DE titel van dit boek zegt ons reeds aan welke indrukken het in hoofdzaak het aanzijn te danken heeft. De muziek, meer bepaaldelijk de moderne instrumentaalmuziek was den dichter niet alleen de geliefde opvoedster, maar menigwerf ook voorwerp van zijne dichtende bewondering. Daarin lag een gevaar voor den kweekeling. Aan geen andere kunst is de dichtkunst zoozeer verwant als aan de muziek. Met de andere kunsten trokken zij uit van den menschengeest, gene naar buiten, zij beide naar binnen. Een tijd lang gingen zij samen het woord, het beeld der gedachte, verrijkend met den toon, trilling van de ontroering; maar de dichtkunst zag uit naar de hoogten der zonnige gedachte en voelde zich belemmerd door den donkeren drang van hare zuster. Zij scheidden toen, en slechts terloops sinds, komt de eene, nog de andere ter hulp, als oude kennissen doen, die elkaar nog eens gaarne van dienst zijn, doch nu wel bewust, dat in zulk geval, de hulpvragende haar eigen doel beoogt. De muziek had lang nog haar zuster noodig, en 't is eerst sinds een tweetal eeuwen dat ook zij het waagt aan het verlangen te voldoen den eenzamen tocht aan te gaan, naar de diepten onzer zielen waar onbewustheden roeren die zij zich geroepen voelt in schoonheid te bepalen. Zoo ontstond de moderne instrumentaal-
muziek die met de onstoffelijke klanken en klankenkleuren en de graag verglijdende akkoorden van het modern orkest letterlijk in het stoffelooze zwelgt. Heeft zij met Beethoven den grond bereikt van haar uitdrukkingsvermogen of wacht zij dat het leven nieuwe schachten opendelft om dieper te dalen? Beethoven, die met zijn maatloos verlangen van uit de diepte nog wilde dat de muziek den man vuur uit den geest zou slaan, trachtte naar het onmogelijke; met de enkele macht der muziek wilde hij dat volbrengen wat alleen aan het geduldige leven voorbehouden is. In zijn laatste kwartetten schampt hij soms hard af op den harden grond. Het is het wonderbaarste in dezen vermetelen mensch, dat hij dit ongedeerd kon wagen. Die verder wilden, na hem, sloten voorzichtiger bij zijn negende symphonie aan en bonden weer aan de muziek het zeggende woord; zoo ontstonden het muziekaal drama van Wagner en de programmamuziek van Liszt en de modernen. Blijft Wagner bijna overal muzikaal, de modernen zijn het slechts bij toeval. Zij brachten het tot beschrijvende en zelfs philosopheerende muziek, dat wil zeggen zij gingen zich te buiten aan den aard en aan de macht der muziek. Nu loopt de muziekminnende dichter gevaar een dergelijken misslag te begaan in de tegenovergestelde richting: werden zij litterair muzikaal, hij voelt zich zeer geneigd met zijne kunst de overweldigende bijzondere macht der muziek te evenaren. Zoodoende zal hij noodzakelijk de dichtkunst misbruiken. Indien hij met de middelen der dichtkunst, sylbenklank en -val, woorden en beelden, muziekale akkoorden wil weergeven, en daarmee letterlijk het onbepaalde schoone uit het gebied der muziek, dan misbruikt hij die middelen; hij verlaagt hen tot onbeholpen stumperds die aamechtig het machtige heer der klanken nahinken. Lambrechts, door de muziek overweldigd, grijpt om haar na te zingen, naar wat zijn aanleg hem het snelst aan de hand gaf, naar zijn beeldenvoorraad. Zoo omschrijft hij een Largo van Brahms:
Wil ik die beelden zien, en dáarvoor zijn beelden immers daar, dan gaat mijn hoofd zinneloos aan 't kaleidoskopeeren. Doch dat heeft de schrijver niet bedoeld; hij wil dat wij bij het lezen enkel door eene vage, algemeene tint van elk beeld, snel door eene volgende gedekt, tot den indruk komen die de muziek in hem gewekt heeft. Elk beeld werkt als een groep akkoorden en moet enkel muziekaal gevoeld worden. Zeker is er iets gekomen van den gewilden indruk, maar ten koste van welke pijnlijke en vermoeiende opstapeling van ten uiterste gespannen beelden; natuurlijk zal dan nog de indruk beneden dien van het muziekale voorbeeld blijven. Dat kon niet anders. Wel beschikt de taal over enkele, zeer enkele, zuiver muziekale uitdrukkingsmiddelen: zij zijn beperkt tot een paar klanken van klinkers en de doffe medeklinkers; wel kan, en is ook menigmaal daarvan een gelukkig gebruik gemaakt om een uiterlijk zuiver muziekaal effekt te bereiken; maar de hoogere toon van zulke effekten blijkt enkel uit tegenstelling met de meer gedempte muziek der woorden, de doorgaande welluidendheid die trouwens evenzeer een vereischte der taal als der toonmuziek is. Dit effekt is dan ook maar eene versiering van de daaronder voortrollende beelden en gedachten. Doch, zooals 't hier gebeurt, beelden opjagen totdat zij moeë klachtjes slaken, enkel om het de muziek na te doen, dat behoort niet tot de dichtkunst.
