terug  begin  verderprepost
[p. 103]origineel

Zomernacht

 
In manelicht en schaduwzwart,
 
stil, lachen de velden mij liefde in 't hart
 
en teedere, teedere droomen.
 
De molen monkert op den dam
 
en kruinen zingen om den stam
 
van duizend sperreboomen.
 
 
 
De hemel is zoo blauw als uw oog
 
zoo rein als uw ziel en hoog, zoo hoog!
 
en o! ik wou er in vliegen!
 
Nu moet, nu moet een nachtegaal,
 
een helle, blijde nachtegaal,
 
mijn wilde weelde wiegen!
 
 
 
Nu moet het klinken uit elke sper
 
en helmen, helmen jubelend ver
 
tot aan uw huis in de delling.
 
Het geurt, het bloemt, het zomert in mij
 
en mijn kwelende ziel wil los en vrij
 
in een wonderwonnige welling.
[p. 104]origineel
 
Doe dicht uw venster, mijn zuster, mijn bruid!
 
Geen nachtegaal zingt en uw liefste is uit:
 
zijn voetstappen kunt gij niet hooren!
 
Mijn engel kusse uw oogen dicht
 
en fluistere u mijn liefdedicht
 
heel lijze, lijze in de ooren!
[p. 105]origineel

Herfstwee

 
In reke
 
langs de beke
 
en lijk bijeengevlucht,
 
vol schamelheid en schaamte,
 
geraamte bij geraamte,
 
de boomen in de schemerlucht.
 
Hoog rijzen ze in hun rildheid
 
die reuzen, bronzig-bruin,
 
en steken vol gestildheid,
 
lijk stommen, kruin bij kruin.
 
Hun breede voeten
 
duiken ze in het boordevolle bed
 
der beeweggaande wateren, die met
 
een lage trage zang, hun hooge smert verzoeten.
 
Grauw omendomme ligt de wee
 
die 's zomers groenegroeiend deinde
 
en zong gelijk een zachte zee,
 
geluidloos in een weedom zonder einde.
 
Geen kalfjes rond een luie koe
[p. 106]origineel
 
die hippewippend huppelen;
 
geen koeier kerft een wilgeroe
 
tot wissen en tot knuppelen.
 
Alleenig ligt het gers nu, moe
 
en tenden tot bestervens toe,
 
vol dikke matte druppelen.
 
En lijze, onhoorbaar haast,
 
doch zichtbaar aan den drijf der avonddoomen,
 
blaast
 
een doodenadem nog een looverke uit de boomen,
 
rolt het, glazig-nat en nersch,
 
al over 't streuvelende gers
 
tot in de biezen die de beek omzoomen
 
en laat het dan
 
gevallen van
 
het laagste lisch, heel langzaam boven 't water stroomen.
[p. 107]origineel

Driewielkarre

 
Een driewielkarre in drie wagenslagen:
 
Een aalbak er op en een boever er voor,
 
Een vos en een baai die steertevagen
 
Met ronkende dazen rond hun oor.
 
 
 
De speken kraken, de bossen piepen
 
En 't heele getrek verrollebokt
 
Al over den hoogen, al door den diepen,
 
Naar rechts en naar links geschud en geschokt.
 
 
 
De kantkorst valt gebrokkebrijzeld
 
Onder het wiel dat schuinende draait
 
En komt er weer uit gemalemijzeld
 
Tot zand dat wolkend den weg omwaait.
 
 
 
Steeds verder in 't breede spoor geschommeld
 
Doch zijlings op de barmen geschoord,
 
Put-in, put-uit, daar bommebommelt
 
De karre langs 't witte karierke voort.
[p. 108]origineel
 
Steeds verder: de peerden trekken trager;
 
Het piepend en kriepend gerucht verflauwt
 
En 't verre gevaarte wordt vager en vager,
 
Vernepen naarmate de weg vernauwt.
 
 
 
Waar zijn nu de boever die zat op den dissel,
 
De donkere baai en de glimmende vos,
 
De draaiende wielen en 't spekengewissel,
 
Het ronde beslag en de bultende bos?
 
 
 
Onzichtbaar, onhoorbaar gezakt en gezonken!
 
Alleen op den zonnigen zandweg blijft
 
Het logge karteel nog, zon-omblonken,
 
Dat slepend tusschen de gersen drijft.

René de Clercq.

prepostterug  begin  verder