Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1890


auteur: [tijdschrift] Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde


bron: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1890. Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent 1890


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 128]

Lezingen.
Eenige volksuitdrukkingen verdedigd en aanbevolen.
Door den heer D. Claes, briefwisselend lid der Academie.

Toen, ruim dertig jaren geleden, een lid dezer Academie op aandringen van Met Tijd en Vlijt de hand aan 't werk sloeg om de zoogenoemde gewestelijke uitdrukkingen, over geheel ons land door leeraars en taalliefhebbers bijeengeraapt, te schiften, te schatten, te rangschikken en te volledigen, toen zal hij er wel niet aan gedacht hebben dat hij met zijn Algemeen Vlaamsch Idioticon, hoe overvloedig van inhoud, hoe rijk aan gehalte, slechts de baan had gebroken, waarop de Bo en Tuerlinckx en na deze de Beer en Joos met vele anderen hem volgen zouden om even overvloedige, even rijke oogsten in te zamelen. Het zanten (gelijk het nu heet) van door het volk gebruikte, maar in de woordenboeken verwaarloosde uitdrukkingen, door den eerw. Heer Guido Gezelle op zulk eene keurige wijze verricht in zijn Loquela, en na hem door twintig tijdschriften en -schriftjes behartigd, het zanten is tegenwoordig eene mode, ik ging zeggen eene aanstekelijke ziekte geworden, zoodanig dat

[p. 129]

ernstige gesprekken, van welken aard ook, menigmaal op een zanterijtje uitloopen.

En toch is het nut, door al dien arbeid gesticht, niet in evenredigheid met de belangstelling, welke hij overal inboezemt. Er worden, ja, in onze hedendaagsche schriften gewestelijke woorden gebruikt, - in sommige zelfs te veel -; maar menige lezer verstaat ze niet, en als hij zijn woordenboek daarover raadpleegt, zijn woordenboek blijft stom, en dan - of ook wel zonder zich eenige opzoeking te getroosten - legt of werpt hij het schrift terzijde, omdat het in brabbeltaal geschreven is!

Onder alle koren is kaf voorzeker, en er worden vele uitdrukkingen geboekt, welke door 't onwetend volk uit overijling in plaats van de juiste en algemeen geldige worden gebruikt; doch daar zijn er ook eene menigte, welke door oudere schrijvers gebezigd, en onder 't volk voortlevende, in de woordenboeken of niet gemeld of als verouderd worden veroordeeld; andere, in vroegere tijden niet bestaande, maar ter gelegenheid van moderne toestanden of uitvindingen door de ‘spraakmakende gemeent’ in het leven geroepen, worden evenmin officieel erkend, maar zien hunne plaatsen ingenomen door bastaardwoorden of lamme omschrijvingen.

Het wordt dus tijd, dat de Academie haar voornemen ten uitvoer brenge en tot de wettige inburgering of herinburgering besluite van die groote menigte verstootelingen. En opdat zulk besluit niet op de lange baan geschoven worde, MM. HH.,

[p. 130]

zal ik het dossier van eenige dier verstootelingen u onder de oogen brengen, in de hoop dat gij het welwillend zult onderzoeken, en dat er bekwamere pleiters zullen opstaan om ook de overige onder hunne bescherming te nemen.

 

Bank beteekent ‘alle verhevene plaatsen, zegt Weiland, die geschikt zijn om op te zitten, te leggen, of daarop iets te verrigten’. - Rekbank geeft hij echter niet op; hij heet dat gerief, waar schotels en tellooren op te drogen gezet worden, schotelrek. Heremans haalt schotelrek aan, en vertaalt het door dressoir, ofschoon hij rechtbank ook door dressoir, buffet vertaalt. Die twee woorden beteekenen nochtans niet hetzelfde. Rechtbank heet bij L. Ten Kate in zijne Aanleidinge ook gerechtbank, ‘abacus, repositorium, een bank of tafel tot keukengerief om spijsgerechten of iet anders op te zetten.’(1) - Dit leidt ons tot het woord

