Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1886-1887


auteur: [tijdschrift] Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde


bron: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1886-1887. Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent 1886-1887


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Lofrede op Vondel.

Plechtig heeft de Dietsche stam het derde eeuwfeest van Vondel's geboorte gevierd.

Drie vorstelijke steden jubelden in de glorie van zijnen naam:

Antwerpen - dat in de oude doopregisters en poortersboeken Vondel's voorouderen van geslacht tot geslacht opvolgt en herinnert hoe ‘'s lands oudste en grootste poëet’ zijn eigenen aard van Zuid-Nederlander in kunstzin en taal, uit den schoot der Scheldestad heeft geërfd.

Keulen - dat in de Wittestraat de woning wijst, waar, dank aan de vrijzinnige gastvrijheid der stede voor de Antwerpsche uitwijkelingen, de groote Vondel geboren werd en dat niet vergeten heeft hoe

[p. 312]

zijn geniale zoon ‘Agrippina’ toegedaan bleef, hetgeen hij hartelijk betuigde in de ‘Opdracht der Maagden’. in de gemoedelijke strofen geschreven om, met den ‘Olijftack’, Gustaaf-Adolf van den aanval harer muren af te keeren, en ook wel in dien pelgrimstocht van zijn tachtigste jaar, die hem in zijn geboortehuis terugbracht en daar - te nachtrust op dezelfde bedstede (zijn dichterlijk gevoel heeft het niet onbezongen gelaten) waar hij als kind had geslapen, en waar, in het uur dat Nederland zegent, zijn moeder hem aan onzen roem had geschonken.

Amsterdam - dat hem van in zijn kinderjaren had ontvangen, hem gelukkig zag in zijnen echtelijken staat met Maaiken de Wolf, welstellend in zijnen nederigen kousenhandel, geëerd in den kring der geleerden, kunstenaren en grooten, arm en lijdend aan de Bank van Leening; de wereldstad van alstoen, die hare luistervolle zeventiende eeuw, met de groote historische dagen van ‘zeetriomf’ en ‘vreêpilaar’, met geschillen en woelingen, met beurs en handel, met den fieren stoet van hoogbegaafde en gestaalde mannen - raadsheeren, burgemeesters en volksgezanten, krijgshoofden en zeehelden - in de poëzie van haren stadspoëet glansrijk herleven ziet.

En buiten Antwerpen, buiten Keulen, buiten Amsterdam hebben de jubeltonen eenstemmigen weerklank gewekt. De lof aan Vondel galmde uit honderd kringen door Noord en door Zuid, die broederlanden, gebroeders nog, gelukkig elkander

[p. 313]

soms op den grond der gemeenschappelijke letterglorie te ontmoeten, zich in hunne oude moedertaal zonen van hetzelfde huis te erkennen, en de oude eenheid nog dáár te hervinden en te genieten.

De Koninklijke Vlaamsche Academie rekende het zich ten plichte bij de hulde aan Vondel hare medestemming te betuigen. In zitting van 20 April werd beslist dat bij hare eerste openbare vergadering Vondel plechtig zou herdacht worden. Hij nu, wien het uitvoeren dier beslissing werd vertrouwd, betreurt innig, enkel eene oprechte bewondering voor Vondel, en ook niet al de passende hoedanigheden voor zijne taak, te kunnen meêbrengen.

Als wij Vondel, gelijk nu - bij de huldebetuigingen hem gewijd - en op afstand van drie eeuwen, beschouwen in de volheid zijner glorie, in de heerlijkheid van het reuzenwerk dat zijne handen hebben voltooid, in de macht van dien breeden vloed van poëzij dien de onuitputbare bronader van zijnen geest over Nederland stroomen deed, zijn we wellicht genegen ons den Meester voor te stellen als een dier wonderen, wier eerste verschijnen en openbaring niet alleen aller aandacht vestigt, maar die, met hunne oorspronkelijke zelfstandigheid, als bij tooverslag een nieuw daglicht doen opgaan, den gezichteinder verbreeden, de gedachten in eene nieuwe richting drijven, met onweerstaanbare kracht de geesten beheerschen, in opvattingen en begrippen een onverwachten omkeer bewerken.

[p. 314]

Doch neen! niet zóó heeft zijn scheppend vermogen zich vertoond; zijne eerste stappen in de letterwereld teekenden niet eene nieuwe baan, die welhaast de eenig gevolgde weg der dichtkunde worden zou.

Zoekend en tastend trad Vondel zijne wegen in. Geen voetspoor van voorgangers beschreef het pad. Niet, zooals nù voor den optredenden dichter het geval is, werd zijne ontwikkeling gericht en voortgeholpen bij de ondervinding en het voorbeeld van anderen; niet, zooals de jongeling nù, vonden zijne eerste schreden eene rechte, effene baan open; de baan was nog te trekken en af te bakenen.

Wel bood hem de Brabantsche Kamer ‘Uyt levender jonste’ haar gezellig geleide, doch waarheen moest zij hem brengen, zij die van den ouden slentergang zich niet eens afgekeerd had; die, over het algemeen, geene andere poëzie kende dan hare ‘const van Rhetorycke’ wier hoofdsieraad in kinderachtig herhaalde rijmslagen bestond, en die taalverdienste zag in een wanluidend zoogenaamd langage de cour, herkomstig uit de Burgondische overheersching, een laf en ongespierd Vlaamsch, met Fransche woorden weelderig doorspekt? Bij zijne allereerste dichtoefeningen zien wij dan ook Vondel de verkeerde richting der kamers van Rhetorica inslaan.

Nochtans, tusschen de Rhetorijkers (namelijk der oude Amsterdamsche Kamer) ontbrak het niet aan mannen, die de behoefte aan kunst- en taalhervorming gevoelden.

[p. 315]

Zagen zij het jonge Nederland, onder elk opzicht, bij eigen kracht zich verheffen, zij wilden in zijne gloriekroon ook den glans der letteren, waar andere volkeren meê prijkten, schitteren doen. Aan Roemer Visscher, Spieghel en Coornhert hoort de roem, door taalzuivering en letterstud.e een nieuw tijdperk geopend te hebben. Naast hen verschijnen straks Hooft, Coster, Plemp, Reael. Dezen ontging de gelukkige aanleg van den jeugdigen Vondel niet. Den stilgeaarden, nederigen burgerjongen leidden zij de letterkundige vergadering der geleerde en hooggeplaatste ‘classieken’ binnen, om met hem de belangen van moedertaal en vaderlandsche kunst te bespreken.

