VEEL meer dan men verwachten zou van een werk dat de vrucht is van achttien jaren, maakt dit boek indruk door zijne eenheid. Gedicht sluit aan gedicht tot éenen zang van het leven zooals dit door de wisseling der episoden heen, zijn doel toestreeft. Weinig verzen staan daar buiten als uitingen van eene fantasie die zichzelve geniet. De innerlijke toon die van mensch tot mensch aangrijpt en overtuigt treft ons aanstonds, doch 't breede ruischen van den zang sleept ons gemoed eerst mee, wanneer wij in het menschenleven gaan dalen dat den dichter de soms nog levensweeke stof bood tot zijn werk. Wel waarschuwt hij:
Doch voelen wij in ons de volheid van deze verzen zwellen, worden wij bewust dat geen simpel klagen om passief leed zulke ruimte kan vervullen, dan is 't ons als hoorden wij den verren
kreet van een ziel in den kamp voor het recht op haar eigen zijn, die groote oneindigheid met hare onberekenbare stormen en haar heerlijk voorspellende sterren. De kern van zijn wezen heeft de dichter blootgelegd in de reeks gedichten ‘Beatrice’. Erkent die Beatrice en gij blikt in de verten waaruit de passieluide stem des dichters komt. Beatrice! Heerlijke en zoete naam, den dichter toegeruischt uit de bekoorlijkheden der Vita Nuova en de glorie der Goddelijke Komedie. Evenmin als bij Dante is Beatrice hier eene vleeschgewordene abstractie of het vergoddelijkt evenbeeld van eene aardsche verschijning. Beatrice ìs. Beatrice is geest. Beatrice heeft eigen vorm, heeft eigen leven. Trachten wij haar te naderen. Om denken en gevoelen ligt doorzichtig en gesmijdig de bewustheid van ons zijn. 't Wordt ons openbaar hoe dit zijn afhankelijk is van machten, die het boven trots en gena, stom en eenzaam beheerschen. Doch tusschen hen en ons zweeft zij, Beatrice; zij leest op hun onbegrijpelijke gelaten het gebod en brengt het ons, voor menschen thans verstaanbaar, in haar eeuwigschoone oogen, mild of streng, al naar wij het verdienen; want zij, zij mint ons waar en eenig. Het staat in ons gegroeid: zij alleen weet.
Ja, trotsch en niet liefdemachtig genoeg, keeren wij ons van haar af en zonder verder naar haar om te zien, gelijk wij het durven doen met menschen van wier genegenheid wij zeker zijn, gaan wij onzen ‘eigen weg’, tot wij eens gewaar worden, hoe erg onze wijsheid ons in de war bracht; en dan weer uit de eenzaamheid van onze ellende verlangen wij naar haar, de ware, dat zij ons den weg wijze:
Kon de sterveling Dante haar een schooner naam geven dan die van zijne Beatrice, die hij zoo lief had gehad en die gestorven was? Aan den geest, dien hij dankbaar erkend had, schonk hij het kleed zijner liefde; en toen werd zij zijne Liefde, Beatrice, het verbindende tusschen het eindige en het oneindige, het tijdelijke en het eeuwige, bemiddelend en openbarend in den opstand van het menschelijke tegen het goddelijke. Die opstand en hare liefde is gansch de nood van het menschelijk bewustzijn; en dit is ook, in zangen en sonnetten, de inhoud van het boek van Prosper Van Langendonck.
Waar leidde dan die eigen weg, den dichter? Waar wilde hij heen, eer hij in de manende en verlokkende stem gansch gelooven kon, eer hij haar, Beatrice, als louter geest erkend had, als de gansche waarheid? Zie, voor hem, voor zijn trilstrak gespannen zinnen ligt wijd open een aarde zoo frisch en zoo nieuw als pas voor hem geschapen.
