DEN-DZUZE zijn wijf was nu dood.
En zij was nu begraven.
Mijnheer de paster was bij hem gekomen dezen vroegen morgen, en was nevens zijn bedde gaan staan, aan 't voeteinde.
Den-Dzuze, nog dronken van den langen zwaren nacht, werd subiet wakker en hij bekeek Mijnheer de paster, die zijnen hoed afnam en daar stond, met zijnen rooden kletskop, te glanzen in de uchtendzonne.
Mijnheer de paster zelve had het hem gezeid, dat zijn wijf dood was, en dat ze begraven was.
- Dat is allemaal waar, peinsde de oude vent, dat is geen muizenisse, maar de waarachtige waarheid is het.
En zijne oogen rolden ommentweer in hunne grauwe holten en zochten langs de eene en de andere zijde, en hij werd het met eens van binnen gewaar.
- Ze is dood, jongens, fluisterde hij.
De eenzaamheid kan bijwijlen voor eene menschenziele zoo seffens opengaan, als een koude donkere kelder.
Den-Dzuze voelde een traan opgaan in zijne oogen en hij begon permintelijk te weenen, want hij herdacht hoe alles gegaan was in zijn vroegeren tijd, hoe Zeeneken met hem over zijn veld had gestrompeld en geleden, zoo menige jaren, over 't zelfde veld, en hoe 't veld daar in den uitkomende te leven lag, en hoe Zeeneken dood was.
-En dat dees nu voor altijd zóo is, dat niemand daaraan kan helpen...
Hij begreep dat er een God zijn moest, en dat het best was, om minder te moeten strijden en beter te kunnen verdragen, om dank te zeggen en hulp af te smeeken. Het klaarde op in zijnen geest en hij bewees dat God bestond.
Maar, djeemenis! we kunnen wij wel een patodder malsch of drooge doen groeien, een druiver rechte doen gaan of slom; we kunnen wij wel een zieke genezen...
- De dood is buiten ons, en er zou moeten een hemel zijn meet eene schoone drijvuldigheid, als er geen is.
Er kwam een wolk vóór de zonne schuiven en een zachte lommer schemerde in de kamer. Men hoorde een teder windeken ruischend wandelen in de lucht, en langs de linden op 't vóórhof dolen en er zoet orgelmuziek in op doen gaan. Men hoorde het aanbeeld uit de smisse klinken en 't rotelen van ijzer. Boer Pycke's hond baste somtewijlen, en de hennen en de hanen deden mee aan 't lawaai van alle dagen.
Maar Den-Dzuze hoorde wel dat het Lente was.
Het begon precies te waaien in zijnen kop, zachtekens aan.
Geen gedachte kon hij omhooge houden - om en weer gingen vage gepeinzen in hem aan het wiegen.
Welk ure zou het zijn?
Hij dacht veel aan Zeeneken. Hij voelde alles om hem zoo breed en luchtig worden, als hij geheel en al weggeraakte in zijne mijmeringen. 't Was een veld, welriekend en zonnig - 't was eene wei, dampend in den morgend - 't was een hoveken met stokrozen en zonnebloemen en pronte palmstruiken - 't was een verre weg, met babbelende grachten en ronkende populieren - 't was schoon allentwege, tot het einde, alsof 't hem bijkans een paradijs scheen.
Hij had Zeeneken danig, danig lief.
- Zeeneken, ik zie u geerne...
Het was eene liefde van diepe vrede, van zekerheid, van groote beteekenis. Daar gingen zonnen op en de meerle zong, of dat sijsken piepte alweer, elken uchtend. En 's avonds stierf alle werk, alle moeheid uit, in eene altijd-zelve voldoening, tevreden, tevreden.
Hij bewerkte 't land. Hij werkte geerne in den uitkomende, als de asemkens van de lucht frisch zijn en deugd doen aan het lijf. 't Koren schoot op in weelde en loodrechte staken de scheuten uit als vliemkens boven de aarde. Hij maakte zuivere beddekens in zijnen hof en plantte groensels. Hij had daar veel lust in, en draaide om, en eromme draaide den grond, morzelde elk klontje, lei de voren heel proper naast de gespannen koorde, en allengskens lag daar 't schoon gekamde vierkant, schoon als een stil water. Hij bekeek dat nu lijk een troetelkind.
- Dzuze!
- Ik komme, wijf.
Hij ging in huis een pinte drinken. En de dag ging weg.
Met den oogst, was 't een ander slameur. Er zijn altemets wreede stonden in den brandenden dag, en de stoppels staan van tijd tusschen de ruischende schooven zoo woest roerloos... Hij slaafde veel, en Zeeneken ook, tot 't laatste tarweaarken binnen was.
De patodders moeten uit en 't loof gezaaid, en later, in den koude, de beteraven naar huis. 't Regende en 't winterde. Hij vond het zoete bij Zeeneken.
Hij kwam dan meteens terug uit het verleden, met een grooten schok die hem machteloos uitstrekte.
Hij zag de eikenzoldering met de kromme balken en de knoopen van het hout die hier en daar vlugge menschengezichten werden en menschenoogen, verwonderlijk. Hij bekeek de muren,
witgekalkt, met, langs het venster, eene zonderlinge scheur, en dichte bij het bed, bruine vlekken, vuile wolken.
- 't Zou dees jare moeten herwit worden.