Dezelfde mishandeling valt ‘Wanneer gij speelt’ en stukken
uit ‘Recital’ ten deel. Bij alle poëtische verwantschap blijven muziek en dichtkunst verscheiden en door 't gebied hunner gewaarwordingen en bijgevolg door hunne middelen; die zielsverrukking, die de muziek zoo licht optoovert tot vrije vlucht, slaat hier even wat tegen den grond uit en blijft ten slotte met erg gehavende vlerk tegen den grond liggen.
Doch hebben de beide zusterkunsten gemeen de dynamische waarde van de rhythmen en ook, in zekere mate, het spel der klanken; tracht Lambrechts niet meer de donkere zielsgewaarwordingen uit een bepaald muziekstuk, maar bijv. door val van beelden en klanken enkel het laweierig geroezemoes van 't klavier weer te geven dan slaat hij heel aardig. Forsch klinkt het in ‘Aan een Virtuoos’:
En 't beeld wordt hier litterair vollediger door de visie van 't instrument met de ‘witgekopte golven’ en de ‘bedding van ivoor.’
In ‘Een Presto van Beethoven’ houdt hij zich nog nauwkeuriger aan de eischen der dichtkunst. Hier tracht hij veel minder door den klank indruk te maken; maar door de scan-
deering der verzen geeft hij in een wel afgewerkt beeld het onrustig-haastige van het Presto weer. Het is een uitstekend stuk beschrijvende poëzie. Doch zelfs hier, waar we toch aan de muziek de mooie visie te danken hebben, heeft zij nog iets hinderlijks dat de lezer zich geneigd voelt voor zijn oogen weg te vagen om het beeld direkter te zien. Ook in ‘Op den Hotont’ is het langzaam aangroeien van 't orgelspel, overgebracht in door en door genietbare beelden, steeds breeder gevoelens wekkend, zeer goed aangewend om den geest van den lezer naar de gewenschte hoogte op te voeren.
Al stikt de toon ervan soms nog wat naar binnen, 'k zou haast beweren tot meer genot van den muziekminnenden lezer, dit gedicht bevat menige schoonheid van helderklinkend dichterlijk lyrisme. Ziehier hoe het sluit:
Reeds na het hier geciteerde zal wel niemand twijfelen aan den dichterlijken aanleg van Lambrechts en 't dunkt ons geen eigenwaan wanneer hij in ‘Tannhäuser’ van zichzelf getuigt:
Hijzelf dus heeft het gevaar gevoeld dat hem dreigde in den uitsluitenden dienst der ‘rosse Venus.’ Doch, hare daimonische onvatbaarheid strekt verder dan de dichter zich zelf bewust was. Toen hij indrukken wilde scheppen die haar slechts van verre toebehooren, bestuurde zij nochtans zijn dichtenden geest; zij noopte hem, als ten haren bate, zonder onderscheid te grijpen in zijn rijken beeldenschat. Eerst klinkt het lief en ruischt het in 't volle daglicht der poëzie:
Dan stort de beeldenvloed onophoudelijk in den duisteren schoot der klankenwereld, waar wij niets meer mogen ontwaren; uit de verte komt tot ons de massale toon van voortgezweepte beelden en ja.... 't is alles maar groot gedruisch van veel wind. Weer hebben wij het onbehagelijk gevoel alsof de dichter misbruik dreef met zijn schoone gaven. Nochtans hij meent het waarlijk goed met de dichtkunst. Nauwelijks valt de wind of lachend komt weer de zonnige poëzie te voorschijn:
Doch was de muziek der meesters niet enkel de alleseischende minnares; menig nuttigen wenk gaf zij den dichter. Zij drukte hem op 't hart dat het wezen der kunst ten slotte bestaat in emotie. Geen als zij, die rechtstreeks en bijna uitsluitend haar
gehalte in de ontroering vindt, kan daarvan zoo overtuigen, zoo onuitsprekelijk bekoorlijk is hare macht over het hart; 't haar na te doen met zijne kunst verlangt elk kunstenaar die door haar omstrikt werd. Bij Lambrechts had dat voor goed gevolg dat hij geen beeld naar buiten zond zonder de beweging van binnen. En als terloops oefende en verfijnde zij zijn gehoor en nauwkeurig weet hij de natuurgeluiden, de tonen en geruchten af te luìsteren en ze in juist afgewogen woordklanken weer te zeggen:
Of in meer gezuiverde, eenvoudiger woordkunst:
Natuurlijk bleef hem uit de kunst van Mozart en Schubert 't genot aan zoete klanken bij:
Bij al zijn vooringenomenheid voor de gevoelsdonkere wereld der klankenkunst, boette Lambrechts gelukkiglijk niets in van zijn liefde voor de buitennatuur en van zijn eerlijken blik op haar en de beelden uit haar verinnerlijkt. Den volledigsten indruk van zijn wezen krijgen wij zoo in verzen waar als in de volgende uit ‘Keus’ de innerlijke beweging een klare visie omgonst:
Daar waar Lambrechts het beeld gansch in 't licht vooropgesteld heeft, hebben ook zijn verzen het volste gehalte en wat zijn emotie nastreefde in woordklanken en klankbeelden stijgt als vanzelf boven de enkele dichtkunst, wel is waar van meer uit de verte omdat dit zoo in den aard der dichtkunst is, maar daarom ook zuiverder en inniger.