Banken. - Voor dat werkw. geven de woordenboeken onderscheiden beteekenissen; ééne echter wordt vergeten. Wanneer in onzen jongen tijd (en dat zal nu nog wel plaats grijpen) eene juffer in 't begin van een bal wat al te preutsch was en te kieskeurig in het toezeggen van eenen dans, gebeurde 't wel, dat de jonge heeren te zamen spanden en haar hoegenaamd niet meer ten dans gingen

[p. 131]

vragen. Men ziet van hier, wat er geschiedde! 's Anderendaags werd overal verteld, dat juffer zóó eene den ganschen avond had moeten banken. In 't fransch heet zulk een onaangenaam tijdverdrijf faire tapisserie. 't Is genoeg om er een

Beslag van te krijgen, of liever eene beroerte; want beslag wordt wel in vele streken uitsluitend gebruikt om eene geraaktheid, beroerte, apoplexie te beteekenen; maar de woordenboeken nemen het daarom toch niet op, evenmin als

Bolling m., eene soort brood uit grof tarwemeel gebakken. Ten Kate geeft het woord bol, panis rotundus; ons bolling (böllink uitgesproken), heeft echter eene meer bepaalde beteekenis. En terwijl we van brood spreken,

Breusem, kruim, mie de pain, breuzelingen, kruimels, miettes, breuzelen, émietter zoeken we tevergeefs in onze wwbb. Bij Ten Kate en Kiliaan staan zij als verouderd aangehaald, maar zij staan er. 't Is gemakkelijk zeggen: die woorden zijn verouderd! Wat recht geeft dat, als zij op vele plaatsen nog frisch voortleven? Of zou er voor de talen ook eene soort mode de Paris bestaan, waar elkeen zich hoeft naar te regelen?

In het doorlezen van Ten Kate's Aenleidinge vielen we op 't Frank-Theutsch of Alamannisch: Er dera Sunna in Se dalkange, dat is Eer de zon in zee daalga, ante solem occasum, en we dachten:

Daal is een adverbium, dat bij oude schrijvers

[p. 132]

veel gebruikt werd(1), dat bij Kiliaan wordt opgegeven en in Limburg en Brabant (en zeker nog wel in andere streken) menigvuldig wordt gehoord in den zin van beneden, onder. Daalkomen, daalvallen, daalwerpen hoort ge daar alle vijf voet, en niet zelden daal alleen, als: hij is daal voor hij is beneden. 't Is waar, er wordt op alle tonen gepreekt, dat daalzitten, b.v. eene lompe uitdrukking is; maar als iemand u met een goed hert en lachenden mond zegt: Zit een beetje daal, kunt ge dat lomp vinden?

Floore (of fluëre), bij Kiliaan en Ten Kate Flore, homo futilis, thans kinderachtige mensch of jongen. Er zijn gevallen, waar men iemand niet kalf maar fluëre zal noemen, dat ligt aan de omstandigheid; daarbij de afwisseling bevordert de schoonheid.

Geleeg onz. is nog een van die ballingen, die wederrechtelijk veroordeeld zijn geworden. Ten Kate geeft het reeds als verouderd op: ‘Geleeg, habitatio, villa, domus rustica’ zegt hij. Kiliaan, bij wie 't nog niet verouderd is, voegt er de beteekenis bij van magalia (kleine woningen) en domicilium. Welnu, in die beteekenissen heb ik het altijd hooren gebruiken, als: een schoon geleeg

[p. 133]

(hoeve); een groot geleeg (hoeve of woning in 't algemeen); jaag hem van 't geleeg af; woont gij zoo moedermensch alleen op dat oud geleeg? - Geleeg heeft bij onze woordenboekschrijvers het lot ondergaan van zijn evenzeer voortdurend gebruikt synoniem

Winning vr., bij Kil. winhof, en winne, villa. - Eene winning is wat de Franschen une métairie, une borderie (ons boerderij) noemen; 't is eene groote of tamelijk groote hoeve, omtrent hetzelfde als wat wij een hof heeten. Zoo herinneren wij ons de Gasthuis-winning, Terhage-winning, de Verbrande-winning, gelijk het hof te Mere, alle zeer voorname hofsteden; want aan kleinere hoeven geeft men die namen niet.

