terug  begin  verderprepost
[p. 112]origineel

De Organist

(Fragmenten)
I
 
Wat is 't me een zoet genoegen, dat
 
de ervaren hand de toetsen duwt
 
en over 't jubelend elpen blad
 
de volle jacht der klanken stuwt,
 
wanneer ik elke noot ontmoet,
 
met wissen slag op vaste maat,
 
op iedren klop van 't drijvend bloed
 
een toon van 't klankbord wederslaat.
 
 
 
Doch voller is 't genoegen, dat
 
mijn ziel met 't speeltuig samenzingt,
 
haar leven, - schuw geborgen schat -
 
in klanken naar mijn lippen dringt, -
 
dat forsch en lenig en gedwee
 
klinkt hoog en laag mijn stemgeluid
 
met zware en lichte noten meê
 
en boven 't dreunend orgel uit.
[p. 113]origineel
 
Hij spelen! - wien niet elk akkoord
 
van 't orgel in den gorgel springt,
 
die niet tot ieder menschlijk woord
 
de breede stem van 't orgel dwingt!
 
Hij zingen! - wien de stem beeft en
 
die zwak, of stram, of moegestreefd,
 
geen orgel in de keel heeft en
 
geen ziel, die in dat orgel leeft!
 
 
 
Vertrouwend laat ik 't speeltuig gaan,
 
in hope blij, in angsten bang,
 
triomfen dreunen, vreugde slaan
 
en liefde smelten in mijn zang.
 
Mijn voet is vast, mijn vingren snel,
 
en 'k weef om 't ruischend koorgewelf,
 
den luister van mijn orgelspel,
 
mijn zielespel.... mijn ziele zelf....
[p. 114]origineel
II
 
De boomen staan van bloesems vol,
 
van blaren vol en ronden
 
hun kruin, in 't wordend licht der zon
 
van morgendoom omwonden.
 
 
 
De boomen staan van klanken vol,
 
die spranklen, ongedwongen,
 
in 't feestlijk licht der groote zon,
 
van ratelende tongen.
 
 
 
Staat niet uw hart van liedren vol,
 
die vaak ter tonge u sprongen?
 
- Mijn hart heeft 't schoonste lied verkropt, -
 
en toch is 't leeggezongen...
[p. 115]origineel
III
 
Ik weet niet waar ik ga,
 
ik weet niet waar ik sta,
 
en waar ik waar en vaar
 
en angstig henenstaar,
 
waarheen mij feller sart
 
hoe lastiger het viel,
 
het jagen van mijn hart,
 
het smachten van mijn ziel.
 
 
 
Mijn ziel is moede en krank
 
en hoort geen stemmenklank,
 
en vindt geen vaste baan
 
in 't ijlend ommegaan,
 
en wentelt buiten 't spoor,
 
door 's Eeuwgen hand geleid,
 
gelijk een dwaalstèr door
 
de onpeilbare eeuwigheid.
 
 
 
Mijn God! erbarmen! God,
 
met dit ellendig lot,
 
en blusch dien stagen brand
 
van 't schroeiend ingewand.
 
Uit d'afgrond van de pijn,
 
waarin ik redloos viel,
 
ik roep u: rèd, red mijn
 
onsterfelijke ziel!
[p. 116]origineel
IV
 
Breeder, zwaarder stijgt, van onder
 
't hupplend spel der lichte noten,
 
als een stage en verre donder,
 
donkre diepte en nacht ontsproten.
 
Ei, wat naakt er?... Spranklend springt het,
 
naakt en deinst, in vleiend nokken.
 
Ziltig smaakt het, ziedend zingt het,
 
ruw doorwaait het mijne lokken.
 
't Is de Zee, de teere en trotsche,
 
met haar liefde- en weemoedszangen,
 
met haar rustloos golvenklotsen
 
en haar nooitvoldaan verlangen...
 
Rol, o Zee, uw breede baren
 
rustloos heen en weergedreven,
 
beurtlings òp- en afgevaren,
 
op den maatslag van het leven,
 
op den maatslag van het leven,
 
- 't Leven!.. òp- en afgevaren,
 
eeuwig heen en weergedreven
 
als uw rustelooze baren.
 
Eeuwig wentlend herbeginnen,
 
hoe 't ook pijn en stormen baarde!
[p. 117]origineel
 
Ongestadig in uw minnen,
 
wankt gij tusschen Maan en Aarde.
 
Zilvren zon in 't plechtig duister,
 
beeft heur glimmering op uw wateren;
 
opgetogen tot heur luister,
 
stuwt ge uw hijgend golvenklateren;
 
Onbewogen blikt de koele
 
roerloos neer op 't zwoegend smachten,
 
en daar ruischt uw zware en zwoele,
 
de eeuwge weeklacht door de nachten.
 
Trotsch ten hemel opgevaren,
 
van den hemel weergedreven,
 
komt ge in mate en glans bedaren
 
van uw heerlijk golvend leven,
 
en zoo naakt ge, - in minnesmerte
 
vleiend naar het strand gegleden, -
 
en verruklijk speelt de Verte
 
langs uw fijne oneindigheden....
 
Vruchtloos breidt ge om duin en rotsen
 
't zoet gefleem der liefdezangen....
 
En weer deint ge in stormend klotsen
 
en in nooitvoldaan verlangen.

Prosper van Langendonck.

prepostterug  begin  verder