog iets moeten zeggen en afscheid van u nemen vóor ik naar het gasthuis ga, morgen...’
- ‘Kan dat hier niet?...’
- ‘Neen, ik heb u iets bijzonders te zeggen...’
Haar nieuwsgierigheid werd geprikkeld; haastig overlegde zij. Hij zou haar ergens kunnen wachten, zij zouden kunnen naar huis keeren langs een weg waar Richard hen niet zou ontmoeten...
‘Wacht mij aan de brug van het dok’, fluisterde zij.
Hij drukte haar hand als om ze te pletten en zag haar dankbaar aan, als bewees zij hem een weldaad. Hij kon geen woord spreken. Zij beefde van angst. Hij bemerkte niets en voelde alleen dat hij gelukkig was.
Toen hij weg was liep zij in huis, kwam weer terug en wist niet hoe zij 't had. Zou het dan toch waar zijn, dat alles ging omgeworpen worden in haar leven? Zij ging ver weg gaan, ver van alles wat zij beleefd had, ver van Richard, in de wijde raadselachtige oneindigheid...
Een weemoed zonk in haar bij het herdenken van heel dat verleden. Zij bezag het uurwerk; het was nog geen twee uur. Zij kleedde zich aan en verliet het café. De maan was gelukkig achter wolken verscholen. Aan gindschen boulevard, met zijn spichtige armzalige boompjes die in den donkere nog donkerder vlekken wierpen, moest nu Richard staan. Steels sloop zij langs de gevels der huizen naar het dok toe. Zij had niemand gezien. Eenmaal aan de puinen van het afgebrande stapelhuis gekomen, ademde zij vrijer; hier was het zeer donker en men zou haar niet herkennen. Rechts lagen de schepen, grootscher nog in het duister, met de hemelhooge masten, alles stil, stil... Op de brug stond een man. Zij aarzelde voort te gaan. Hij kwam op haar af. Zij herkende hem. 't Was de matroos.
Zij begroetten elkaar met een handdruk. Een uur lang had
hij hier gestaan, vergaand van ongeduld. Zij keek nog eenige malen om, maar ze ontwaarde niemand...
‘Snel’, fluisterde zij, ‘laat ons snel voortgaan...’
Zonder zich af te vragen waarom, gehoorzaamde hij. En alsof de nacht hen dwong stil te spreken, was hun gesprek éen gefluister. Hij leidde haar langs zijn schip en toonde haar langswaar men tot zijn slaapkooi ging en vertelde wat hij geheele dagen gedaan had, geschilderd en getimmerd, en zij liepen immer door, tot zij aan het einde van het boulevard kwamen aan het goederenstation waar een doodsche stilte heerschte. Onder de boomen zagen zij hier en daar op een bank een man zitten slapen en zeer zeer ver floot nog een late trein.
‘Morgen zal ik in het gasthuis zijn... wij zien elkaar niet vóor een paar weken... langer misschien...’, zei Breede.
- ‘Ge moet u genezen en ge moogt vooral niet meer zoo drinken’, sprak zij, als iemand die voelt dat hij bevelen mag.
- ‘Ik zal het laten’, antwoordde hij gedwee.... ‘Kan ik bij u aan huis komen?’ vroeg hij.
- ‘Neen, neen, dat moogt ge nooit meer vragen. Dat gaat niet. Ge moogt ook nooit voorbijkomen en zelfs niet schrijven.’
- ‘Maar waarom toch?...’
- ‘'t Is beter zóo. De vrouw waar ik woon heeft zoo'n argwaan - men zou er over praten...’
Hij drong niet aan. Zijn stem klonk altijd onderdanig als van een gehoorzamen jongen.
‘Als ik uit het gasthuis kom zal ik het u laten weten... Waar moet ik den brief zenden?’
- ‘Zend hem maar naar het café. Of poste-restante...’
Zij liepen langs allerlei zijstraten, langs de donkere huizen, waar men op de bovenverdiepen achter de gordijnen licht zag schemeren.
‘Nu moet gij gaan. Ginds woon ik, maar volg me niet. Gij hadt mij iets te zeggen?’
- ‘Ja...’ en hij tastte in zijn zak en haalde een doosje te voorschijn. ‘Ik heb heden in de stad rondgeloopen en iets voor u gekocht.’
Hij toonde haar een ring.
‘Mijn naamletters staan erin geprint - wilt gij hem aannemen - en als een verlovingsring aanzien?’
Zij was ontroerd, en nam hem spoedig aan, vreezend dat hij nog meer ging zeggen.
