Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1901


auteur: [tijdschrift] Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde


bron: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1901. Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent 1901


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 601]

[Redevoering van den heer Coopman over het woordenboek der Nederlandse taal]

Hooggeachte Toehoorders,
Waarde Medeleden
,

 

Het zal U wellicht bevreemden dat iemand, die op het gebied der wetenschappelijke taalstudie nagenoeg een leek is, een onderwerp aandurft, dat reeds zoo dikwerf, en meer dan eens op uitstekende wijze, is behandeld geworden.

Al het voortreffelijke, dat geleerden als Brill en Beets, Cosijn en Gallée, Kern en Kluyver, Moltzer en Muller, Verdam en de Vreese, J. te Winkel en Verwijs over het Woordenboek der Nederlandsche taal hebben geschreven, is U bekend, evenzeer als de nooit volprezen bladzijden der verslagen, mededeelingen en inleidingen, welke de groote Meester, Matthijs de Vries, aan zijn Taalmuseum heeft gewijd.

Over dat reeds veel en sedert lang besproken onderwerp nog iets nieuws te willen zeggen, zou derhalve, voor mij althans, eene verregaande vermetelheid wezen. Ook zou ik het niet gewaagd hebben dát onderwerp te kiezen, indien een gevoel van plicht er mij, als 't ware, niet toe had genoopt.

De geletterde en beschaafde vergadering die mij aanhoort, zal dus, naar ik vertrouw, voor mijne poging dubbel toegevend zijn, als ik vooraf de bekentenis afleg, dat het mij geenszins te doen is om een academische geleerde verhandeling, wel om in eenvoudige woorden over het werk, den man te herdenken wiens geest daarin leeft en wiens naam onsterfelijk verbonden blijft aan den opbloei

[p. 602]

der Nederlandsche philologie; - evenzeer bewondering uit te drukken voor zijne eerste Medewerkers, te Winkel, Verwijs en Cosijn, die professor de Vries, in de moeilijkste omstandigheden, met al hunne gaven trouwhartig ter zijde stonden; - tevens ons aller dank te betuigen aan hunne opvolgers, die met evenveel kennis en zorg als volharding en liefde den aangevangen arbeid voortzetten; - de huidige Redactie te huldigen, die ik, tot mijn allergrootste genoegen, namens de Koninklijke Vlaamsche Academie, op deze plechtige bijeenkomst begroeten mag in den persoon van den waardigen leerling en vriend van de Vries, ons hooggeschat Eerelid, Dr A. Kluyver.

Ik vlei mij met de gedachte, dat mijn woord wellicht weerklank vinden zal hierbuiten, en iets bijdragen om hier in ruimeren kring dan tot heden het geval is, belangstelling te wekken voor die ontzaglijke onderneming, welke alleszins recht heeft op den zedelijken en stoffelijken steun van alle verlichte Vlamingen, die de taal der vaderen vereeren om haar eigen schoon, hare beeldende kracht, haren onuitputtelijken rijkdom; - die beseffen dat de verspreiding van het Woordenboek, - wiens opbouw door het grootste gedeelte onzer landgenooten niet eens vermoed wordt! - een opperbest middel is tot uitroeiing van menig hier nog heerschend onbegrijpelijk vooroordeel tegen onze taal als cultuurtaal; niet het minst tot bestendiging van den eerbied, dien ons vrijheidminnend volk haar

[p. 603]

verschuldigd is; tot versterking van het geloof in hare toekomst, en bijgevolg in die van den geheelen Nederlandschen stam.