Gezwaad onz., bij Kil. gheswade, manipulus, is in onze streken synoniem van zwade, dat volgens onze woordenboeken eenen gang of eene rij afgemaaid hooi beteekent. Gezwaad is regelmatig gevormd; eene swade is bij Kil. eene seysene; gezwaad beteekent een voortbrengsel der werking, en doet het werkwoord zwaden veronderstellen, dat is met de zeis werken. Gezwaad is dus voor t minst zoo goed als zwade.

Graaf m., bij Kil. graef, grave, fovea, fossa, bij Ten Kate, als verouderd wel te verstaan, aangehaald in de beteekenis van fovea, gracht, wordt te Hasselt, Tongeren en elders aldus nog gebruikt. Zijn vorm bewijst zijne wettelijke afstamming van graven (wij gingen zeggen dat het van graaflijken oorsprong

[p. 134]

is), en het heeft vrienden genoeg om in zijn bestaan te voorzien. - Een zijner verwanten, die meer getrouwen telt en toch door de woordenboeken verstooten wordt, is

Grichten - Hier dient herinnerd te worden, dat gracht zoowel de uitgegraven sloot als den grond, die langs de sloot opgeschoten is, beteekent. Welnu grichten is met de schup en bij middel van grond, uit de sloot gestoken, de wanden der gracht, ook die hooger liggen dan de straat of de weide, weer in goeden staat stellen. B.v. In 't voorjaar, als de boomen gesleend zijn, beginnen ze in de weiden te grichten. N.B. Sleenen of sleunen, bij Kiliaen sleunen, slonen, frondare, putare arborem, en verder sleener, sleensel of sleen zijn eveneens verbannen en eigendunkelijk vervangen door snoeien, snoeier, snoeisel, alsof er geen verschil bestonde tusschen 't snoeien van eenen perzikboom en 't sleenen van eenen populier! - Bij zooveel ijver tot het verdedigen van arme ballingen ziet men weleens de onverschilligen

Gremeelen of grameelen. Kiliaan en Ten Kate vertalen dit in 't latijn door subridere, renidere, in 't Fransch door grimacer, en de laatste leidt het af van 't oude grim, risus falsus(1). Hij moet het woord niet van nabij gekend

[p. 135]

hebben, want zijn uitleg is niet juist. 't Is noch glimlachen, noch grimlachen, noch grijnslachen, maar 't is heimelijk of bedekt lachen, gelijk iemand lachen zou bij het binnenkomen van iemand anders, wien hij weet dat eene verrassing (in 't goede of in 't kwade) te wachten staat. Gremeelen drukt dus een denkbeeld uit, wat door geen ander woord kan uitgedrukt worden; waarom het dan langer verbannen!

Het woord heulen (holen of hollen) zoekt ge te vergeefs in de woordenboeken; uithollen dient daar voor creuser, caver en miner. Kiliaan en Ten Kate echter geven heulen, cavare, excavare en ons volk zegt dat ook. Wat meer is, het volk heeft van dat woord een ander woord afgeleid, dat ook nog niet gewettigd is, namelijk

Heuling vr., tunnel. In Brabant, te Cumptich namelijk, werd voor ons land de eerste maal de spoorweg onder den grond doorgeleid, en 't gedenkt ons nog eventjes dat de heuling van Cumptich was ingevallen. Dat kunstwerk was zoo waarschijnlijk door eenvoudige vlaamsche aardwerkers 't eerst genoemd geworden, en heel de streek kende het onder geenen anderen naam, die toch aan ons vlaamsch verstand meer zegt dan tunnel; waarom zouden wij dan dergelijke kunstwerken anders dan

[p. 136]

heulingen noemen? De zucht naar het nieuwe doet ons menigmaal schilderachtige uitdrukkingen verwerpen tot groote schade voor onze taal.

Heulenteer werd ook al weggecijferd en door vlierboom vervangen, Holentere is echter door Kiliaan en Ten Kate geboekt. Vlierboom wordt door ons volk zeer zelden gebezigd en de stam vlier slechts in vlierbloemen, vlierthee, vliersiroop; als hout kent men slechts heulenteer: zoo zijn b.v. de heulentere vlegelgaer(d)en (en niet vlegelstokken!) de beste.