Aan den anderen kant hingen zijne kleeren, zijne zondagskleeren en zijn weekveste, zijn kiel, zijne twee broeken, eene diemiten en eene fluweelen. En daaronder, op den somberen koffer, zijne twee klakken, eene lakene en eene zijden, die hij schoon meende. Op de schouw, onder hooge glazen deksels stonden de dierbare bloempotten, die zijne tante eens had medegebracht.
- 't Was Zeeneken hare tante. 't Zijn blommen van weerde.
Zij waren van goud en van zilver, van peerlen, van glanzend rood en teer blauw. Zóó lange stonden zij daar en dof waren ze geworden.
Den-Dzuze keek er naar en vond ze nog even schoon.
- Onze Lieve Vrouwe hebben ze weggenomen.
Onze Lieve Vrouw stond in de voorkamer misschien, waar Zeeneken gelegen had.
Zou er toch ievers eene Lieve Vrouwe zijn, zoo zachte en lieftallig en goed van gepeinzen? Als hij zijne oogen dicht deed, kon hij Onze Lieve Vrouwe zien. 't Was eene oude gewoonte, 's avonds. Moeder zaliger had hem dat geleerd. ‘Zoo ziet men ze, had moeder gezeid, nijp uwe oogen toe, jongen, zij komt dan bij brave kinderen.’ Hij deed dat nu nog; hij had dat zestig jaar lang gedaan... In de duisternis, zoo heel alleene met hunzelven, blijven de groote menschen dikwijls nog kleine kinderen. En dat vond hij erg buitengewoon, nu, en onbegrijpelijk. Hij neep zijne oogen toe en zag Onze Lieve Vrouwe.
- Zeeneken is toch dood, meende hij.....
Hij werd moe.
Hij voelde van tijd zoele warmten opkomen in hem, en hij
begon te zweeten, maar seffens had hij terug kou en hij dook zijne kneukerige handen onder de sargie.
Boven de deur, op eene plank, stonden eenige doozen. Hij keek er naar, bijkans met belangstelling. Zeeneken's kappen en mutsen lagen daarin; dáar hare zondagskap, met roode rozen en schoone zwarte blonde erover hangen, en dáar hare weekdaagsche, eenvoudige muts met donkere strikken, en dáar hare net-gepijpte witte kap, en dáar, die andere. Zij had veel kleeren. Zij was van goed-gelegen menschen. De kleerkasse, nevens 't venster, stak vol rokken, en onderrokken, en twee wijde kerkmantels, en dan nog een gebloemde katoenen kerkmantel - hij zag haar geerne daarmee waaien over 't groene kerkhof in den zomer - en schoone lijvekens, en onderlijvekens, en linten en borduursels.
- Dees huis is ook van haar. Dees bedde is van mij. Ik heb de meubels gegeven.
Hij hield zich met alles zoo bezig.
Altemets werd zijn hoofd gansch leeg en dan rustte hij, en dan zag hij er zoo bleek en leelijk uit.
En 't duurde niet lang en hij keek weeral op, keek hier en daar en zag veel in 't kleinste ding, een innig stuk van 't verleden, en hij verwonderde er zich over, dat hij dat nu allemaal zag, en dat hij er zoo vol van was, van 't kleinste ding.
Een bijken kwam tegen de ruiten botsen en ronkte en waggelde zoevend erlangs. Hij zag de beeste zich weeren te vergeefs en altijd maar ploffen tegen den onzichtbaren hinderpaal, na een stonde rap neerzijgen, langshenen de gladde vlakte, en een tijd lang tusschen twee bobijntjes, die op 't raam stonden naast een vingerhoed, blijven zitten. Hij zag ze terug opgaan, nu kruipend, en hare pootjes gaan, onzeker op 't glibberig pad, dan weer vliegen, lomp en hardnekkig, en al de andere kleine vliegskens wegjagen, verwild.
De zonne schoot met eens binnen.
Den-Dzuze zijne oogen vielen bibberend toe en het scheen alsof hij van eenen hoogen toren neerstortte, door de leegte, en het lange duurde, en hij lag daarna seffens zweetend onder die heete sargie.
Hij bleef zoo. Hij sliep bijna in. Hij hoorde het bijken ronken en stooten tegen de ruit, stilblijven en weer zoevend opgaan.
- Nu ligt het naast de bobijne, naast den vingerhoed, nu waggelt het hooge, nu botst het in een hoeksken....
Hij raadde dat zoo.
Stilaan werd alles meer kalm in hem, en hij zag zooveel niet meer en hij werd de zonne gewoon. Hij riep of Dolf komen zou.
- Kom toch eens jongen, riep hij.
't Was precies alsof hij schrik kreeg, alleen, naarmate hij riep.
- Dolf!
Hij hoorde in de voorkamer een stoel schuiven over den vloer. Dolf kwam stillekens binnen.
- Vader, ge moet rustig blijven.
- Jongen, ik trek eruit; ik ben genezen; ik ben aan het beteren.
Hij was verwonderd dat Dolf voor hem stond lijk altijd, alsof Zeeneken niet dood was. Hij zei daar iets van, maar Dolf bad dat hij zou zwijgen.
- God hebbe hare ziele, sprak hij, maar gij moet blijven liggen.
- Is Mijnheer de pastoor al weg?
- Ja, en hij heeft het ook gezeid. Ge moet blijven liggen.
- Hij heeft het ook gezeid?
Hij bleef. Hij voelde zich ziek.
Hij sloot zijne oogen.
- Geef de beesten te eten, Dolf, prevelde hij.
En het begon opnieuw te waaien in zijnen kop, zachtekens aan.
(Uit: het Populierken op den Heuvel)
Herman Teirlinck.