Wat is onmogelijk in 't gevoel van die macht van vreugde? Ja, de zaligheid zelve, volkomen evenwicht van nimmer voldaan verlangen en immer genieten, ligt ze daar niet voor 't grijpen? Zie, als de schitterendste aller aardsche bekoringen nadert de liefde; o zij is die zaligheid! Doorbreken niet hare stralen verten die zelfs zijn ongehoord verlangen niet doorpeilen kan? Schiet niet langs zijn hart, het onverzadelijke nochtans, 't genot zoo overvloedig dat het er schier in te verstikken meent? Ja, zij is het, de liefde waarnaar 't verlangen ging, zwelgend nu in 't wiegewagen der voldoening. Beatrice is op aarde gedaald, Beatrice is vrouw, Beatrice is de zijne. Later zal het nog klinken als een herinnering uit dien jubeltijd:
als een herinnering gedempt, met woorden, die niet haar, der schitterende, gewijd zijn; want ja, ook zij, zij faalde. Gelukkig of ongelukkig, al naar het noodlot, het toeval, de wisselvalligheden, of wat het ook zij wat het leven meebracht, ook de liefde faalt; zij is
het voorbijgaande, zij heeft geen deel aan het eeuwige. Beatrice, een poos zoo aardsch bekoorlijk nabij, lachend van gulheid in zijn armen, is weer teruggekeerd daar waar geen strekkende armen, geen brandende lippen haar bereiken kunnen. Gelukkig dan, wanneer de liefde de passie doorgetogen, tot wijde melancholie vergleden is. Doch werd ze door 't leven geknakt, vóor ze heur gansche pracht genieten mocht, gaat zij verminkt, in schuw verheelde smart, haar wonden stillen, dan zal 't herrezen verlangen niet alleen trillen van den weemoed, maar ook van de wanhoop van het onmogelijke:
Zoo zal de dichter, wanneer in 't stil gevallen leven, weer 't verlangen hoorbaar in zijn borst klopt, om de verre Beatrice doen schijnen herinnering van stil geluk en rust en genoten passie en schoonheid:
of uit verbittering en smart om menschen en om dingen, naar haar strenge schoonheid de armen strekken als de alleenige hoop en uitkomst:
Gij, de Eenige! Van uit zijn onvolledig leven ziet hij haar, ongetooid, in den ernst van haar maagdelijke schoonheid met meer waarheid, dan door den weemoed van genoten geluk. En zij is geest en... de eenige! Een geest, onvatbaar en onaardsch, alleen is wezenlijk, ìs? En de aardsche paradijzen waarin hij zou gaan door een damp van geluk, illusie? En de liefde? Ook maar een surrogaat voor 't jeugdig, overhaastig willen? Tegen zulke een onrechtvaardigheid raakt heel ons lichaam in oproer. Dus, ik moet mijn armen tegen mijn lijf wringen en berusten? Enkel in berusting is rust te vinden? Dan liever geen rust. En om het toch nimmermeer te smachten verlangen, loeit de opstand:
of met geweld de luide waarheid vertrappend, zal de dichter in hoogmoed rijzen, met hen allen, zij uit het leven en zij uit den geest, bedwongen onder zijn voeten:
Doch passie en smart en verlangen zijn onbetrouwbare karyatiden. Zij hebben hun eigen leven; zij schikken zich ongewillig naar menschelijk gebod, en schudden 't gebouw neer, zoo 't hun behaagt:
Onvoldoende is de troost uit het zwakke bewustzijn der waarheid:
Weer verkrimpt dat menschenhart van wanhoop en angst; 't breekt uit in wanhoop, dreigend van haat en onmacht; 't zucht van rustverlangen, en 't rust in stil betrachten van een verengd leven, met de smart, als een doorn in het hart vergroeid:
Kunnen wij dan gelooven aan deze van ijlte wankele woorden:
Beatrice is de vorm, dien de meer voorgevoelende dan denkend erkennende jongeling schonk aan den menschelijken geest die handelt en beveelt volgens de bewuste of niet bewuste aandrijvingen van het menschenleven; zelfs door het verwarde en veelzijds bepaalde van zijn streven gevoelt hij haar als de wet van zijn leven. Die geest kenschetst nog het best den primaat, Homo Sapiens, die met de andere levende wezens, andere vormen der bedrijvigheid of der stof, in den tijd, die de eeuwigheid, en in de ruimte, die het oneindige is, te wezen hangt. Welk ook de oorsprong van dien geest zij, in hem voelen wij ons het meest den aard onzer soort nabij, het meest mensch; aan zijnen aard, in de mate dat hij ons met zijne strenge bekoorlijkheid aangegrepen heeft, willen wij ons weten, ons voelen en ons gelooven gelijk maken. Deze waarheid schiet overal door: dáár eerst vinden wij rust en vrijheid. Alle menschen, met min of meer kunnen, min of meer lijden, streven er naar. Geen gemeenschap van kunstenaars en wijzen drong zoo ver als eens de Grieksche. In alle tijden, allen vooraan, worstelen profeten en kunstenaars; de eenen, sprekende de woorden van binnen vernomen, de anderen, trachtende het wezen van den geest zoo volkomen mogelijk te openbaren in beelden uit gelooven, denken en zinnelijkheid.