Wij maken van deze gelegenheid gebruik om ook een plaatsje terug te eischen voor het noodwendige

Kadeel of zoo gij wilt kardeel, in 't Fransch guide, en waar onze wwbb. leizeel, leireep voor opgeven. - Ten Kate haalt kardeel aan als een saksisch woord, en voegt erbij: ‘nu bij ons kabeltouwe, prymnesium’ d.i. ankertouw. Zóó of daaromtrent geeft het ook Kiliaan en onze wwbb. Hoe 't zij, 't kardeel is een touw, en ons kadeel (of kardeel) is een touwtje, waar men een paard of een gespan mêe stiert, niet leidt.

Kettel (of kertel) vr., is nog een woord, dat wij volstrekt noodig hebben. Lompen, lappen, vodden, zeggen hetzelfde niet als kettelen. Ten Kate leidt kertel, fimbria (franje) af van kerven; Pomey vertaalt kertelen o.a. door fimbriare; een oud Dictionarium Germanico-Latino-Gallicum geeft: ‘Kerven of kerten, crenas scindere, crenare, crener,

[p. 137]

tailler’ en ‘een kerte of kerf, crena, coche ou cran’. Kil. geeft omtrent hetzelfde. - Welnu, kettelen zijn ook franjes, de franjes der armoede, der haveloosheid, der slordigheid. Toen zij uit de stad terugkwam, had zij niets meer aan of om dan vodden en kettelen En als deelwoord: De jongens kwamen verhakkeld en verketteld thuis.

Van daar vallen wij op korf, maar zoeken te vergeefs naar korven, dat is korven en manden maken, en het daarvan afgeleide korver. Die beide woorden zijn beter dan de omschrijvingen mandenmaker en manden maken. Om met minachting van den korver te spreken of om te verwijten, bestaat het woord wisschenwever (wij schreven liever wissenwever); die uitdrukking verdiende wel een plaatsje, evenals wisschenweier (wissenweier), waarvoor ge de in ons land min gekende teenland, wijmland, griend zult vinden.

Een volledig woordenboek opstellen is zeker geene gemakkelijke taak; spoed komt hier geenszins te pas. maar geduldige en langdurige arbeid, anders wordt de nazoeker menigmaal teleurgesteld. Ge zoekt b.v. labboon en ge vindt het vertaald door fève de marais; maar zoekt ge fève de marais, dat vindt ge vertaald door tuinboon. Nu tuinboon, dat verstaat in onze streek niemand en met reden; immers Weiland zegt bij tuinboon: ‘Dezen naam geeft men op sommige plaatsen aan de Roomsche boon.’ Maar zoek nu Roomsche boon, 't is niet te vinden!

[p. 138]

Labboon is waarschijnlijk door samentrekking gekomen van laakboon gelijk het in Limburg nog wel gehoord wordt. Laeck of lack beteekent bij Kiliaan lacus; bij Ten Kate heet het reeds verouderd. De benaming laakboon geeft volkomen het gedacht weder van fève de marais en diende wel behouden te blijven. Als de laakboonen jong zijn en met schel en al geëten worden, heeten ze wollen vodjes of wollen wanten; zijn de boonen echter dik geworden, en worden ze gepeuld geëten, dan heeten ze bij ons, als eene grovere spijs uitmakende. boeren-teenen. N.B. 't Werkwoord peulen, d.i. de peul afdoen, staat niet in onze woordenboeken; bij écosser vindt ge slechts ontdoppen, uitdoppen, pellen.

Meet vr. komt in onze wwbb. voor in de beteekenis van marque, noyon bij 't spelen. Eéne beteekenis wordt echter niet opgegeven, die nochtans volkomen strookt met die van kerf en van crena, fourchette d'une flêche, door Kiliaan en ten Kate eraan toegekend. Wij zeggen de meet van den pijl, en alle boogschutters gebruiken bij ons 't werkw. rneeten, d.i. de pees (of liever de trens) in de meet of de meet over de trens drukken(1).