Al spoedig dan werd Vondel het Fransch en Hoogduitsch machtig en legde zich op het Latijn toe, wat ongetwijfeld de vrucht was van zijn dagelijksch verkeer met de leden der ‘vergadering’. Intusschen begon men in zijn dichtspel grepen te onderscheiden die den voorklank gaven van harpetonen, in Nederland nog niet gehoord.

Wie den afstand meet, die het ‘Schriftuurlijck Bruylofts-Reffereyn’ van 1605 en het ‘Nieuwjaers liedt’ van twee jaren verder, scheidt, ik zeg niet van Vondel's hoogstgevierde meesterstukken, maar reeds van ‘het Lof der zeevaart’, in 1623 gezongen, die staat verbaasd over de snel vooruitstrevende vaart van den dichter, en, door de onafzienbare ruimte tusschen die plaats en Vondel's uitgangspunt het oog weidende, kan hij misschien

[p. 316]

reeds het vers van Bilderdijk, eenigszins gewijzigd en beschadigd, in toepassing brengen:

- Bij velen ware ‘het leven reeds voor zulk een reis te kort.’

Opbeurend en zielverheffend is het, de vroege ontluiking en rassche ontwikkeling eener groote geestgave, door werkzaamheid en zelfstudie in hare wonderkrachten vermenigvuldigd, gade te slaan.

Zaagt gij ooit van de groene heuvelen van ons Oudenaarde neder op zijne welige weiden, en volgde dan uw oog, dóór het bekoorlijk landschap, de kronkelende Schelde niet, slechts nog een eng, zilveren waterlint, dat speelsch door de laagte heenslingert, ongezind om uit de schoone streek weg te vlieten? Toch, dieper en dieper in het land stuwt zij hare wateren voort, en trekt in haren schoot bronnen en beken saâm, en rijst met zwellenden vloed omhoog, en werpt hare boorden breeder uiteen, en zal, in prachtigen stroom, de heerlijke handelbaan worden langs waar de volkeren van alle paviljoen hunne schattingen naar Antwerpen dragen.

Dus uw opgang, dus uwe vaart, dichtervorst! Ja, spoed de streek van uw jongen dichtlust voorbij! verwijdt uwe bloeiende oevers, zwelg in uw breede borst al het goede dat opwelt uit de zeden van uw volk, al het schoone zijner taal, al het grootsche zijner heldendaden, al het edele van zijne vrijheidszucht en godsdienstzin, en wordt tusschen Noord en Zuid, de eeuwen door, de verbindingstroom der volkeren van Nederland.

[p. 317]

Indien Vondel, bij erfenis en overlevering van een vorig geslacht, zich, reeds bij het ontwaken zijner kunstvermogens, omringd had gezien en in bezit van rijkdommen en schatten in letterkunde en taal; indien hij niet, zelf, bij persoonlijken arbeid den akker had moeten ontginnen, dan had hij den oogst, bij vreemden gewonnen, daar hij dezen met de schrale voortbrengsels van eigen land vergeleek, niet zoo bewonderd en benijd; dan hoefde hij niet te zwoegen, of liever - dewijl Vondel, bij zijne verbazende vlugheid in alle werk, geen zwoegenden arbeid kende, - zijne krachten te oefenen met uitheemsche vruchten naar onzen grond over te halen; dan, in juiste maat onafhankelijk van de geestesbeweging van elders, onafhankelijk van de driftige vooringenomenheid met den in zwang gekomen kunstvorm der wedergeboorte; door een gunstig tijdsgewricht, evenals door eigenen aanleg, in staat gesteld om tusschen al het vóór hem aangeworvene enkel de goede uitkomsten te benuttigen en van oudere en nieuwere kunstleer en stelsels slechts datgene over te nemen en zich eigen te maken wat in de natuur zelve onomstootbare grondslagen heeft, dan zou Vondel zijne machtige oorspronkelijkheid wellicht hebben geopenbaard in een tooneel, dieper nationaal, eigenaardiger, en met grondiger begrip van het echt tragische; dan ware hij voorbereid geweest, een epos - epos in de ruimste en hoogste beduiding van het woord - te ontwerpen

[p. 318]

en te volmaken, zonder dat ramp of rouw ooit zijne handen van de aangeslagen onderneming zouden hebben kunnen aftrekken. Maar dan ook ware de schoonste en reinste glorie de zijne niet geworden, en de treurzangen zijner uitvaart, die het nageslacht erkentelijk bijstemt, zouden hem wel geroemd hebben als den vorst van Hollands poëten, maar niet als den vader der Nederlandsche dichtkunst, niet als den schepper onzer dichterlijke taal.

Verdienste, nooit te schatten - een volk, door eigen wilskracht en heldenmoed voortgeworsteld tot onafhankelijk bestaan, in bezit te stellen zijner totdan toe ongekende taalschatten, het zegel zijner nationaliteit in sierlijken vorm volsneden, hem in hand te geven.

Welk oogenblik ook in de ontwikkeling diens volks! hoe groeit in hem het machttelend gevoel zijner zelfstandigheid, wanneer zijne taal, uitvloeisel van zijn leven en ziel, in kunstschoonheid en kracht, in rijkdom van zin en klank hem het eerst uit onbeklemde longen wordt voorgedragen, en het die taal echt en waar de zijne erkent.

Vondel was bij het volk ter school gegaan om 's volks taal over gansch haar gebied meester te worden. Hij ging bij de ambachtsliên, bij den scheepstimmerman, bij den landbouwer, bij den visscher; hij ging de straten langs, de markten op, het neringdoende huis binnen om in alles het eigen en het schilderend woord te weten en te

[p. 319]

boeken. Hem was de volkstaal de goudmijn; zijn genie was de smeltkroes die het kostelijk metaal tot de reinste glansen zuiverde.