De spanne tijd, die mij is toegemeten, dwingt mij tot beknoptheid. 't Spijt mij, inzonderheid voor het jonger geslacht; want de wordingsgeschiedenis van het Woordenboek is wel waard nogmaals breedvoerig te worden behandeld; zelfs voor de ouderen mocht de herinnering aan die lijdensgeschiedenis wel eens worden opgefrischt, om de reden, welke professor de Vries zoo treffend uitdrukte, toen hij schreef: ‘Wanneer er een begin gemaakt is met de vervulling eener lang ondervonden behoefte, wordt die behoefte al spoedig minder pijnlijk gevoeld. Men is voorloopig tevreden gesteld, en andere wenschen leiden de aandacht af; zoo geeft men zich weldra geen rekenschap meer van den drang, die den aangevangen arbeid deed ondernemen. De ervaring heeft het hier ook geleerd. Nu het werk eens aan den gang is, herinnert men zich nauwelijks meer, hoevele moeite het gekost heeft zóóver te komen. Maar het is niet kwaad, het verledene te kennen, te weten hoe het destijds geschapen stond, om billijk het streven te beoordeelen van hen, die zich hebben aangegord om aan het verlangen der natie - eene eeuw lang telkens teleurgesteld - naar hun beste vermogen te voldoen.’

Er ligt, mij dunkt, iets roerends in de stille klacht van den noesten werker, die voor taal en volk verwezenlijken zou, wat anderen, lang vóor hem, vruchteloos hadden beproefd.

[p. 604]

Het samenstellen van een ‘oordeelkundig woordenboek’ werd het eerst besproken door Josua van Iperen, ten jare 1762(1). Toen vier jaar nadien de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden was gesticht, legde Ahasuërus van den Berg, in 1769 haar een voorstel over tot voorbereiding van een ‘volkomen omschrijvend Nederduitsch Woordenboek’. Met de medewerking van P. van den Bosch, Hinlopen, Kluit, Kreet, van Lelyveld en Valckenaer werd een plan ontworpen, en in 1774 ging men aan het werk om bouwstoffen te verzamelen. Commissiën volgden elkander op, maar na een twintigtal jaren, zag Leiden van den arbeid af in 1794.

Het bijeengebracht materiaal mocht Weiland, met J. van Convent en G. Bruining, benuttigen voor zijn woordenboek, dat van 1799 tot 1811 in 11 deelen het licht zag. Een eerbiedwekkend boek kon dit werk, in wetenschappelijk opzicht, niet heeten. Het leverde het bewijs, dat de dageraad der historische taalstudie niet was aangebroken. De tijdsomstandigheden waren, overigens, geenszins gunstig. In de Fransch-Belgische departementen woedde taal- en volksverdrukking. Holland beleefde, betrekkelijk gesproken, gelukkiger dagen onder de zachtzinnige regeering van koning Lodewijk-Napoleon. Deze stichtte het Koninklijk Insti-

[p. 605]

tuut en schreef in de wet van 1808, dat de 2e klasse een ‘Hollandsch Woordenboek’ zou vervaardigen. Niemand minder dan Bilderdijk, Siegenbeek, van der Palm, Weiland en Bussingh werden in 't bijzonder met die taak belast. Tamelijk veel moeite werd daaraan besteed, maar er ontbrak een bezielende leider, en er kwam, ten slotte, weinig of beter gezegd niets van.

't Woord van Potgieter: ‘Er was een tijd, dat Holland naar kennis dorstte, kennis waardeerde, kennis liefhad’, kan misschien, in zekeren zin, insgelijks worden toegepast op het Holland van Willem I, koning der Vereenigde Nederlanden; maar toenmaals bleek het echter weinig dorst te hebben naar hoogere taalkennis: men was en bleef er achttiendeeuwsch, als 't ware blind voor de omwenteling, welke Grimm en Bopp op het gebied der linguistiek over den Rijn bewrochtten.

Na 1830 zou het verkeeren: Hoffmann von Fallersleben had het jongere Holland den weg gewezen, en de uitgave van oudere gedenkstukken onzer taal door J.-Fr. Willems, Bormans, David en Serrure zou een prikkel zijn tot meer en beter.

Intusschen bleef de behoefte aan een taalkundig Woordenboek niet onbesproken in Noord en Zuid.