Opstal m. is volgens onze wwbb. ‘alles wat op eenen grond gebouwd is’. Bij ons beteekent het ook een huis, waar samenkomsten toegelaten

[p. 139]

worden, die voor de zeden gevaarlijk zijn. Ten Kate die 't woord verouderd heet, vertaalt het, naar Kiliaan, door receptaculum, latibulum, conciliabulum, een bewijs, dat wij 't goed voorhebben.

En laat ons nu een officiëel woord vragen voor iets waar we als schoolman belang in stellen, namelijk het haagschool houden, het haagstooten, het achter de haag gaan, het spijbelen, gelijk onze vriend Jan van Droogenbroeck het heet. Te Hasselt en elders bestaat eene uitdrukking, die wij aan de goedkeuring der taalkundigen willen onderwerpen. 't Is namelijk

Ranen. Hij is ranen of hij is gaan ranen. - Kiliaan geeft als oud Vlaamsch rannen = rennen, currere. Is 't misschien van de familie van randuinen, dat hij door currere cum impetu vertaalt?(1)

Reen m. borne, limite, wordt reeds door Kil. en Ten Kate als verouderd opgegeven; Heremans haalt het, als dusdanig, nog aan; Weiland, van Droogenbroeck en andere geven 't in 't geheel niet. En toch het woord leeft: die muur, die heg staat in den reen: welk ander woord wil men daar beter gebruiken? 't Werkwoord reenen en de samenstellingen reengenoot, reensteen, bij Kil. en Ten Kate nog als verouderd aangehaald, zijn, evenals reenvoor, in de andere woordenboeken totaal doodgezwegen. Er is echter groot onderscheid tusschen reen en grens, - reenen en grenzen, - reensteen en grenspaal. 't Is niet genoeg die woorden zoo maar verouderd te

[p. 140]

heeten, zoolang zij nog goeden dienst bewijzen, vooral wanneer men niets beters, zelfs als men in 't geheel niets weet in hunne plaats te zetten! Zoo heeft men het woord meere, meer, dat bij Kil. en Ten Kate terminus, meta, limes heet, ook laten in onbruik vallen.

Aangename herinneringen uit onze kinderjaren worden gewoonlijk door ons gekoesterd; een woord is soms genoeg om zulke herinneringen op te wekken, zooals:

Rijschok m. bij Kil. rijd-schot, rijs-koorde, touter; bij Ten Kate rijdschot, oscillum, slingerschop. Onze woordenboeken geven touter, schongel, schommel, slingerkoord, schopstoel, bijze. Ons rijschok (of rijzjok, gelijk we 't uitspreken) is toch wel zoo schilderachtig als die andere gewestwoorden; en rijschokken (rijzjokken) zoo schoon als schommelen of touteren.

Rinnen, stremmen, het in kaas veranderen der melk. Onze woordenboeken geven 't niet, maar stellen runnen in de plaats en heeten dat natuurlijk een regelmatig zwak werkwoord. Wij hebben echter nooit gerunde melk hooren zeggen, steeds geronnen melk, en onze wwbb. geven geronnen en vertalen 't door caillé. Bij geronnen zegt Weilland: ‘Verleden deelwoord van het oudc rinnen, ronnen!’ Zulke tegenspraak bewijst genoeg dat rinnen, waarvan ron, geronnen, de ware vorm is, te meer daar Kiliaan en Ten Kate het woord ook nog kennen. Hieruit volgt insgelijks dat rinsel beter is dan 't nieuwere runsel.

[p. 141]

Root vr. (zachtl. o) komt in de beteekenis van rangée, ligne misschien nergers meer voor dan bij Kil. en Ten Kate. 't Hangt echter nauw samen met rot, turma, bende; en overal spreekt men van eene root boomen, op root gaan, niet in de root blijven, drie keeren te root (achtereen). - En waarom moet men tien woordenboeken te root doorzoeken zonder

Rijeren te vinden, dat elkeen al heeft hooren gebruiken en misschien zelf gebruikt? Kiliaan geeft rijeren, van rijderen, tremere; juist dat beteekent het in den mond des volks, en zijne afkomst is evenmin te betwisten als die van redderen, beridderen, bibberen, stotteren en zoovele anderen frequentatieven.

