[p. 109]
origineel
Najaar
Mijn moeizaam oogen staren naar het eind'
van 't zomerzijn, en wachten nu, - als een
die zijn geliefde wacht, waarvan alleen
het onbekende van haar liefd' hem pijnt, -
den naderenden herfst. Eén vrede-gaard
ligt ver voor mijn gezicht het avond-rood;
en late bloemen bloeien met den dood
van 't zomerzijn in kale najaarsaard.
O, lijk bij 't doodsbed eener Goede Vrouw,
die in haar zalig sterven ál heur leven
van edelheid, nog even openbaart,
ontvouwt zich zacht, in 't eindloos schemergrauw,
licht-paars gestraal dat op de weiden waart,
wijl d'avond-adem stil die pracht doet beven.
[p. 110]
origineel
Simpele Zangen
I
Wanneer de lichte lijnen van uw aangezicht
sereen bij 't kalme licht zich gaan ontvouwen,
en de avond jong om uwe leden ligt
gelijk een stille pracht van boomenschaûwen,
dan voel ik dra, hoe zacht naar mij getreên,
- wijl leed en onrust uit ons midden vliedt, -
uw teere stem, gelijk een neurie-lied
uit kindermond, blijft waren om me heen.
II
Ik hoor de woorden uwer simple jaren,
ik vind ze weer bij 't trage gaan der uren...
En zie, wijl zwaar de gele korenaren
stil hangen in de zoele zomervuren,
[p. 111]
origineel
en wachtend zijn om de oogen van den avond,
rust ik: 't is of er bloemen zacht ontluiken!...
Een jonge stemme zingt ginds achter luik en,
en 'k voel mijn ziel zich aan de hare laven!
III
Uw kussen bloeien op mijn bleek gelaat;
ik voel nu wie gij zijt, gij die gekomen
ter lichttijd van mijn éen'ge liefde, gaat
naar eeuw'ge vreugden die uw ziel doorstroomen.
Er is weer peis in u, en leedverlaten
gloren uw oogen als een tweelingvlam;
en wij, die als genoode vromen zaten,
wijl d'avond eindloos, bronsde stam bij stam,
bevroedden d'eenzaamheid die in ons kwam.
Ad. Herckenrath
.