Hier bepaalden J.-Fr. Willems en Kan. de Smet, ten jare 1838, in hun wensch en ontwerp tot het stichten van eene Nederduitsche Academie, dat deze niet alleen onze destijds schromelijk verwarde spelling regelen zou, maar tevens een Woor-

[p. 606]

denboek samenstellen, en over dit laatste schreef professor Serrure eene lezenswaardige bladzijde in David's Middelaer van 1841.

Ginder ijverden Le Jeune en O. Schilperoort voor dezelfde zaak. De Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden ontving zelfs een plan van den heer Changuion uit de Kaapstad (1848), waaraan zij, om verscheidene redenen, geen gevolg kon geven, evenmin aan Oudeman's ontwerp, dat haar in December 1849 werd overgelegd

‘In andere genootschappen verhief zich menige stem. Geene bijeenkomst schier van geletterde personen, waarin het onderwerp niet ter sprake kwam, telkens met hernieuwden aandrang, dat men toch eindelijk eens handen aan 't werk zou slaan. In éen woord, de wensch naar een nationaal woordenboek was in die dagen - vooral tusschen 1830 en 1850 - als 't ware een volkswensch geworden: althans in alle beschaafde kringen een dringend en driftig verlangen, dat luide om bevrediging riep(1)’.

Gelukkig voor de verguisde taal en de frisch opbloeiende letterkunde ten onzent, had het Vlaamsch Congres, te Gent in 1841 gehouden, het langdurig geschil over onze spelling beslecht.

Thans mochten mannen, vol verstand en doorzicht, de stille hoop koesteren, dat de weg tot vollediger eenheid was gebaand. Tot die weldenken-

[p. 607]

den behoorde Dr. Snellaert. Het beperkt Vlaamsch Congres was hem een lichtstraal geweest: hij zou de Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congressen in 't leven roepen om, - hijzelf heeft het gezegd, - ‘datgene te volbrengen wat eeuwen lang verwaarloosd werd, wat niet tot stand kon komen toen men onder een zelfde Staatsbestuur in een zelfde huisgezin leefde: eenheid in de werking der Noord- en Zuid-Nederlanders tot behoud van den gemeenschappelijken volkszin en van de gemeenschappelijke volkstaal(1)’.

Jaren lang droeg hij die gedachte in zich om, en verwezenlijkte ze met kracht en beleid, te dezer stede, in 1849.

Die Congressen zijn voor onze taal een zegen geweest.

Gezegend zij de naam van hem, die in onzen Vlaamschen taalstrijd steeds in 't voorste gelid stond, maar al te zedig naar den achtergrond terugweek, waar en wanneer de lauweren van eer en roem werden uitgereikt!

Onder de Noordnederlandsche broeders, die in 1849 naar Gent kwamen getogen, telde men Gerth van Wijck, hoofdonderwijzer te Wijk-bij-Duurstede. Hij sprak er ‘Over den toestand en de eischen onzer gemeenschappelijke moedertaal’. Zijn wensch dat ‘op last en in naam van het Nederlandsch Taal- en

[p. 608]

Letterkundig Congres’ een volledig taalkundig woordenboek mocht worden vervaardigd en uitgegeven, ‘geheel voldoende ingericht en samengesteld volgens de eischen van onzen tijd’, ‘als de standaard en vertegenwoordiger onzer taalwetenschap’, werd warm verdedigd door Snellaert en J.-A. Alberdingk Thijm. Tien congresleden(1) werden ‘verzocht hunne gedachten over de zaak van het Woordenboek te laten gaan, en, geheel vrij zich met elkander in rapport te stellen of niet, op het eerst volgend Congres hunne denkwijze daarover (te) laten blijken.’