Zie hem de smeedbaarheid van zijn goud beproeven in kunstwerken van alle soort en allen aard! Hij verhaalt, hij zingt, hij hekelt, hij penseelt, hij onderricht; hij voert een treurspel op, hij neuriet een veld- of bruiloftsdeuntje, hij heft een klinkend volkslied aan, hij haalt de meest afgetrokkene leerstelsels den kring zijner poëzie binnen; en waar hij ook zich wende, bij de onvergelijkbare verscheidenheid van zijn talent, overal schiet de opborrelende bron der taal in even frissche, even breede stralen uit. En hoe rolt en wentelt zijn vers in den vollen vloed dier taal. Zie zijn verheven lierzang aan de Godheid: vier en twintig vast aaneengeschakelde verzen voeren, zonder stilstand ergens, den geest mede tot voor de voetschabel van den hoogsten troon. Ach! wat zijn onze kortborstige dichtregelen, die, hijgend en amechtig, verademen aan het einde van ieder vers, bij die kloeke, levensrijke volzinnen, uitgegalmd door hem dien eene milde natuur begiftigde met

 
‘de tonge van metaal
 
't Gehemelte van rots, de stem van klinkend staal
 
En d'adem van den wind...’

Men oordeelt ook wel bij gevoelspoëzie over welbespraaktheid van taal, maar de toetsteen is in de objectieve dichtkunst. Nu, op alle gebied,

[p. 320]

wetenschap, nijverheid, handel, natuur, godgeleerdheid, heeft Vondel heel den schat der vakwoorden beschikbaar. Het verwonderde Brandt hoe Vondel, een nieuwgedoopte der Roomsche leering, in zulk duidelijk, zinrijk dietsch de ‘vreemdsoortige’ woorden der scholastiek wist te vertolken. En lustte het hem, zijne uitdrukkingen in beeldspraak te hullen, de juistheid van gedachte en bepaling leed er geene schade bij.

Wie heeft edeler en volkomener de menschwording des Woords dichterlijk voorgesteld?

 
‘De maegd bestemt het wonder dat zij hoort,
 
En zwelgt gelijk een roos den morgendauw van 't Woord.’

Door welk ander beeld kon de natuur met het bovennatuurlijke zoo juist in vergelijking komen om diens geheimzinnige en onzichtbare werking, diens hemelreinheid te schilderen, als door het beeld van den morgendauw, die ongemerkt in den kelk der bloem dringt en hare bladjes besproeit, zonder het maagdelijk waas te deren?

Men bewijst dat Hooft zeer vroeg gezien heeft wat Vondel beloofde te worden. Onbetwistbaar is het dat Vondel's geaardheid en strekkingen, met zekere voorname zijden van zijn veelvoudig talent, reeds in zijne eerste gewrochten duidelijk afgeteekend zijn. Dit wijst ons een standpunt van waar wij den mensch, denker en dichter, naar beliefte kunnen beschouwen. Zijn ernstig en vroom godsdienstig gevoel, zijn christelijk verheven oogwit,

[p. 321]

zijne warme vrijheidsliefde, zijn afkeer van dwang en geweld, zijne trouwe gehechtheid aan Nederland, zijne geestdrift voor diens macht en glorie, zijne rechtzinnige deelneming in het lot van zwakken en vervolgden, zijne frissche levenslustigheid, de lieflijkheid zijner tinten en de vastheid van zijn penseel in het schilderen van natuur en van werkelijk leven, zijne rijke verbeelding gepaard aan weergalooze meesterschap over taal en vorm, het zwierige van zijne Alexandrijnen en lyrische strofen, het eigen persoonlijke dat zijne voorstellingen kleurt en doordringt, zijne uitgebreide en degelijke kennissen van al wat met zijn onderwerp in betrekking komt, zijne voorliefde tot allegorische behandeling van staatkundige gebeurtenissen en eigen levenstoestanden, dit alles onderscheidt zich reeds in zijn eerste tijdvak; wel is waar, nog als de kleurlooze bloembladjes, geperst in den gesloten knop, maar welks ontleding reeds de rangschikking der bladeren en den kroonvorm der bloem, die, eenmaal losgewoeld, hare pracht in volle daglicht ontvouwen zal, laat erkennen.

Om openhartigheid bij rechtzinnige overtuigingen, om iever van godsvrucht en deugd volgens zijn kerk en geloof, om braafheid en onbaatzuchtigheid in zijn ganschen handel, stond Vondel hoog, zeer hoog in de algemeene achting. Zijne geschiedenis leert het nageslacht, den mensch in hem even hoog te waardeeren als zijne tijdgenooten deden. Ook wordt zijn overgang tot de Roomsch-

[p. 322]

katholieke belijdenis (ten jare 1641) thans van geener zijde aan onedele beweegredenen toegeschreven. Het vraagstuk van godsdienst heeft jaren lang vóór zijn hart en zijnen geest ter oplossing gestaan. Ingetogen en stil heeft hij het voor eigen geweten opgelost, in volle onafhankelijkheid van gemoed, in helder bewustzijn van de te verwachten gevolgen, na rijpen overleg, ernstige studie en strenge zelfkastijding in dien christenen ootmoed, ‘die te traag zijne edele wortelen schiet in het steen van 't eigenzinnig hart...’

 
‘Al wie door ootmoed wordt herboren,
 
Hij is van 't goddelijk geslacht.’

Reeds in 1612 is zijn stichtelijk Bijbelsch ‘Pascha’ - voorrede en bewerking - doorademd van den godsdienstigen geest, die in 1641 hem zijn prachtigen ‘Kruisberg’ zal ingeven, in 1645 zijne ‘Altaergeheimenissen’ en, in zijn 75e levensjaar, ‘de Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst’, het uitgebreid leerdicht, dat door Van Lennep in de volgende merkwaardige regelen wordt besproken: ‘eere is de grijze zanger waardig, die, spijt al de rampen en beproevingen waarmede hem zijn Schepper had bezocht, in de eene hand de lier, in de andere het strafzwaard nam om de eer des Allerhoogsten in zoo schitterende en gloeiende taal te bezingen en met zooveel kracht en wakkerheid te verdedigen, en daardoor den eerbied en de bewondering te wekken, niet slechts van al wie God lief heeft, maar zelfs ook, zijns ondanks, van

[p. 323]

hem die geen macht boven 't stof erkennen wil.’

Wie kan de Bespiegelingen lezen en den grijsaard niet lief krijgen, om het eerlijke en oprechte hart, dat er uit spreekt, en om den moed, die met de jaren bij hem klimt, in stede van te verminderen?’

Het jaar nadien verscheen de ‘Heerlyckheit der Kercke,’ waarvan het vers, getuigt Van Lennep, overal welluidend, krachtig, vloeiend, - de taal overal gekuischt, helder, gespierd is, en niet zelden vol majesteit, verheffing en gloed.