Zoo staat het geziene vast en droomerig in ‘Brugge’:
gebeiteld als houten kerkbeelden in ‘Het Orgelkoor’ en ‘Heeroom’, scherp van de verbeelding afgekeken in de eerste stroof van ‘Ontginning’, romantisch overladen maar begoochelend echt soms in ‘De Zee’:
Lambrecht Lambrechts is een dichter met een echt lyrisch talent, en thans meer dan ooit hebben wij dat noodig. Doch in hoever is de kunstenaar klaar in hem?
Emotie is de grond van alle kunst. Zij, onmiddelbaar, wordt rhythmus: haar op en af, licht en schaduw, haar leven wordt vorm, schoone vorm. Bij den dichter ontstaan beelden, plastische gelijkwaardigheden van gedachten en gevoelens; door het denken worden zij op hun plannen gebracht, georganiseerd tot den hoogeren poëtischen zin van het gedicht. Dan ligt de taal daar met woorden, wendingen en rhythmen, de stof waarin hij 't georganiseerde verwerkelijken zal. Hier begint, maar ook eerst hier, de woordkunstenaar. Wat voorafging was des dichters en des denkers; eerst dichter, denker en woordkunstenaar vereenigen zich tot den kunstenaar. Wij zagen wat Lambrecht Lambrechts meebracht: overvloedig rijzen de beelden wanneer hij zich bewogen voelt, en de woordkunstenaar in hem kan fijn hooren en wegen. Dit zijn kostbare gaven; de vrijheid waarmee hij met hen omgaat is veelbelovend. Liefde voor natuur, muziek en huiselijk leven is de beweeggrond van zijn vers; uit hen bloeien ook zijn beelden. Zal nu het leven zijne motie uitdiepen, zijn bewustwordingen vermenigvuldigen, en mede zijn beeldenschat
verrijken? Zal hij eens volkomen meester zijn over dien beeldenvloed die nu soms met hem doorgaat? Zal de woordenschat van onze taal hem steeds rijker toevloeien, hem uitlokkend tot het spel der schakeeringen in gedachten, klanken en rhythmen? Wij weten 't niet. Wij weten nooit iets van de toekomst van een vlaamschen dichter. De vlaamsche wereld is thans nog een chaos in wording. Het vlaamsche gevoel is nooit gansch verdwenen; machtig zwol het in de laatste jaren. Maar de vlaamsche cultuur, zij die alleen den kunstenaar kan vormen, de gansche harp van het vlaamsche denken, is op ver na niet volledig en de statige gammen rollen nog niet ongebroken van onder naar boven. Met fransche stoplappen, andere werden ons niet geboden, moesten wij nooddruftig de leemten in ons weten opvullen; thans liggen zij als woeste gronden in onze vlaamsche gedachtenwereld. Hard is men aan 't ontginnen. Moge het tegenwoordig geslacht nog zooveel van den arbeid genieten, dat het ter ruste ga met de overtuiging dat geen talent meer op dezen grond zal kwijnen uit gebrek aan voedsel, dat den dichter hier te lande de mogelijkheid geboden worde zich te verbreeden tot den vrijen kunstenaar.
(Bekroond door de stad Gent en door het Belgisch Staatsbestuur in den driejaarlijkschen prijskamp voor tooneelletterkande, tijdvak 1898-1901).
..... dat de stand onzer tooneelletterkunde gunstig genoeg is, ja dringend gebiedt, om den driejaarlijkschen prijskamp als iets hooger te gaan beschouwen; met andere woorden, dat de eischen waaraan een stuk moet voldoen om bekroond te kunnen worden, van nu af hooger dienen gesteld te worden.
Verslag over het tijdvak 1895-1897.
Juryleden: P. Alberdingk Thym, G. Segers, D. Claes, Th. Coopman, W. de Vreese.
De legende van Siddhârta werd vroeger nog bewerkt, o.a. door den Engelschen dichter Edwin Arnold. Zijn verhaal werd door Karl Wernicke in het Duitsch overgezet, en verscheen in de Universal-Bibliothek van Reclam, te Leipzig, onder den titel: Die Leuchte Asiëns. Erzählung eines indischen Buddhisten.
Twee leden verklaarden, dat de overeenkomsten tusschen De Leuchte Asiëns en Siddhârta te talrijk waren, dan dat zij den prijs aan dit laatste werk konden toekennen.
Verslag over het tijdvak 1898-1901.
Juryleden: P. Alberdingk Thym, G. Segers, D. Claes, Ad. De Ceuleneer, J.-A. Van Droogenbroeck.
Coemt ende sidt int midden van ons, ende gevet ons te kennen, want Godt heeft u de eere des ouderdoms gegeven.
Daniël, XIII, 50.
Alfred Hegenscheidt.