't Jaar nadien, op het Amsterdamsch Congres, scheelde 't weinig of de meening, die Josua van Iperen in September 1762 had uitgedrukt: ‘Elk ziet op tegen den arbeid, en wanhoopt aan de uitkomste’ zou nogmaals bewaarheid worden. Tegen de uitvoering werden stapels bezwaren aangevoerd, de moeilijkheden tot bergen opgehoopt. Zelfs de Jager, Jonckbloet en onze Bormans schrikten terug, en trachtten alles op de lange baan te schuiven. Te goeder ure ontviel den geestigen Beets het woord: une mer à boire! waarop hij heel gevat de snaar van den nationalen trots wist te treffen en te doen trillen, met zijne zinspeling op het Haarlemmer meer, het als onmogelijk uitgekreten en toch door Holland's wakkere zonen gelukkig volvoerde reuzenwerk!

[p. 609]

Na deze geestdriftige toespraak en een zaakrijk pleidooi van J.-A. Alberdingk Thijm, werden zes Commissarissen benoemd, die ‘met elkander in overleg (zouden) treden aangaande de werkzaamheden die hen (zouden) leiden tot de vervaardiging van het gewenschte Woordenboek’.

Die Commissie bestond, voor België, uit David, Snellaert en van Duyse; voor Nederland, uit Koenen, de Jager, en, merkwaardig genoeg, uit iemand, die in de vergadering niet aanwezig was en die zelfs op het eerste Congres niet had kunnen verschijnen. Die man, Matthijs de Vries, werd tot Secretaris der Commissie verkozen, en reeds het jaar nadien trad hij op te Brussel, - waar men het 3e Congres hield, - met een Ontwerp en eene uitvoerige toelichting. Zijn werk dwong de algemeene bewondering af, niet alleen om de bevattelijke taal en den schitterenden vorm, ook en vooral om zijne buitengewoon groote wetenschappelijke waarde.

Met eenparigheid nam het Congres het voorstel der Commissie aan:

‘Er zal, op last en in naam van het Nederlandsch letterkundig Congres, een Woordenboek worden vervaardigd en uitgegeven overeenkomstig het plan door de daartoe benoemde Commissie ontworpen’.

Het pleit was gewonnen. Dadelijk, ‘onder levendige toejuiching’ werden Dr. de Vries, kanunnik David en L.-Ph.-C. van den Bergh tot redacteurs aangesteld. Daar deze laatste de hem toe-

[p. 610]

gedachte taak niet op zich kon nemen, werd hij, kort nadien, door Dr. L.-A. te Winkel vervangen. ‘Leiden, de Academiestad, met hare rijke bibliotheek, waar de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde met haren kostbaren boekenschat is gevestigd, in de onmiddellijke nabijheid der ruim voorziene boekerijen van 's Gravenhage en Haarlem’(1) zou de zetelplaats der Redactie wezen.

Matthijs de Vries werd het voorzitterschap opgedragen.

Het warme woord, dat hij te Brussel had gesproken, was voor velen, voor allen, eene openbaring geweest. Het had den wankelmoedigen een hart onder den riem gestoken en allen welmeenenden overtuigd, dat den jongen geleerde de macht was geschonken om hun innigsten wensch te bevredigen.

De toen pas dertigjarige hoogleeraar was een geest met wonderlijke gaven. Gesproten uit eene familie, tot wier erfgoed de liefde voor letteren en wetenschappen behoorde, opgeleid door zijnen vader Abraham en zijn oom van moederszijde, Jeronimo de Bosch, in de bewondering der klassieken, mocht hij, onder de leiding van Bake, Geel, Rutgers en van Assen eene volledige academische ontwikkeling genieten. Grieksch en Latijn kende hij grondig. Deze laatste taal sprak en schreef hij zuiver en vloeiend. Het Fransch en de meesterwerken uit den