‘Goed, ik neem hem aan - maar ga nu, ga nu...’
- ‘Elly, zoudt ge mij kunnen beminnen?’ sprak hij hijgend, met kort afgebroken driftige woorden, haar star beziende.
Zij kon zijn naam niet noemen. Lachend poogde zij hem te verwijderen; hij had haren arm gegrepen en zijn lippen naderden de hare. Zij ging het uitschreeuwen, maar plotseling had hij haar omvangen en zij voelde zijn heeten adem op haar mond. De reuk van alkohol en die natte knevels deden haar huiveren.
‘O ik bemin u, ik bemin u!’ stamelde hij. Zij kon zich niet losrukken, het was of hij haar geweld aandeed, het werd haar benauwd en zij zakte schier ineen. Zij deed een opperste poging om los te komen.
‘Elly, adieu! blijf mij trouw...’ riep hij, en liet haar gaan.
- ‘Adieu’, zuchtte zij, en veegde met haar zakdoek haar mond af.
Aan den hoek der straat keerde zij zich om. In de verte zag zij hem voortzwijmelen. Was hij dronken? of wat ging er met hem om? Zij griezelde van viesheid en wilde wegloopen. Maar hij had zich omgekeerd en kwam haar weder na. Toen vluchtte zij in huis, luisterde aan de deur of zij zijn stap in de straat hoorde. Weldra kwam het zware geluid van twee vernagelde schoenen opklinken op het gaanpad, het verstierf langzamerhand. Toen
steeg zij de trap op, sloot de deur harer kamer en zag haar kind, met open mond, de armen onder het lokkige hoofd, warmrood in het bed liggen... Zij opende het doosje en bezag den ring. Zij haalde hem er uit en stak hem aan den vinger. Zij schudde het hoofd en haalde de schouders op. Spoedig deed zij hem af en sloot hem weg. Zij kleedde zich uit en legde zich te bed. Zij kon niet slapen. Zij stond weer op en opende de lade. Wederom haalde zij het juweel te voorschijn.
‘Vreemd toch’, sprak zij tot zich zelf, ‘denken dat ik verloofd ben... verloofd met...’
Toen dacht zij opeens aan Richard - o die had misschien op haar gewacht - en zij voelde dat zij hem tóch nog beminde - ja nu eerst wist zij het goed...
‘Arme menschen, arme menschen!’ zuchtte zij, en haar kind in de armen pressend kustte zij het, dat het wakker schoot en bang huilde.
‘'t Is niets, ik ben het...’ suste zij.
Zoo zonk zij langzaam in slaap.
Na een dierlijken slaap, zwaar als lood, in éen trek door, werd William wakker. Hij voelde een ontzaglijke vermoeinis, en scherp kreeg hij de gewaarwording dat hij eigenlijk nu eerst voor goed ziek was. Hij was te lui en te lusteloos om uit het bed te springen en met een dof gekreun draaide hij zich op de andere zijde. Zijn oogen deden hem pijn telkens hij naar links of rechts keek, lam hingen zijn armen, al zijn gewrichten schenen als losgerukt.
't Was hem of hij een gewichtige zaak te regelen had gehad die al zijn zenuwen had opgezweept en hem rechtgehouden, hem oogenblikkelijk zijn pijn doen vergeten. Als hij herdacht wat daar nu, als een niet te herdoene onherroepelijke gebeurtenis achter hem lag, verwonderde hij zich over de mogelijkheid ervan en twijfelde of hij zelf dat gedaan had. Zijn driftige omhelzing, en zoo lang en heftig spreken, dat was hem nog nooit overkomen. Maar nu had hij een zekerheid, hij bezat haar woord, zij had zijn ring aanvaard - nu was het tijd om aan zijn lijf te denken. 't Werd hem eindelijk te benauwd in het onderdek; hij rekte geeuwend zijn armen uit, tastte naar zijn weeë lenden en stond op. Werktuigelijk viel zijn oog op een spiegeltje, niet grooter dan een speelkaart, dat hij niet vijfmaal in het jaar bezag. Hij schrikte als hij zijn doodsche waskleurige trekken gadesloeg. De menschen moesten hem schuwen als een melaatsche. Het wit van zijn oogen was met een vreemd geel getint. Hij zou haar nu niet meer onder de oogen durven komen eer hij gezond was.