Moge de Commentator, betrekkelijk den inhoud, van gevoelen zijn dat de dichter ‘niet betoogt maar beslist, dat zijn werk des minder geschikt is om anders denkenden te overtuigen,’ het zal Vondel hebben toegeschenen dat de volbrachte voorspellingen der oudheid, dat de vestiging van het christendom, de zegepralen van het Kruis, de heldenstoet der martelaren niet van alle bewijskracht ontbloot gaan.

Wat er ook van zij, de godsdienstige dichter wilde ‘stichten;’ hij wilde, wat volgens zijn inzien, het ware en goede was, doen hoogschatten en beminnen.

De menschen ten goede leiden was de zending, waar hij (reeds de voorrede van het Pascha verklaart het zonder omweg en die verklaring is hij ten allen tijde getrouw gebleven,) de kunst aan dienstbaar maakte.

Volkomen is zijne poëzie in tegenstrijd met

[p. 324]

onze leerspreuk: ‘de kunst om de kunst’ - gevierde leering wel, maar, in werkstellig handelen, eenigermate verwezen door den tijd zelf, die ze heeft uitgeroepen; (trouwens, geen andere tijd is als de onze zoo rijk aan tendenz-werken!) en verloochend ook door den dichter van genie, wien men ze dank weet. ‘Mannen van geest (zegt Victor Hugo,) weest nuttig! dient tot iets!... Gaat, en volgt ginds den ziener in zijne eenzame woestijn! Daar denkt hij aan de menigte! Hij spreekt niet tot de wouden, maar tot de steden; niet het gras dat plooit onder den wind, beschouwt hij, maar den mensch; spreek hem, och! van de kunst om de kunst!... De geest is niet gemaakt en gegeven voor den geest, maar voor de menschen. De kunst, ja, is het azuur, maar het azuur uit welks hoogte de straal neerkomt, die het koren zwellen en den appel rond worden doet, die aan de oranjevrucht de goudkleur geeft en de druif suikert.’

Het zal niemand ontgaan dat wij hier enkel bedoelen als opmerkenswaardig voor te stellen dat Vondel herhaalde malen zoo uitdrukkelijk zijne zending als dichter bepaalt, dat hij dus, waar hij beoogt nuttig en leerzaam te zijn, zulks niet onbewust, uit gewoonte of tijdgeest, genoopt is te doen, maar opzettelijk wijsgeerig er aan denkt, en redeneerend besluit dat rijker gaven zwaarder plichten opladen; dat de meest bevoorrechten en de machtigsten daarom niet onafhankelijk worden van den Leenheer; dat de edelste stemmen, die

[p. 325]

de Schepper verwekt, hoogst moeten klinken in het Benedicite der schepping. Onder dát opzicht dus ook neemt Vondel plaats in de rij der onsterfelijke zangers, door de eeuwen gehuldigd, die in kunstmacht niets verloren omdat ze wilden nuttig zijn - wrekers van het lage en booze, hoeders van hun volk, herauten der beschaving, weldoeners en vrienden der menschheid.

Niet alleen het Leerdicht, waar onderwijzen en stichten rechtstreeks het oogwit is en voor hoofdzaak geldt, maar elke dichtvorm laat den zanger vrij, zijne zending in het oog te houden en te volgen. Vondel was even verdraagzaam als in diepen ernst godsdienstig, en de zucht naar vrijheid was den rechtschapen man ingeboren. Aan zijne vrijheidsliefde danken wij het eerste mooie stroofje dat hij schreef, namelijk in een koorlied van Pascha - een eersteling, spraakvaardig reeds, van de liefelijke, zoetvloeiende zangen, waar zijne harp zoo mild meê werd:

 
‘O zoete vrijheid!
 
Ofschoon 't wild vogelken met lust
 
In 't korfken tiereliert en fluitert
 
En in de tralie, 'twijl het tjuitert
 
Verdient 't ghekochte zaed gherust,
 
't Zou liever in de tackxkens schieten
 
En klieven met zijn vlerckxkens locht
 
Den blauwen hemel, zoo het mocht
 
Slechts magher zijnen kost ghenieten.’

Als nu Vondel, in name van den godsdienst, de vrijheid dweepzuchtig verkrachten zag, de loochening van alle menschelijke vrijheid als gelouterde geloofs-

[p. 326]

leer verkondigen en opdringen, de bestemming der menschenziel van willekeur en tirannij afhankelijk stellen, en hij de harten zijner hervormde geloofsgenooten van dat gruwelijk stelsel wilde afkeeren, niet met eene didaktische bewijsvoering treedt hij in 't midden, maar met de taaie zweep of den scherptandigen kam der satire in de hand; en - hoort hoe, terwijl hij ten bloede treft (want, sloeg hij, het was raak!) zijne stem tegen den valschen godsdienstijver dondert:

 
‘Waer ben ik? onder 't licht der Godgeleerde lampen?
 
Of onder Lucifer, in 't zwarte rijk der dampen?
 
Is dit het noodlot van 't verkoren wierookvat?
 
Is dit de ziekentroost en kristelijke schat?...’

En wat heftige uitvallen meer kent gij niet van hem? wie zou die luidsprekende verontwaardiging hebben toegedacht aan den kalmen, stillen, tot weemoed neigenden man, zoo zedig en afgetrokken in gezelschap, die soms met uren lang stilzwijgendheid den tafelkring verwonderde, terwijl het in zijn binnenste woelde en gloeide van kokende lavastroomen, die welhaast bij schitterende vuurkolom zouden losbreken, maar ook in zengende, wrekende assche uitvloeien?

 
‘Ainsi travaille, enfant, l'âme active et féconde
 
Du poète qui crée et du soldat qui fonde,
 
Mais ils n'en font rien voir. De la flamme à pleins bords
 
Qui les brûle au dedans, rien ne luit au dehors.’

Wat Juvenalis zegt: facit indignatio versum, mocht Vondel in waarheid tot stempelwoord zijner satire zich eigenen. Verontwaardiging maakt

[p. 327]

het vers zijner hekeldichten, brave verontwaardiging, van een rechtzinnig en vaderlandslievend hart (voor afgunst en haat was hij ongenaakbaar), dat walgde van gemeene kuiperijen, walgde van die huichelende heerschzucht en van dien geveinsden godsdienstijver, die tot woedende verdeeldheden ophitsten, inwendigen vrede en algemeen heil met ondergang bedreigden en 's lands geschiedenis bevlekten met eerlijk bloed. Hoe griefde hem dat in de ziel! En hem was de kunst van zwijgen niet te leeren -

 
‘Wat op 's harten grond ligt
 
Dat welt me naer de keel...’