[p. 611]

bloeitijd van Lodewijk XIV bezaten voor hem geene geheimen. Met het bondig Engelsch was hij vertrouwd; de taal van Goethe zou hij zich eigen maken. Voor de mathesis had hij van jongsaf bijzonderen aanleg. Verscheidene jaren zou hij niet alleen de Nederlandsche Geschiedenis doceeren, maar tevens Gotisch, Angelsaksisch, Oudfriesch en Sanskrit. Wat hij als Nederlandsch redenaar is geweest, weten zij die het genot hebben gesmaakt hem te hooren spreken op de Congressen of bij andere plechtige gelegenheden. Zij en zijne leerlingen kunnen getuigen hoe hartstochtelijk hij zijne taal liefhad. In Nederland was hij, met Jonckbloet, de eerste, die Grimm en Bopp begreep. Op drie en twintigjarigen leeftijd, stichtte hij met Leendertz, de Hoop Scheffer, Jonckbloet, Tideman en Vermeulen, de Vereeniging ter bevordering der oude Nederlandsche Letterkunde, voor dewelke hij, in 1844, de uitgave van Boendale's Lekenspiegel met een meesterlijk Glossarium bezorgde. 't Jaar te voren, had hij den rijkdom onzer XVIIe-eeuwsche taal in 't licht gesteld, in zijne uitgave van Hooft's Warenar.

Destijds was zijn levensdoel de samenstelling van het Woordenboek van het Middelnederlandsch. Aan de studie onzer oudere taal zou hij 25 jaren wijden. Door zijne Proeve van Middelnederlandsche Taalzuivering; door zijne uitgave, met Verwijs, van Maerlant's Spiegel Historiael (1863-1876) en ander voortreffelijk werk, zou hij eenmaal den eernaam van ‘grondlegger der Middelnederlandsche

[p. 612]

lexicographie’ ten volle verdienen, nadat zijn Vaderland hem reeds gehuldigd had als ‘den grondvester van de wetenschappelijke beoefening’ onzer taal.

Van zijn Middelnederlandsch Woordenboek verschenen twee afleveringen. Prof. Verdam, zijn leerling en zelf een meester, zou het tot stand brengen. Niet zonder leedwezen zag de Vries van dien geliefkoosden arbeid af: het was een offer, dat hij vrijwillig en uit plichtbesef bracht om de taak te kunnen vervullen, welke zijne taalgenooten hem hadden toevertrouwd.

Hoeft er iets meer gezegd om den hoogen dunk te wettigen, welke de mannen van het Brusselsch Congres van hem koesterden? Men mag het, mijns inziens, voor waar houden, dat hij, in weerwil van zijne veelzijdige kennis en rustelooze arbeidzaamheid, aan de algemeene verwachting wellicht niet zou beantwoord hebben, indien hij niet al de hoedanigheden had bezeten, die den apostel kenmerken: het geheel opgaan in eene grootsche gedachte, die den zwakke staalt, den sterke veredelt en met geestdrift bezielt; het besef dat wat hij doet, strekken zal tot de beschaving en den roem van zijn volk; en bovenal dit onbegrensd zelfvertrouwen, dat verheven dichterlijk optimisme voor hetwelk het onbereikbare toch bereikbaar is met wil en geduld, met moed en volharding.

Den 1n Februari 1852 ging van de Redactie eene oproeping uit ‘ten einde ieder, die daartoe

[p. 613]

in staat (was), tot ondersteuning van haren arbeid op te wekken’. Het gold het bijeenbrengen van bouwstoffen excerpten, woorden en eigenaardige uitdrukkingen uit onze dichters en schrijvers der drie laatste eeuwen, uit reisverhalen en gildeboeken, uit oude en nieuwe werken over scheepsbouw en scheepvaart, waterstaat, vestingbouw en polderwezen, uit handvesten, keur- en placaatboeken, landrechten en stedebeschrijvingen, uit oude geschiedzangen en volksliederen, mede vak- en kunstwoorden, met éen woord, uit alles wat in onze taal geschreven of gedrukt staat.