Dat hij genezen zou, daarvan was hij zeker. Zonder al te
groote pijn dacht hij aan de lange dagen dat hij alleen zou gaan liggen in het gasthuis in een zaal vol zieke menschen. Dit zware lichaam dat nu zoo plat en ontzenuwd was zou daar weer opfrisschen. Een blijde lichtende streep aan zijn gezichteinder: door al zijn mismoedigheid heen zag hij iets glimmen, een hoop op een schoon gelukkig leven, en zij met hem...
Hij besteeg langzaam het steile laddertje dat naar den achtersteven leidde, en zag daar zijn kameraden die in hun zondagskleeren stonden en hem lachend bezagen. Zij wisten dat hij vertrok en hij maakte het afscheid kort. Een enkel woord, en zij gingen voort met kouten en rooken alsof hij voor hen nooit bestaan had.
Met een klein pakje onder den arm, waarin zijn goed stak, strompelde hij naar de stad toe. In het dok was alles rustig, hier en daar wapperde een wimpel aan een mast. Hij keek om: ginds lag de Waldemar die zonder hem naar huis zou trekken; hij had een boodschap meegegeven voor zijn moeder opdat zij niet ongerust zou zijn. Van zijn geheim had hij geen woord verteld.
Op den boulevard bemerkte hij allerlei scheepslieden die in een klein rood baksteenen gebouw gingen. Het was de skandinaafsche kerk. Hij las boven de poort het opschrift: ‘Herren velsigne din Indgang og din Udgang’, het was als een woord van bemoediging persoonlijk tot hem zelf gericht. Hij trad binnen, want hij was altijd vroom geweest, al was het ook lang leden dat hij een voet in de kerk gezet had. Het was er zoo gemoedelijk eenvoudig als in een groote zuivere schuur. De pastor was op den kansel geklommen; een slanke schoone man in een zwarte toog, met bezielde oogen in een bleek gezicht, dat deftig strak boven den geplooiden witten halskraag uitlichtte. Breede zag al dat volk neergezeten vóor hem, al die ruwe blonde zeemanskoppen, het blonde zijig zachte haar glad gestreken, met de uitstekende ooren naar links en rechts, struische nekken geplooid in rimpels lijk
bersten, gebronsd van zon - en al die zware hoofden waren deemoedig neergebogen terwijl de predikant op plechtigen ingetogen toon, stijf rechtop, de oogen steil vóor zich, met lange poozen tusschen elken volzin, het Vader-Ons voorbad. William keek peinzend rond: boven zijn hoofd de houten balken aan de zoldering; ginds het lage altaar waarboven een glasraam dat in schrille kleuren de Aanbidding der Wijzen voorstelde; een overgroote star zond gele stralen boven het groepje.
Een ander raam, links daarvan, verbeeldde een heilige dien hij herkende, den heiligen Olaf, met dat vreemde beest aan zijn voet, een poedel met een menschekop, of wat was het ook weer?..
De pastor daalde van den stoel. Het orgel speelde een zachte melodie, een psalm. Het maakte hem soezerig en het herinnerde hem heel zijn jeugd. Uit de kelen der zeelieden begonnen aarzelend klanken op te stijgen; eenige kinderen voegden er hun wankelende galmpjes tusschen; vrouwestemmen zacht als fluweel dreven nu en dan boven; de psalm gonsde door het tempeltje als een groot rustig water. Elke noot werd eerst door het orgel aangegeven, en in de kelen haperend en slepend schuchter nageprobeerd.
De koster, een oud man met een hoofd als een apostel, sprak eenige afscheidswoorden, en zonder gerucht, vol eerbied voor het huis, stond het volk op. Breede was een oogenblik zichzelf vergeten. Dwaas keek hij den stroom na, nam zijn pakje op en vertrok.
Buiten gekomen weigerden zijn beenen hem nog te dragen. Hij zou toch zoo ver niet te voet geraken. Aan een plein stonden rijtuigen, hij liet zich in een wagen vallen en reed naar het gasthuis, in een staat van verdooving, die een sluier trok tusschen heel de wereld en hem. Het kwam hem alleen voor of hij een pak wolken was, zonder herinnering noch gedachte.
Hij moest gaan liggen in een ruime ronde zaal, met langsheen
den muur niets dan een rij bedden, waarop door groote vensters een helder licht viel. Den eersten dag bleef hij bewusteloos liggen, zonder de kracht te hebben om waar te nemen wat om hem gebeurde. Hij lag daar nu op den rug uitgestrekt, het hoofd bleekgeel tegen het blanke oorkussen.