Gaf dit naar buiten dringend, ‘al te persend’ gevoel zich gaarne lucht in fellen spot, meer dan eens overstelpte hem de smart, en toen hij reeds naar de geeselroede greep, sprongen hem, eer hij sloeg, de tranen uit de oogen. - Zoo, toen het eerbiedwaardigste hoofd des rijks ten offer aan haat en dweepzucht was gevallen, zijne aandoenlijke, snikkende stroof, de eerste van de ‘Geuzevesper’:

 
‘Had hij Holland dus gedragen
 
Onder 't hart
 
Tot zijn afgeleefde dagen,
 
Met veel smart,
 
Om 't meineedig zwaerd te laven
 
Met zijn bloet,
 
En te mesten kray en raven
 
Op zijn goed?’

Het was voor te korten duur eene troostende

[p. 328]

verademing geweest toen de dichter meende nieuwe tijden te zien aanbreken en juichte:

 
‘Meer eendracht wordt bespeurd, meer liefde en minder
 
haet.’

Ook buiten de grenzen van eigenen grond ging zijn ridderlijk zwaard ter verdediging van de zwakken, ten strafgerechte van het gepleegde geweld, het onrecht tegen.

Hoort men niet, weder tusschen zijne eerste dichtgalmen, een wraaktoon over den moord van Hendrik den Groote van Frankrijk? En richt hij niet, in 1645, zijn onsterfelijk gedenkteeken op aan de gemartelde majesteit, aan de schoone en ongelukkige Maria Stuart? Toen Prof. Jozef Alberdingk Thijm bij ‘Neêrlands eerste Vondelfeest’ het opschrift vervaardigde ‘Aan Neêrlands grootsten dichterheld, den verdediger van onschuld en waarheid’ en op de voetzuil van het standbeeld des dichters liet beitelen: ‘om den adel van zijn karakter,’ toen dacht hij ongetwijfeld aan het moedig en ridderlijk werk, dat Vondel aan de nagedachtenis der Schotsche koningin heeft gewijd. Door juistheid van oogslag in menschenkennis, door ingegeven zien en weten der waarheid, heeft Vondel het drama van Maria Stuart's leven en dood doorschouwd, en - het daglicht, sedert 20 jaren uit de staatsarchieven en uit de studiën van Protestantsche geleerden over haar onschuldig lijden opgegaan, heeft reeds hem bij schranderheid van oordeel en rechtheid van gevoel toegeblonken

[p. 329]

Vondel herinnert dat Maria Stuart's ‘moordjaar’ zijn geboortejaar was. Een geheimzinnige trek en zielverwantschap bewoog den teerhartigen dichter tot het roerend slachtoffer - ook van de geschiedenis, en eenmaal dat zijn oog naar dit rein ideaal van lijden en sterkte gekeerd was, naar dit werkelijk treurspel waar sluwe list en behendig aangelegd verraad tegen een weerloos vrouwenhart in het worstelperk treden, waar de droom van het hoogste heil verzwindt voor namelooze ellende, waar het schavot een troon wordt - eens een glorietroon - gepurperd door de majesteit van vorstelijke zielegrootheid gelijk van vorstelijk bloed, van dan af stond het vast dat Vondel's poëzij om het gemarteld hoofd een stralenkans trekken zou, dien eens de geschiedenis, hoe spade dan ook, nog in glans verhoogen moest: hij maakte tot zinspreuk zich de randwoorden van Maria's goudmunt eigen: ‘Justus ex fide vivit’ en, zijn tooneelstuk werd ontworpen. Die keus, ziet men, werd niet bepaald door de kunstvoordeelen van hoofdpersoon en onderwerp, gelijk bij Schiller het geval is, maar, als door gewetensplicht, met een heilig zedelijk oogmerk - niet om de kunst alleen, maar met de volle beteekenis van herstelling in recht van eer, en in aanzien van onschuld en deugd.

Zoohaast het treurspel ‘Maria Stuart’ in Holland bekend werd, sloeg ‘eene stortbui van grimmige vervloekingen neer, die zes jaren daarna

[p. 330]

nog niet uitgewoed had.’(1) En wat erger was, ook ditmaal wedervoer den dichter, wat hij jaren te voren had beproefd, toen zijn ‘Palamedes’ den dood van Olden-Barneveld bestrafte, te weten, bij den gerechte aangeklaagd en tot eene zwaie geldboete veroordeeld te worden.

Vondel! drie eeuwen, hulde brengende aan uw christenen mannemoed, aan uw onafhankelijk karakter, hebben u over uwe rechters en hun vonnis gewroken!

In afwisselende tafereelen van zege en roem vond hij, die Nederland zoo innig lief had, een verkwikkend schouwspel dat zijnen geest van schriken bloedtooneelen verpoosde.

De zeventiende eeuw verheft de vereenigde Nederlanden ten toppunt van macht, rijkdom en eere. De wordende republiek groeit tot mogendheid van eersten rang, wordt de eerste zeemacht der wereld.

Allerwegen ontluikt het gevoel van eigen zelfstandigheid ‘die uitnemende prikkel tot krachtsbetoon.’(2)

Scheepvaart en handel breiden tot verbazend grooten omvang hunne bedrijvigheid en hunne ondernemingen uit, 35000 schepen onder Nederlandsche vlag doorkruisen de oceanen.

[p. 331]

Zoowel door het ijs van het Noorden als door het stormende Zuiden wordt de weg naar het rijk Oost-Indië gebaand, terwijl helden als Tromp, de Ruyter, de Wit tegen de admiralen van Cromwell en van den laatsten Stuart den grootsten zeekamp der historie voeren. Spanje ziet zijne vijandige maatregelen verijdeld: sluit het zijne havens voor de Hollandsche zeevaart, deze wendt den boeg naar de uiteinden der wereld en Spanje en Portugal staan welhaast voor hunne verre bezittingen beducht. Piet Hein niet alleen, die met de zilveren vloot, op Spanje buitgemaakt, de haven van Amsterdam binnenstevent, brengt millioenen aan uit den vreemde, maar van alle zijden wordt goud en zilver kwistig in den schoot der machtige stede uitgegoten - door de haringvangst op de Engelsche kusten, door de walvischvangst in Groenland, door den vroeger ongekenden bloei van hout- en lakenhandel, door de aanwinsten der Oost- en West-Indische maatschappijen, wen ook het binnenland de opbrengst zijner nieuwe, krachtig vooruitgedreven werkzaamheid in de linnenweverij, den landbouw, de veeteelt tot schatten gadert.