Wij hebben gezien dat bij Van Langendonck de gewaarwordingen zelve uit dit worstelen de stof boden tot zijn kunstwerk. Bij eenige der meeste essentieele kunstenaars, niet bij allen, is dit ook zoo:
Stonden niet zoo, beefden en weken niet Dante, Michelangelo, Beethoven, de wilsbewuste zangers van het menschgeestelijke?
Hoe hard onzen dichter dit ontembaar trachten naar het leven in eene vergeestigde wereld viel, hebben wij uit den toon en den inhoud zijner verzen kunnen vernemen. Door omgeving, overlevering, eigen natuur heen zocht hij den geest, en bracht hem 't zijne. Ook door zijn godsdienst, - had deze niet het kiesche weten kunnen zijn van wat de menschen hebben ervaren van den geest? - ook door zijn godsdienst met zijn erfzonde, die een uit heerschzucht verkerkscht Christendom, van de menschen niet wou wegnemen, moest hij naar een God trachten, die naar den geest is.
Hoort hoe hij het leven, dat wij en hij toch zijn, in een vroeger gedicht, ‘Metempsychose’ lastert:
Doch later brak ook hier, met eeuwige gezondheid, 't onstuimig verlangen naar eene mogelijke volkomenheid door:
naar het lichtere, nog even wat ongerust bewogene:
Zoo is dit boek verzen de belijdenis van eene menschenziel die van den beginne af zichzelve in onomwonden waarheid wilde gevoelen. Reeds het eerste gedicht, ‘Ideaal’ van den twintigjarigen, drukt dit verlangen uit, trouwens nog in nagesproken litteratuur. En meer en meer voelen wij hoe hij die vergeestelijkte wereld nadert; stralen treffen ons hier en daar; soms is 't ons in de starre duisternis als dreef er daarboven toch een schijn; lichter wordt het, en bij de laatste gedichten straalt de zon op ons uit den blauwen, lichtbewolkten hemel. In zijn opborlende lyriek geeft ‘Op de Hoogte’ de vreugde weer van den dichter die nu gansch zijne wereld heeft kunnen samenpakken in zijn vuist en oplichten, om ze in de zon van zijnen geest te doen ontstralen. Nu eerst is hij ‘meester van 't Heelal’. Toen werd hem ook bewust dat de menschengeest geen verzaken eischt, geen verloochenen gedoogt. Neen, er is geen vijandschap tusschen hemel en aarde.
Hoe hebben ze u miskend, geest van den mensch, geest van de menschheid, zij, die in uw naam eischten, dat wij het diep onbegrepene uit ons zouden verdrijven, tot zij het, broksgewijs verklaard, ons in scherven zouden teruggeven! Neen, trots misbruikte wetenschap staat het in ons, een en algeheel, ontlast van half doorroeste boeien, gereinigd van afgoderij, zich zelf ten vrijen doele en in zijn diep gevoelden zin in waarheid ontzien en vereerd. De wetenschap, had u met haar rasschen gang overrompeld, en 't getuigt niet voor uw denkvermogen dat ge schielijk meendet dat het ei wijzer was dan de hen.
En zij, o ze azen op ons geluk, die u uw liefste, uw gezondste kind, mijn edele zinnelijkheid met listige woorden ontsjacheren wilden. Ze is uit den booze, glibbert het over hun lippen, verban haar, vloek haar, ze is onrein! En hun zielen zakken weg voor
haar argelooze zonnige naaktheid. Ze durven niet dat lichaam zien, onsterfelijk van zuiverheid, niet in haar oogen den glans der aan God rakende ziel, en om haar niet slaan, bei hun armen, tot heel hun lichaam openrilt voor uw zalige nabijheid, o mijn goede geest!