Min algemeen gekend is 't Hasseltsche

Schalij onz., achterplaats van een huis, koer. Met zeker genoegen vonden wij dan ook het woord terug bij Ten Kate, die 't naar Kiliaen, als van Lovenschen oorsprong opgeeft, en 't vertaalt door ‘watersteen, impluvium’. Maar impluvium is ook eene koer, waar het water der daken neervalt. - ‘Adelung - zegt Weiland - brengt het woord schaal tot het nedersaksisch schälen, spoelen, weshalve dit Schal in het hoogd. waterig zou beteekenen.’ Zou men niet zeggen, dat Weiland den kerstenbrief van schalij heeft opgezocht?

Een woord, dat ook ten onrechte verouderd geheeten wordt, is

Schap onz., bij Kiliaan en ten Kate geboekt en vertaalt door theca, armarium, schaprade. In onze hedendaagsche wwbb. wordt het vertaald door rayon,

[p. 142]

tablette; maar van schap, armoire is geene spraak meer. In vele streken is deze benaming echter de eenige, die gebruikt wordt Daar is geen brood in 't schap - de muizen liggen daar in 't schap dood (er is gebrek), - ge moet nooit het schap voor de dienstboden sluiten, - het schap hangt daar hoog (de boden krijgen daar geen eten), - de mantel hangt in 't kleerschap, zijn uitdrukkingen die slecht kunnen vervangen, die niet kunnen afgekeurd worden.

Schalmen, bij Kil. en Ten Kate door decorticare vertaald, afkomstig van schel, is zooveel als de buitenste schors van eenen boom op manshoogte over eene kleine oppervlakte afkappen en een nummer of ander teeken op de gelijkgemaakte plaats snijden of schrijven om de volgorde der verkooping aan te duiden. Elk nummer is een schalm; het loon van dengenen, die de boomen geschalmd heeft, wordt gewoonlijk door den kooper betaald en heet schalmgeld. - Eene gracht schalmen (zie gracht) is de overtollige aarde met de schup wegsteken. - Als men van iemand zegt: hij is geschalmd, dat wil bijna zooveel beteekenen als: de pieringen grinsen op hem of er is geen kruid voor hem gewassen. Waarom blijven in de meeste wwbb. die uitdrukkingen achterwege?

Schoep, vr., ‘pala, rutellum, rutrum, batillum’, zegt Ten Kate, die 't woord verouderd heet. - Onze woordenboeken geven schop, schup, spade als synoniemen; wij, langs de Geet, niet. Eene schup dient om den grond mee te graven; zij heet ook grichtschup (zie grichten), ter onder-

[p. 143]

scheiding van de distelschup. Met eene schoep, laadt men kolen en gruis: beiden zijn van ijzer of staal. Met eene schob zet men op zolder den koornhoop om, ten einde er de kalanders uit te houden(1). - Drukken deze drie woorden door hunnen vorm en hunnen klank niet treffend den meerderen of minderen wederstand uit, dien men bij het gebruik dier werktuigen gewaarwordt? Waarom dien rijkdom langer miskennen? Of wil men van onze kloeke, krachtig ontwikkelde taal zoo een nufje maken, die uit eene flesch zou eten, kaal en

Smaal, als we het zoo zeggen mogen? Smal en smaal zijn in den grond hetzelfde. Ten Kate en Kiliaan vertalen smaal, smal door exiguus, tenuis; Kiliaan heet smale jonckers, smale heeren heeren van een gering aanzien en vermogen. 't Gebruik heeft echter de beteekenis van smaal beperkt tot smal van magerheid, gelijk ziekte of gebrek den mensch kan doen worden. Schakeeringen als deze laat men niet moedwillig verloren gaan.

Er zijn uitdrukkingen die misschien weinig gebruikt worden, maar dat is geene reden om ze te verwaarloozen. Het woord saillir, van dieren gezegd, wordt in de wwbb. vertaald door bespringen, dekken. Welnu, van paarden (om nu maar bij

[p. 144]

deze ééne diersoort te verwijlen), zeggen wij stalen. Ten Kate kent het woord en vertaalt het door salire. Waarom hij het verouderd acht, weten wij niet Kiliaan heet stalhengst, equus admissarius, in 't Fransch étalon.