Amsterdam was het schitterend middenpunt dier groote beweging. Hoe rijst het in luister en heerlijkheid, met zijne prachtige stadsgebouwen, zijne paleizen, hallen, stapelhuizen, zijne vestingwerken, zijn ‘reuzenwoud van masten!’ Het zijn de zonen zijner rijke burgerfamiliën die als gezanten

[p. 332]

naar Londen, naar Parijs, naar Stockholm worden afgevaardigd; die als handelaren de zeeën in alle richtingen doorreizen; die als coloniaal-beambten onder elk overzeesch volk verblijven; die in de vredecongressen met koningen en keizers over de Europeesche staten handelen en beschikken. Naar Amsterdam en Holland werd het New-York van heden Nieuw-Amsterdam, werd een vijfde werelddeel Nieuw-Holland genoemd. Heerlijke dagen! en, wonder! ontbolsterd reeds van de ruwheid, die gewoonlijk jonge kracht aankleeft, veredeld in hun macht en roem door den glans, die van ontwikkeld geestesleven en beschaving, die van de wetenschap, van de kunst, van de letteren afstraalt.

Boven vele vereeuwigde namen van ‘vorsten uit het rijk der gedachte,’ klinkt de naam van hunnen zanger zelf, den zanger dier wondereeuw van glorie, de groote naam van Vondel!

Wat prachtige reeks van titels en citaten biedt zich aan, om hier van Vondels dichterlijken gloed, van zijne vaderlandsche geestdrift, zijn fiere blijdschap over Nederlands grootheid als getuige te komen! Wel verdiende de eeuw een begeesterden dichter, maar de dichter was zijn tijd en voorwerp waardig!

Leest men tusschen zijne eerstelingen reeds eenige verzen ‘op het twaalfjarig Verbond der Nederlanden’, en is in het ‘Pascha’ zelf een afbeeldsel van eigen volk te erkennen bij de vergelijking van de kinderen Israëls met de vrijwording der vereenigde Nederlandsche provinciën, en volgt straks daarop

[p. 333]

de ‘hymnus op de wijd-beroemde scheepvaart der vereenigde Nederlanden’, niet één beduidend feit, niet één gevierde naam, niet één luisterrijke dag zal later zijne plaats in de geschiedenis winnen zonder dat de vaderlandsche poëzie van Vondel dien herdenke. Ook waar zijn onderwerp hem buiten de staatsaangelegenheden voert, blijft hij Nederlander en verliest hij Amsterdam uit het oog niet. Zijne ‘Bespiegelingen van God en Godsdienst’ stellen hem vóór de bewering der ongodisten die ‘de eer der schepping schenken’

 
‘aen 't wild geval,
 
Het samenrunnen der ondeelbre vezelingen
 
En stoffe, aeneen gekleefd, tot zooveel hemelringen
 
Omhoog, en wat omlaeg ontstaet uit element,
 
Gemengd en ongemengd.’

Hij vergenoegt zich niet met de oude vergelijking (de boeken van Maro of van Homerus), maar plaatst er het nieuwgebouwd stadhuis van Amsterdam naast, en dat in verzen, doorgloeid van het levendigste gevoel van nationale trotschheid over ‘het Hollandsch Capitool.’ Wie kent den aanhef niet?

 
‘Indien hier bij geval een tegenvoeter kwam
 
Opdondren uit den grond der aarde te Amsterdam...’

en de daarop volgende voortreffelijke schildering van het stadhuis - meer dan twintig echte Vondelsverzen? en het beeld van Amsterdam, waar de stad

[p. 334]
 
‘gekroond met hare wapenkracht
 
Van Stroomgod onderstut, in hare weelde en pracht
 
Gezeten, wordt begroet van Azië en Afrijken,
 
Amerike en Europe, en wat de vlag moet strijken
 
Voor hare zeebanier, vereerd met rijkdom, vrucht
 
En schat uit elk geweste en zegenrijke lucht?...’

en de toepassing:

 
‘Wat dunkt u? zou hij zich verbeelden, dat dees prael,
 
Dit goddelijk gesticht, door Campens geest ontloken,
 
Tot Amstels eer voltooid, uit vezelen en smoken
 
En rook en damp en stof en gruis, van overal
 
Te hoop geronnen waer' bij redeloos geval?’

en het spottend slotvers:

 
‘De Raed van Amsterdam behoeft zich niet te moeyen:
 
Het Raedhuis zou van zelf wel uit dien aschhoop groeien..?

Meteen dragen die regelen de kenmerken van ‘Vondels subjectiviteit als Nederlander’, waar van Lennep in zijn kritisch overzicht van het ‘Pascha’ op wijst bij ‘beelden uit het dagelijksche, burgerlijke leven gegrepen en even treffend als aanschouwelijk.’

Met welke frisscheid van verwen kleurt Vondel ook niet zijne natuurschildering, dank aan diezelfde persoonlijkheid waarbij de dichter, door eigenaardigheid van keus en beschouwing, door zelfstandig denken en voordragen, zich zelven, zijnen geest, zijn gevoel, tot in zijne kleinste werken stelt, daar hij, in stede van zijne trekken aan anderen te ontleenen, er zijne eigene waarneming in beeldt en, alzoo, landschappen op het doek brengt die hij op eigen bodem met eigen oogen

[p. 335]

beminnend en bewonderend pleegt te aanschouwen!

 
‘O werelds lustpriëel!
 
O landschap, daer natuur zich zelf aen heeft gekweten,
 
En elk om 't rijkst volwrocht, voltrokken, niets vergeten!
 
 
 
Hier bosch, daer korenveld, ginds weiden, elders vlieten,
 
En ope lucht en bron die uit den heuvel springt;
 
Ginds blauw gebergte en rots; hier kwinkeleert en zingt
 
De nachtegael in 't wild. Wat vliegen daer al vogels
 
Bij vluchten door 't geboomte, of drijven op hun vlogels
 
Bezadigd in de lucht en over 't effen meer!
 