Dit spannen van zijn innerlijke snaren tot enharmonie met den geest geeft aan ieder mensch zijn eigen toon. Doch de kunstenaar heeft niet genoeg aan die beweging van binnen, aan dit verheffen van zijn wereld tot den geest: lief en leed, slag en knak, hoop en haat uit zijn opgang, moed- of weemoedsvol berusten in de schemering van den dag die aanbreekt over zijn vergeestigde wereld, dat alles verlangt hij voor zich en voor anderen in zinnelijk waarneembare vormen te openbaren. Ook voor anderen: geen enkel mensch waarschijnlijk, hoe neergeperst door ellende, hoe hopeloos gedoemd tot winstbejag, hoe geesteloos zijn dagen verijdeltuitend, die niet een enkele maal in zijn leven de kunst heeft voelen door zich gaan, niet als meldde zij hem het doel des levens, want wie weet daarvan, doch als bracht zij iets mee van de geurige bloemen uit den tuin, waarlangs zij was gegaan, en waarin zij zoo verlangend uitgekeken had naar dat doel. In het woord, waarnaar zijn physiologische aanleg hem grijpen deed, en zooals volk en letteren het overgeleverd hebben, wil de dichter zijn aandoeningen blijvende doen trillen. En hierom is hij dichter: dat uit die behoefte en een biologisch niet nader te bepalen aanleg, schoone vormen in hem ontstaan, waarin hij klanken en beelden invatten kan, die met den schoonheidsvorm, den toon naar buiten dragen van zijne innerlijke ontroering. Het woord, door zijn medemenschen voor hun doeleinden bedwongen, zal reeds min of meer vaardig zijn voor zijn uitingsbehoeften, naarmate
zijn eigen trachten min of meer overeenkomt met dat van een voorgaand geslacht of van tijdgenooten. Stelt evenwel zijn geest, als deel van een volks-, ras- of wereldgeest, nieuwe eischen, dan valt de opleiding van het woord tot een gedweeë, lenige stof, die gereedelijk inspringt om in klank en beeld 't oorspronkelijk visioen te verwerkelijken, min of meer zwaar, volgens kracht en aanleg. Hier in Vlaanderen komen er nog bizondere belemmerende omstandigheden bij: onverschilligheid van de omgeving voor geestesarbeid en vooral eene onvlaamsche, ja antivlaamsche opleiding. De europeesche bewegingen van het laatste kwart der vorige eeuw vonden den vlaamschen woordkunstenaar onvoorbereid: 't instrument van zijn taal lag half ontsnaard en vermolmd ergens op den zolder. Voor zijn wereldideeën vond hij eene rijke reeks min of meer verbasterde en verarmde dialekten. De eersten, van vóor '80, die dit nieuwe wilden zeggen, schreven daarom ook maar eenvoudig Fransch, de taal der beschaafden en de voertaal in de scholen; met eenige Walen stichtten zij ‘La Jeune Belgique’. Doch zat bij enkelen, Van Langendonck is een van hen, 't gevoel voor taal en stam zoo vast, dat zij 't hooger achtten, in het Vlaamsch te wroeten, dan te prijken in het Fransch. Gedichten van Albrecht Rodenbach en ‘De Strijd’ van Van Langendonck kunnen ook niet- Flaminganten de ethische waarde van dezen kamp om herwording doen gevoelen. Na '80, kwam achter deze eersten, eene gestadig aangroeiende bent jongeren op, die niet alleen een dillettantisch terugwinnen van 't Vlaamsch voor de letterkunst beoogen, maar bewust werken aan 't vernederlandschen van wetenschap en samenleving, omdat ze in 't vlaamsche land, weer degelijk vlaamsche lucht willen ademen.
Laten wij nagaan hoe Van Langendonck het ruwe erts, dat hij in zijn land vond, zuiverde tot het gesmijdige en klinkende metaal, dat hij wou plooien met zijn handen, nog lang onzeker door 't rusteloos verlangen. De beide eerste gedichten, ‘Ideaal’, wijzen
reeds duidelijk in de richting waar de gedachten van den dichter heenwillen. Dat iemand als Van Langendonck, met zijn aanleg en zijn doel, nog geen twintig jaar geleden zulke verzen schreef, dat alleen is een bewijs hoe dringend hervorming noodig was; hier rammelen rhetorikale uitdrukkingen nog in alexandrijnen, als droge erwten in een papieren zak. Hoe gauw Van Langendonck 't onorganische van dezen vorm gevoelde, bewijst een sonnet uit hetzelfde jaar '83, Circe:
Wellicht zal dit sonnet heden minder treffen; sinds zijn zooveel mooie verzen in Nederland ontstaan, dat maar weinig enkele boven den glanzenden hoop uitschitteren; doch voor ons heeft het die blijvende beteekenis dat het vóor het oprichten van den Nieuwen Gids, met gedachte, snedigheid van uitdrukking en vastheid van vorm beslist de nieuwe baan inslaat.