Startel of stertel, ligula, wordt door Kiliaan en Ten Kate nog als gangbaar opgegeven en luidt thans ook stattel of stettel volgens de streek. 't Is een sterke nestel, dat ziet men hem wel aan. Waarom wordt hij niet gebruikt?

Op vele plaatsen hoort men in stede van verhuizen

Uitvaren, en in plaats van in een huis trekken

Invaren. - Ze waren aan 't uit- of aan 't invaren; ze zijn dezen morgen uit- of ingevaren zijn zeer gewone uitdrukkingen. Kiliaan en Ten Kate kenden uitvaren, want zij vertalen het door exire, egredi; invaren heet bij den eersten invehi.

Vertijgen, vertijen, bij Kiliaan en Ten Kate door abnegare, renunciare juri et actioni vertaald, en door Weiland en Heremans als verouderd opgegeven, leeft in 't kaartspel lustig voort, en beteekent daar niet volgen, wanneer men de kaart in de hand heeft.

Onze wwbb. hebben ongelijk naast het adj. vlug ook het verbum

Vluggen niet op te nemen in den zin van plumescere, pubescere door Kiliaan en Ten Kate eraan gegeven; want in beide beteekenissen van pluimen krijgen en huwbaar worden is het nog van dagelijksch gebruik.

[p. 145]

Vrijden, vrijen, bij ons vreên uitgesproken, kennen de wwbb. als libérer, exempter, maar niet als séparer, door eenen vree (tuin) afsluiten; zoo komt het echter in onze landbouwstreken gedurig voor, even als

Watervoor, bij Kiliaan elix, sulcus aquarius, lira, dat is eene vore, gewoonlijk met den ploeg in 't laagste gedeelte van den akker kruis over de panden (bedden) heen getrokken en met de schup uitgediept, opdat het overtollige water daarheen- en wegvliete.

Een woord, waarvan de oorsprong ons niet zeer klaar schijnt, maar dat toch een plaatsje diende te behouden, is

Watig, dat te Tienen en omstreken gehoord wordt, en zooveel beteekent als wild en los. Een watige ke(r)el is een mal jong mensch, een wien de weelde of de driften steken, en die alle soorten van watigheid of malligheid uitzet. Dat komt misschien wel overeen met het woord watig door Ten Kate als verouderd geboekt en vertaald door acutus.

Ten Kate geeft ook als verouderd het woord

Weern of wernooge, hordeolum(1)....’ Heremans heet het naar Kiliaen weeroog, anderen

[p. 146]

geven 't niet. - Wij heeten het weendel, wörl; die van Hasselt, wjaan(1).

Wenzelen, dat bij Kiliaen reluctari, weerstreven beteekent, komt bij ons voor bijna als stoeien, ravotten, maar van kinderen gezeid, die nergens hermen, dat is rusten noch duren kunnen; doch er is de gedachte woelen en slijten, frétiller, bij verstaan. Wat ligt ge daar op dat bed te werzelen? - Vandaar komt werzelaar, gewerzel, dooreenwerzelen.

Wijp, vr., heet bij Kil. en Ten Kate fax, fakkel. In dien zin kennen wij 't niet meer; maar wij gebruiken 't nog als een klein bosje stroo ter lengte van eenen elleboog, dat onder de dakpannen gelegd wordt om sneeuw en vochtigheid van den zolder te houden. - Van stroo gesproken, ieder weet wat een stroowisch is. Het woord

Wisch (wesch) bestaat ook op zichzelf. Heremans vertaalt het door torchon, van Droogenbroeck door torchon, lavette; Weiland heet het ‘iets waarmede men wischt’. Wij geven er nog de beteekenis aan van iets waaraan of waarop men wischt. Bij Ten Kate, evenals bij de buitenlieden en boterkoopers in onze streken heeft wisch daarenboven nog de beteekenis van cesticillus (hoofd-wisch, hoofd-wronghel zegt Kiliaen) dat is een kussentje

[p. 147]

of wrong, gewoonlijk van opeengedraaide of opeengenaaide lappen, die men op 't hoofd legt om er eenen korf op te dragen(1).