De vrolijke landbouw, verkwikt door 't schoone weêr,
 
Aen 't groeyen, dat men 't kruid en 't groene gras hoort piepen.
 
 
 
Hij ziet zich aen de zon en haren opgang blind,
 
In alle spelingen van water, licht en wolken,
 
En purperglans en goud. Hier wordt de koe gemolken;
 
Daer steekt de visscherspink om verschen visch in zee,
 
Hier rijt een heele vloot voor anker op de ree;
 
En ginder schoeit de jacht op 't spoor der hazewinden.
 
De brakken snuffelen om 't vluchtig hert te vinden.
 
Het nest, vol ooijevaers, in top van slot en borg,
 
Verwacht met open bek het aes, door 's vaders zorg
 
In 't groene veld gevischt. Wie kan de schoonheid noemen
 
Die zich in 't welig vee en ooft en zaed en bloemen
 
En starren, zon en maen, en wolken openbaert.’

Wat gretig blijde oogslag op de bezielde natuur! Hoe kinderlijk verheugd, als bij een allereersten blik in het nieuwe en onbekende, als verrast van stond tot stond, als had hij geene oogen genoeg om op te nemen al wat te gelijk zich voordoet en aanbiedt, juicht de dichter in het genot der schoonheid van schepping en leven! Welke andere plaats van welk anderen dichter schetst ons een landtafereeltje zoo overvloedig rijk,

[p. 336]

zoo levendig en lief! Hoe spoedt zijn vers van voorwerp tot voorwerp! Door tal en keus van dingen maakt hij de verbeelding wakker en werkzaam; door de snel afwisselende beelden, door de verscheidenheid in de woordschikking, door den luchtigen loop der zinsneden, door de ijlende haast der woorden die elkaar verdringen, achterhaalt hij de beeldende kunsten en vergoedt het hun eigen voordeel de gelijktijdige voorstelling der dingen. Volmaakt aanschouwelijk staat, in zijn geheel, het stuk vóór de oogen van den lezer.

Hoe Vondel, een subjectief dichter bij uitnemendheid, zoo spaarzaam is aan lyrische zelfbeschrijving (eene dichtsoort die' heden zóó veel lezing levert, en zooveel middelmatigs, waar behandeling en vorm even onbeduidend zijn als het voorwerp zelf,) mag sommigen verwonderen. Nochtans wat hij innig was en innig gevoelde, met al wat hem in bont afwisselende toestanden omgaf, trof, beproefde, print zijnen indruk op Vondel's geestwerk af.

Zoo, bij de ramp die zijn geluk en welstand ten gronde sloeg, bij de kommerlijke omstandigheden waar het lichtzinnig gedrag en de verspillingen van zijnen, korts daarna gestorven, zoon hem toe brachten, smaakt hij, och! het bitterste lijden, en

 
‘Het vaderlijke hart blijft met den zoon belaên;’

maar niet in treurzangen en rouwdichten klagend, zal hij dit hart ontlasten: het is zijn treur-

[p. 337]

spel, dat, in koning David, zijn eigenen vaderrouw zal opvoeren: door diens mond zal hij zuchten:

 
‘O vader zonder zoon, die glorie van mijn rijk!
 
Waer ligt ge, o Absolon! waer ligt dat schoone lijk?
 
Waer anders dan in 't hart des vaders...
 
 
 
Mijn zoon, uw vaders hart is 't graf
 
Daer gij begraven ligt.’

In dezelfde smart sluit hij zijn ‘Jozef in Dothan’ met het paar verzen, dezer dagen zoo dikwijls aangehaald en die gij zelf in uw geheugen mij voorzegt, eer gij ze in mijne rede hoort:

 
Och, de ouders telen 't kind en maken 't groot met smart;
 
De kleine treedt op 't kleed, de groote treên op 't hart.

Wij laten onze lofrede onvoltooid en zeker onvolledig. Wanneer ook en hoe zou de lof van Vondel ooit volsproken zijn?

Hoe gaarne echter volgden wij hem verder op het gebied der allegorische voorstellingen, om tot opzettelijk en volkomen allegorische bewerkingen en zoo tot den ‘Lucifer’ op te klimmen, in welk meesterstuk de allegorie ook wel buiten twijfel dient gesteld te worden; hoe gaarne keerden wij tot hooger besproken schets terug, om er op te wijzen hoe hij het werkelijk levende, boven het afgetrokken denkbeeldige stelt, en om reeds in zijn ‘Hierusalem verwoest’ den stouten schilder van het reëele te erkennen, waar hij het verhaal der wanhopige daad, in razernij van honger

[p. 338]

door de moeder gepleegd, aandurft, en tot in hare vreeselijkste bijzonderheden ontleedt, en nochtans, door instinctmatig kunstgevoel geleid, de moeder vrijwaart van het nameloos hatelijke des gruwels! Daar, gelijk op zoo menige plaats elders, blijkt hij de geestverwant te wezen van zijn tijd- en stadgenoot, van Rubens!

Wat blijft er ook niet al te zeggen over, betrekkelijk de gehalte zijner treurspelen met hunne prachtige alleen- en tweespraken, met hunne verhevene en liefelijke koorzangen; betrekkelijk zijne groote verhalende en leerende dichtwerken; betrekkelijk zijne echt klassieke zelfbeheersching, die den al te weligen groei eener onbeperkte kracht wijselijk bewaakt en besnoeit; betrekkelijk zijne versmaat, zijne Alexandrijnen, zoo rijk aan verscheidenheid in gang en beweging, dan eens met bevallige achteloosheid door feiten en stelsels voortwandelende, dan aanstappende met plechtig gemeten en klinkenden tred, dan weer, onder den aandrang van gevoel en drift, zich door ongekende slingerpaden van rijm en rythmus in de schoonheid hunner jeugdige vlugheid en frissche krachten reppende?

En welk genoegen zou het doen ook in Vondel den mensch nader te beschouwen, te verwijlen bij den edelen grijsaard, welken noch ouderdom noch zedelijk lijden gemelijk maakten, maar die, tachtig jaren oud, nog de lustige stroffen schreef:

 
‘Zou het al zinken en vergaan...’
[p. 339]

die zoo blij zingen als de wildzang van vroeger:

 
‘Wat zong het vroolijk vogelkyn
 
Dat in den boomgaerd zat...’