Den volgenden morgen keek hij rond. Naast hem links lag een man, mager als een geraamte, die gedurig benauwdheden had en hem met zijn verglaasde oogen altijd starlings aanstaarde. Aan de andere zijde, heel stil, een knaap met een doodsbleek gezichtje, die nooit een zucht noch een geluid gaf, als door het lijden bedwelmd, versuft. Verder in de zaal hoorde hij soms lachen en gedempte gesprekken. Er lag daar ook een neger, en de zieken uit de omliggende bedden vonden er genoegen in hem de eenige vlaamsche woorden die hij kende te doen praten, als een papegaai. Aan een tafeltje naast een bed zaten eenige oude rhumatische kereltjes met de kaarten te spelen.
Nu en dan kwamen er lieden binnen om een bloedverwant te bezoeken. Dan was het een gebabbel en een gefluister aan de sponde van den zieke, en al die moede oogen in de bedden waren met gretigheid op die gezonde vreemde gezichten gericht. De zieken keken ze nijdig aan, wrevelig, als om hun die brutale gezondheid te verwijten, ofwel met spot omdat die bezoekers er zoo bedremmeld en onhandig uitzagen. Soms was 't een vrouw met hare kinderen, die schuchter in de zaal traden, zich vastklampend aan moeders voorschoot; of een zware man, die met dreunende stappen voorbij de bedden ging, en terloops een medelijdenden blik op de zieken wierp. Die stoet van bezoekers was een verzet in de eentonigheid, maar na korten tijd werd het een vermoeinis en de meeste zieken vielen in slaap.
Zoo waren reeds eenige dagen voorbijgegaan. William lag steeds op den rug uitgestrekt, en, uit den staat van verdooving ontwaakt, druilde hij en zag onbepaald door het venster naar de
oneindige blauwe lucht en dacht wat alles daarbuiten gebeuren mocht. Dan viel zijn oog weer op den kleine naast hem, immer roerloos, doodsbleek en zonder een klacht - en op die lange rij witte bedden met die pijnlijke lichamen erin, en die ruizelende stilte van den namiddag nu...
Hij bedacht hoe hij hier in dit vreemde land, ver van alle bekenden, lag, en zoo kortgeleden nog midden in zee! Hoe lang zou 't wel duren? Hij dacht plotseling aan Elly. Wat mocht zij nu doen? Hij wist niets, hij zou van haar niets hooren, hij moest geduld hebben. En hoe zou het tehuis zijn? Als moeder hem niet zag afkomen, wat zou zij zich verbeelden? Hij wou er maar niet aan denken.
Tegen den avond werden de zieken onrustig; als aan éen kant der zaal gehoest werd, voelde er een aan het andere eind een gekrevel in de keel opkomen; het was zoo het pijnlijke half uur der schemering; dan krochten en kniesden zij, nu en dan steeg een diepe zucht of een verveelde geeuw omhoog van een die niet slapen kon.
De dokter deed zijn laatste ronde; een jonge man met een rood blij gezicht, altijd luimig te midden dier ellende waaraan men zich zoo spoedig went; hij tikte vertrouwelijk de zieken op den schouder, noemde hen bij hun voornamen, deed ze soms lachen, en ging dan, altijd even welgezind, weer weg.
Dagen en dagen ging dat zoo. Soms des avonds, bij somber weder, klonk het verre gebrom van een schip, of, als een noodkreet, het gegil der sirene. William hoorde dat veel scherper dan al de anderen en hij stelde zich levendig dat alles voor - de mist op het water, en die seinen welke hij verstond - hoor, dit was 't vaarwel van een schip dat vertrok - of een signaal van aankomst, of om baan te ruimen.
Half ingesluimerd wilde hij soms opstaan, en in het want klimmen, de touwen losmaken - zij waren in volle zee - het
schip waggelde en deinde met de baren, hij moest scheef geheld staan om in evenwicht te blijven - een groote baar sloeg over dek en veegde alles zuiver - aan de pompen! - opgelet, de commando's klonken kort en streng - en daar bewoog met groote rijzing en daling die eindelooze plas, met op de kammen der baren de smaragden phosphoorglanzen - en nu en dan wipten zonderlinge groote visschen boven de oppervlakte... zij gingen aankomen - ginds aan wal stond zijn moeder, dat kleine vernepen grijs vrouwke - en zijn zusterke - en zij ook, Elly, en haar kind, zijn kind!
Hij werd wakker en bleef dommelig peinzen. Altijd de zee en altijd ook zij in zijn droomen!
De Waldemar moest nu zeker al vertrokken zijn, - zonder hem. En opeens dacht hij dat nu een andere in zijn kooi zou liggen...