De Redactie zelf begon met de elf deelen van Weiland's woordenboek te volledigen. Voor de zeevaart nam ze van Lennep's Zeemanswoordenboek en ze mocht zich verheugen in den bijstand ‘van twee deskundigen, L.-A.-F.-H. Baron van Heeckeren en J. Modera, beide oud-officieren ter zee(1)’. Naar eene mededeeling van mijn geachten vriend en collega Dr. W. de Vreese ‘beslaat de arbeid van Modera niet minder dan 6282 beschrevene bladen(2).’ Voor de waterbouwkunde en den waterstaat verwierf ze de medewerking van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, dat eene Commissie benoemde, met het goed gevolg, dat twee harer leden, Staring en van Diesen, 4500 uit-

[p. 614]

gelegde woorden konden aanbrengen, op meer dan 5000 beschrevene bladen(1).

Veel later kocht de Redactie, - die aanvankelijk de eerste kosten bestreed met 500 gulden toelage van de Nederlandsche Regeering en van 1000 frank van het Belgisch Staatsbestuur, - eene rijke verzameling excerpten van Dr. A. de Jager, eene tweede uit dezes nalatenschap, eene derde uit die van den bekenden dichter Adriaan Bogaers. Later nog zou zij van Mevrouw de Weduwe Bisschop uit Delft, ‘eene aanmerkelijke verzameling, door wijlen Dr. Bisschop bijeengebracht, van uittreksels uit Nederlandsche schrijvers’ ontvangen.

Beets, de gevierde schrijver van de Camera Obscura, excerpeerde Vondel.

Velen, in 't Noorden, boden de Redactie op die wijze eene behulpzame hand.

Maar, hoe weinig dat vele, tegenover de onberekenbare hoeveelheid materiaal voor zulk eene omvangrijke onderneming vereischt! Hoe onnoemlijk zwaar de taak, welke de Vries had getorst! hoe groot de krachtinspanning, welke hij van zich zelven, van zijnen vriend te Winkel en latere medewerkers vergde!

‘Denk U den lexicograaf, - schreef hij in zijne beroemde inleiding, -’ bezig met het opstellen van een artikel over welk woord gij maar wilt.

[p. 615]

Een bundel papieren ligt vóór hem, alle tot dat woord betrekkelijk. Hier eene reeks van aanhalingen uit dichters en prozaschrijvers, waarin zich de beteekenis in al hare schakeeringen afspiegelt; daar eigenaardige bijzonderheden, uit den mond des volks opgevangen, of eene aanwijzing van dialektische verschillen; ginds de vermelding van het technische gebruik in dezen of genen tak van nering of wetenschap; elders grammatische of etymologische opmerkingen, aan taalkundige boeken ontleend. Met oordeel onderzoekt hij dat alles, hij kiest het goede en bruikbare, hij laat het onjuiste of overtollige weg. Met smaak ontwerpt hij uit al het gekozene een welgeordend en sluitend geheel, terwijl zijne taalkennis over alles een helder licht verspreidt. Zijne taak is nog: ‘alle bouwstoffen nauwkeurig te schiften en te toetsen; ieder woord in zijne geschiedenis en in den logischen samenhang zijner beteekenissen grondig te doordenken; mondeling en schriftelijk de onmisbare inlichtingen in te winnen omtrent allerlei vraagpunten van wetenschappelijken en technischen aard; iedere bijzonderheid zorgvuldig te wikken en te wegen; alles in het ware verband te rangschikken, de aanhalingen uit te kiezen, na te slaan en te vergelijken; aan taal en stijl de noodige zorg te besteden, en daarna nog voor eene nauwlettende verbetering der proefbladen te waken’.

Die beschrijving is zeer juist; maar, mijns inziens, gansch niet volledig; want de Vries, wiens

[p. 616]

ziele-grootheid wij kennen, die niet klagen kon of wilde, heeft niet ronduit gezegd, dat onze opsteller te elker ure gedwongen is zijnen wetenschappelijken arbeid te staken om zelf zijn ontoereikend materiaal aan te vullen; om te doen, wat anderen voor hem zouden moeten doen. Zóo - ik schreef het onlangs, namens de Koninklijke Vlaamsche Academie, aan onze, voor het Woordenboek bijzonder gunstig gestemde Regeering, - zóo is de toestand nog ten huidigen dage. Wat zal hij wel geweest zijn, eene halve eeuw geleden, toen de Vries en te Winkel, - prof. David was te ver verwijderd om ze dagelijks te kunnen bijstaan, - toen die beide bergwerkers de eerste afleveringen voorbereidden!