In dit eerste tijdperk, dat tot rond '92 gaat, tracht Van Lan-
gendonck het woord uit de provinciale zelfgenoegzaamheid rond hem daarbuiten, naar zijn stille, innerlijk brandende wereld te leiden. Reeds treffen verzen en gedichten: zoo is de weeklank van het onware a ‘Metempsychose’ bijna overtuigend volgehouden; de eerste stroof van ‘Hannibal’ is even plastisch als ‘Circe’; en vooral ‘Naar Linkebeek’ brengt ons op zijn rhythmen in de vredige stemming, waar aarde en ziel elkander ontmoeten en begroeten:
Voor de eerste maal klinkt van binnen naar buiten, met den toon den dichter alleen eigen, het sonnet ‘'k Heb u in smart gebaard’, en voller, met rijke begeleiding van klokkenspel en lichtgestraal, in ‘Schepping’, een der beteekenisvolste en ook een der schoonste gedichten uit het boek, vooral in de twee eerste strofen en in de laatste. Meer en meer dringt licht door den grijzen, ten laatste heel fijnen nevel waarachter de aandoening zich soms weiger verborgen houdt. Doch reeds vóór ‘Beatrice’ is hij gansch doorbroken; in ‘De Gouden Vloot’ is de aandoening zonder rest in klare schoonheid opgegaan.
Wat ‘Beatrice’ voor ons en voor den dichter beteekent, hebben wij vroeger reeds gezien. ‘Fragmenten’ noemt het de dichter. Toch vormen zij een geheel, of liever een afgeknot geheel, zooals het levensmoment, dat zij verbeelden, het medebracht.
Een der onmiddellijk volgende sonnetten ‘En verre tochten gaan’ is door het heftige van zijn beweging eene uitzondering in
het werk van Van Langendonck; het is een van zijn best geslaagde gedichten, en tevens een der schoonste van onze letterkunde. Als een kreet aan 't menschenhart ontsprongen jaagt het naar het einde, in 't hulpelooze menschzijn. Het is hetzelfde thema als in ‘Metempsychose’. Doch hoeveel waarder hier. Geen van buiten opgeladen vloek meer die ons tergt. Zooals wij geboren zijn, met vleesch en bloed en ziel, zoo lijden wij door 't leven; niemand heeft schuld daaraan, niemand buiten ons kàn en màg ons van het lijden ontlasten. Wij, in ons eigen, moeten trachten de wet van het leven te erkennen en ze in ons verwezenlijken zoo ver 't in onze macht is. Dit sonnet is in een zelfden adem, 't erkennen van die wet en een, o zoo menschelijke opstand tegen haren dwang. Uit een gewoel van beelden, die kaleïdoskopisch afwisselen, schreeuwt het hart zijn nood naar buiten en krimpt weer in, schokkend van de hevigheid:
De verzen van '93 tot '96 zijn de somberste uit dit boek. Het is begrijpelijk dat menigeen ze te zwaarmoedig vindt, zooals 't natuurlijk is dat niet aan eenieder 't zelfde passievermogen gegeven is. Wie deze verzen niet kan lezen en zwijgende gevoelen, late den inhoud onverlet, want hier is de inhoud zoo opgegaan in den vorm, dat deze gansch de inhoud is. Hier weten wij niet van die negatieve zwaarmoedigheid, want de kunst die ze draagt is vastschrijdende werkelijkheid. Dat die kunst op zich zelve ons zooveel menschelijks, en dit zoo onmiddellijk zeggen kan, is haar hoogste eer en waarborg van den adel van haar oorsprong.
In een gedicht van later ‘Stijgend langs Sinte-Goedelekerk’ roert nog eens al die passie op in enkele strofen die scherp ineenslaan.
Het is kenmerkend voor Van Langendonck's beheersching van de taal, dat nu, bij een ganschen omkeer in de wereld zijner gewaarwordingen, hem het woord even gedienstig is, ja nog gladder schijnt toe te vloeien, om zijn lichte, fijn trillende aandoeningen in den dag te doen blinken of om zijn vreugdige gevoelens wapperend mee te nemen. 't Volmaaktste in dit opzicht zijn de twee eerste strofen van ‘Langs de Nethe’: klank van klinkers en medeklinkers, alliteraties, stille zingzang van den rhythmus, herhaling van klanken, pleonasmen, beteekenis van woorden zuiver uitgebruikt, beelden 't fijne landschap en den fijnen geest.
Het boek eindigt met den jubelkreet ‘Op de Hoogte’; als kracht van zegging gaat het mee met de beste hierboven vermelde stukken, en 't overtreft ze alle door zijn overstortende lyriek. Het is het laatste van het boek, maar 't opent een nieuw tijdperk voor den dichter; verzen, onlangs in dit tijdschrift verschenen, geven de maat van zijn kunnen dat thans volte van woord en innerlijken drang beheerscht.
Alfred Hegenscheidt.