Allerlei havens spookten in zijn geest weder op en hij kwam er steeds in voor, onrustig en dolende, als een die, door geheime machten gestuwd, altijd zoekt, zoekt en nooit vindt...
Zoo bevolkte hij met zijn droomen de eenzaamheid dier lange bange nachten.
Allengs voelde hij beterschap. De pijn in de lenden verminderde, zijn lusteloosheid week bij poozen. Soms kon hij met oneindige wellust denken aan het water en aan het heerlijke van daar te drijven en gedurig nieuwe dingen te zien.
Daags ging hij somwijlen in den tuin wat wandelen tusschen de andere herstellenden, die in groepjes op en af gingen, hun hoofd met een witte muts bedekt.
Het werd hem blijde te moede als hij dacht aan de heerlijke dingen die hem weldra te wachten stonden - met wellust begon hij reeds te droomen van het uur dat hij zijn lief terug zou zien.
Na hun laatste gesprek had Richard zich eenige dagen niet laten zien. Elly kende reeds bij hem die donkere stemming welke regelmatig op zulk een onderhoud volgde en verontrustte er zich gewoonlijk niet te zeer over. Al die korte scheidingen, die mislukte pogingen om zich los te rukken, waren nochtans bitterder dan een beslissende scheuring, want telkens bleef er toch, diep in de ziel, een verdriet of een wrok hangen die hun leven vergalde. Zou het ditmaal de laatste keer zijn? vroegen zij zich iedermaal, en konden het geen van beiden gelooven. Den eersten dag, wanneer het besluit nog stevig in hem rechtstond, verbeet Richard de wanhoop en duwde stug elke gedachte aan haar weg. Maar des avonds, terwijl hij alleen door de straten liep, want tehuis hield hij het niet uit, herdacht hij tot de geringste bijzonderheid van het samen doorleefde. Hier hadden zij gewandeld, vóor dezen winkel gestaan, op deze plaats had hij haar afgewacht, aan gindschen hoek was zij hem eens onverwachts te gemoet gekomen. En telkens was dat een nieuwe weelde, een sprakeloos geluk geweest in die oogen te zien en die hand te omvatten. Gedurig meende hij haar fijne gestalte te ontwaren in de verte, en onweerstaanbaar aangetrokken, snelde hij er heen, gelukkig en verdrietig tegelijk daarna omdat zij 't niet was.
Na twee of drie dagen begon zijn wegblijven Elly te kwellen. Zij wilde toch weten of hij haar dien nacht bespied had, of hij waarlijk iets wist van 't gebeurde, en hoe het ook was, zóo toch mochten zij niet van elkaar gaan. Madame Matthijssen begon haar met verwondering te vragen hoe 't kwam dat ‘meneer’
zoo lang wegbleef, of hij soms ziek was; het verveelde haar en zij had met een uitvlucht geantwoord. Zij voelde zich plichtig en was bang hem onder de oogen te komen. Maar van uur tot uur werd haar verlangen en haar nieuwsgierigheid heviger, en den derden avond hield zij 't niet langer uit. Zij ging naar de straat waar hij woonde en zond een kind met een briefje naar zijn huis. Zij bleef kijken aan den hoek der straat en haar hart klopte van angstige verwachting. Om te beletten dat zijn familie iets merkte had zij doen zeggen dat een zijner vrienden hem wenschte te spreken. Dat dit argwaan wekken kon en zeker vreemd zou schijnen, kon haar niet schelen. Men mocht al vermoeden wat men wilde, als hij maar kwam, als hij maar kwam. Welke macht ter wereld vermocht iets tegen hun liefde? Zij had het kind kunnen omhelzen dat terugkeerde met het antwoord dat hij dadelijk ging komen, en schier dansend van geluk liep zij naar huis. Zij ontstak licht, de lamp met het lichtgroene scherm waarvan hij zoo hield, zette Samowar op en schikte alles netjes. Een korte zenuwachtige snok aan de bel rinkelde door het huis; zij hadde zijn manier onder duizende herkend; zij sprong op, rukte de deur open en wachtte hem reikhalzend, met blinkende oogen, af. Hij hing reeds aan haren hals. Zij spraken geen woord. Hij zoende haar in een knellende omhelzing, de oogen toe, met een pijnlijke uitdrukking op 't gelaat, van te groote schielijke vreugde. In de weeldepijn van dit weerzien was weder alles, alles vergeten... En nu mocht alles opnieuw beginnen - zooals 't altijd g