Vele door ons verdedigde woorden zijn, 't is waar, meest door landlieden gebruikt; maar ze hebben daarom niet min recht op bestaan.

Zang, vr., b.v., bij Kil. en Ten Kate ‘fasciculus spicarum’ is eene handvol koren- of tarwearen, welke door de oogsters (nalezers zeggen de wwbb.) of de baaiers, gelijk de Tienenaars zeggen, een voor een tusschen de mandels of achter de oogstkar of den oogstwagen opgeraapt worden. Wat zullen onze schrijvers en dichters bij gelegenheid in de plaats van die woorden zang, mandel,(2) geleg,(3) heukel en zoovele andere niet geboekte woorden gebruiken, wanneer zij den veldarbeid beschrijven of bezingen? Omschrijvingen? Maar hoe willen zij door t volk gelezen worden, wanneer zij de taal des volks niet kennen?

Zouw, vr., bij Kil. cloaca, bij Ten Kate

[p. 148]

zouwe, zode, cloaca, puteus’, beteekent thans nog bij ons eene moddergoot of kleine moddergracht. Onze woordenboeken vertalen égout door goot of riool. Nu, goot beteekent een waterloop zonder de nevengedachte van modder. Wat riool betreft, Weiland legt dat woord uit door ‘eene vuilniszijp’(1). Doch hij voegt er weldra bij: ‘Het beteekende, volgens Kil., oulings niet slechts eene vuilniszijpe, maar ook elk ander kanaaltje en greppeltje, en bijzonderlijk eene akkervoor (watervoor?)’ En dat beteekent riool nu nog: 't is voornamelijk eene waterleiding of watervoor (zie dat woord) in eene weide, terwijl eene watervoor eene waterleiding in eenen akker is. Hieruit volgt dat zouw eene bepaalde beteekenis heeft, en dus volle recht op bestaan.

Wij zouden de lijst onzer beschermelingen nog aanzienlijk kunnen vergrooten, vreesden wij niet dat onze lezing te lang zou worden. Misschien komen wij nog ooit met eene nieuwe lijst hier weder; doch wij zullen eerst afwachten welk lot aan de eerste zal te beurt vallen. Wij eindigen dus met het woord

[p. 149]

Zwielen, dat Ten Kate door fervere, bullire vertaalt(1). 't Is niet te verwarren met zwellen of zwillen, want het beteekent veeleer inkrimpen dan uiteenzetten. 't Is nog van dagelijksch gebruik, wel niet als branden of koken maar in den zin van ‘fijn gesneden roode koolen met boter en een scheutje azijn eens even het vuur laten zien om er een warm salaad van te maken.’ Sommigen zeggen zwellen, en de meesten vinden gezwielde of gezwelde rookoolen eenen aangenamen winterkost.

Was ons pleidooi wat uitgebreid en wat verbrokkeld om de algemeene belangstelling gaande te houden, wij verzoeken de rechtzinnige rechters het op staai nog eens te overwegen; licht zal daardoor nog menige uitdrukking opgewekt worden, die, gelijk het met oude geldstukken gaat, wel geenen wettelijken gang meer heeft, maar toch door 't volk aangenomen wordt. En indien zij recht op bestaan heeft, waarom zouden de schrijvers haar dan niet herkennen en waar 't pas geeft ook gebruiken? Er zijn in onze woordenboeken (vooral in de noord-nederlandsche) zoo menige woorden, die wij Vlamingen nooit hebben hooren, misschien nooit zien aanwenden; zullen wij er daarom tegen schermen? Maar omdat zelfs Ten Kate of Kiliaan reeds een woord verouderd heet, of omdat het in

[p. 150]

Noord-Nederland niet meer gehoord wordt, zouden de Hollanders het daarom afkeuren, indien het bij ons springlevend is en de echtheid van zijnen nederlandschen oorsprong bewezen? Zulks aanzien wij als onmogelijk. Elke plaatselijke studie over onze taal doet ons eenen dieperen blik in haar wezen werpen; en hoe grondiger wij haar leeren kennen, des te hooger zullen wij haar schatten, des te inniger zullen wij haar aankleven, des te standvastiger zullen wij haar beminnen.