En toch! geen lijden bleef hem gespaard: voorname vrienden waren van zijne zijde afgeweken of door den dood hem ontrukt; na zijne andere kinderen was ook de vrome en teedere Aima, zijne zorgzame verpleegster, gestorven; de grooten en machtigen hielden zich jegens hem onverschillig: de burgemeesters hadden immers niets dan koele beleefdheid over voor den negentigjarigen man die, op een sleedje aangevoerd, eenige bediening voor zijnen kleinzoon vragen kwam om den jongen van den schoenmakerswinkel af te helpen, ‘waar hij werkte en bijna niets verdiende’. Alleen een kleine, getrouwe kring van kunstminnaars en jonge dichters, die hij als zonen beminde, kwam dagelijks den goeden vader opbeuren met een bezoek te zijnen huize, dat hem telkens even welkom was en waar hij telkens bij het afscheid, met een erkentelijk ‘God loone 't’ zijnen dank over betuigde.

In 1654 verschenen ‘Horatius Flakkus' lierzangen, in het rijmeloos vertaelt door J. van Vondel.’

De slotzang van het derde boek draagt voor titel: ‘Dat zijn vaerzen eeuwigh leven zullen.’

De vertaling der eerste regelen luidt als volgt: ‘Ik heb een gedachtenis voltooid, die koper verduren zal en hooger uitsteekt dan het punt der

[p. 340]

koningklijke naelden. De vraetige slaghregen, d' uitgelaten Noordewint, nochte de ontelbare reecks der jaren en het verloop der tijden zullen ze niet konnen uitroeien. Ick zal niet geheel sterven. Mijn grootste deel zal de Doot ontvlieden. Mijn lof zal hierna altijd even frisch aengroeien...’

Zou Vondel, na die regelen, zijn werk niet een oogenblik onderbroken en aan zijn eigen gewrochten, aan eigen onsterfelijkheid hebben gedacht? Ik verbeeld mij den dichter dus, die straks aan het schrijven was, maar nu, van zijne schrijftafel afgekeerd, de eene hand laat rusten op de tafel, de andere, met de pen tusschen de vingeren, laat hangen over den arm van zijnen zetel; helder glanst zijn oog; de werkende gedachte spreidt haar licht over zijn gelaat, en stil herhaalt hij bij zich zelven: ‘Ik heb een gedachtenis voltooid, eeuwiger dan brons... Mijn grootste deel zal de dood ontgaan... Mijn lof zal hierna altijd even frisch aangroeien.’

Doch neen! de ootmoedige christen dichter deed geene uitspraak van lof en roem over eigen werk. Maar krachtig en geestdriftig doet het nageslacht die, en in duizend jubelzangen herhaalt die dit eeuwfeest. Andere eeuwen zullen volgen; iedere eeuw zal het gedenkteeken, door Vondel voltooid, de eeuwen zien verduren; iedere eeuw zal Vondel's glorie frisscher en frisscher zien bloeien.

(Toejuichingen).



illustratie

[p. 341]

De heer bestuurder geeft het woord aan den bestendigen secretaris om den uitslag bekend te maken van de wedstrijden voor 1887.

 

1o Prijsvraag (Verhandeling over de verbindigen der volzinnen in het Gotisch).

De Academie, gevolg gevende aan de besluitselen des keurraads, heeft den uitgeloofden gouden eerpenning toegekend aan den heer P.-H. van Moerkerken, leeraar in de Nederlandsche taal- en Letterkunde aan 's Rijks Hoogere Burgerschool, te Utrecht.

Zij heeft eene eervolle melding vergund aan den schrijver der verhandeling no 4, met kenspreuk: Die Sprache fliesst nicht aus der Grammatik, sondern die Grammatik aus der Sprache, en eene gelijke eervolle melding aan den schrijver der verhandeling no 5, met kenspreuk: Ut desint vires, tamen est laudenda voluntas. Ovidius.

 

2o Prijsvraag (Stelselmatige lijst van al de uitgaven van Middelnederlandsche werken en van de studiën over Middelnederlandsche Taal- en Letterkunde, verschenen hetzij afzonderlijk, hetzij in uitgaven van geleerde genootschappen, tijdschriften enz.)

De Academie heeft, op de besluitselen des keurraads, den gouden eerepenning toegewezen aan den heer Louis-D. Petit, bewaarder der drukwerken aan de Bibliotheek der Rijkshoogeschool te Leiden.

De belangrijkheid van twee andere bibliogra-

[p. 342]

phische verzamelingen erkennende, heeft de Academie aan ieder van deze eene eervolle melding verleend: de eerste, namelijk, aan de verzameling no 2, met kenspreuk:

 
Mijn werk en was geen spel,
 
Maar lastig was 't als mijnwerk,

en van welke zich aan het bestuur der Academie als bewerker heeft bekend gemaakt de heer Jan Broeckaert, briefwisselend lid der Academie te Wetteren.

De tweede eervolle melding is toegewezen aan de verzameling no 4, voorzien van de kenspreuk: tEn wert nye meester geboren.

3o Prijsvraag (Eene alphabetische lijst opmaken van onnederlandsche of bastaardwoorden, die bij 't volk of in gedrukte schriften meest gebruikt worden; voegende naast elk zulk woord het evenveel beduidend echt Nederlandsch woord, voor zooveel het nog, 't zij in enkele plaatsen, 't zij overal, in levend gebruik te vinden zij).

De Academie heeft, bij verdeeling, den prijs toegewezen aan de Woordenlijsten No 1 en No 3, eene en andere tot kenspreuk dragende:

 
Geen rijker kroon
 
Dan eigen schoon.

Opstellers er van zijn de heeren Jan Broeckaert, voornoemd, en Jan Craeynest, leeraar aan het St.-Lodewijksgesticht te Brugge.

[p. 343]

Ter beantwoording van de vierde prijsvraag: Lofrede op Hendrik Conscience, waren zes stukken ingezonden. Gevolg gevende aan de besluitselen van den keurraad is de uitgeloofde prijs niet toegewezen. - Dezelfde uitslag is aan te stippen voor de vijfde prijsvraag (Oorsprong der Belgische vrijheden), die door drie schrijvers werd beantwoord.

De zesde prijsvraag bleef zonder gevolg.

 

De zitting wordt te 4 1/2 uren geheven.



illustratie