Denk U, niet den lexicograaf, wèl den bouwmeester die, onder de toejuichingen van zijn volk, het plan ontwerpt van eenen Godgewijden tempel als Sint-Bavo alhier, of, tot verheerlijking van burgertrots en vrijheid, van een Halletoren als te Brugge. Denk U dien genialen man, verplicht tot het hanteeren van spade, zaag, houweel en beitel; tot het kappen en aanvoeren van zijne blokken steen uit de groeve; kortom, tot het verrichten van den arbeid van honderden; denk dat hij toch klaar komt met de grondslagen van het gebouw! 't Luidt bijna als een sprookje, als een vertelseltje uit Duizend-en-een-nacht.

Dat het van de Scheppers van ons Woordenboek zulk wonderwerk heeten mag, zal men eenigszins begrijpen bij de overweging dat Murray,

[p. 617]

die, naar de beginselen en het plan van den Woordenaar van de Vries, - eere zij dezen! - het historisch Woordenboek der Engelsche taal(1) bewerkt, over een leger van 1500 man beschikt: 1500 geoefende excerpeerders, die geregeld bouwstof van wijd en zijd aanbrengen; die tevens een staf sub-editors om zich heeft, geleerden die het materiaal kiezen en keuren, chronologisch indeelen, het schiften en schaven, den woordvoorraad helpen verklaren en toelichten; zoodat alles gereed ligt voor den toetssteen van de wetenschap der hoofd-redactie!

Wij benijden Engeland noch het grootscheepsche zijner ondernemingen, noch de macht van zijn goud, maar wanneer wij eenen oogslag werpen op de afgewerkte deelen van ons Woordenboek, - dat, nogmaals de Vries ter eere, ook door de Zweden als model is verkozen voor het hunne, - en daarbij overdenken hoe, met de allergeringste hulpmiddelen, de daarin samengebrachte schatten van kennis en kunst uit vier eeuwen taalleven zijn opgehaald en in het licht gesteld, dan eerst gevoelen wij ten volle wat wij aan dat gewrocht bezitten, en hoe het aan onze Moedertaal, ook voor het nageslacht, eene hoogere wijding schenkt.

Inderdaad, wat had prof. de Vries zich voorgesteld van een woordenboek der Nederlandsche

[p. 618]

taal? Laat ik hem zelf die vraag beantwoorden.

‘Indien het Woordenboek’ - schreef hij in zijn verslag van 10 September 1862, - ‘dat wij bewerken, alleen daartoe strekken moest, om de eischen der wetenschap te bevredigen: - hoezeer ook gezind om aan de wetenschap onze diensten te leenen - toch zouden wij den moed niet gehad hebben, met dat doel alleen voor oogen, ons zulk eenen arbeid en zoovele offers te getroosten. Wij hebben het bij iedere gelegenheid aan elk die het hooren wilde verkondigd: ‘Het Nederlandsch Woordenboek, dat wij eenmaal tot stand hopen te brengen, het heeft eene hoogere strekking, eene edeler beteekenis, dan de bevordering der taalkundige wetenschap. - ‘Het moet niet eene goudmijn wezen voor de geleerden’, wel, ‘eene bron, waaruit zich de geheele natie aan den levenden taalstroom kan laven’. - ‘Het is bestemd om volledig, ordelijk en duidelijk, de schatten der moedertaal ten toon te spreiden’, om ‘aan de practische behoeften onzer landgenooten te voldoen’, en ‘de uitkomsten, door de taalkunde verkregen, dienstbaar te maken aan de ontwikkeling en beschaving van het Nederlandsche volk. Het moet getuigen van de eenheid der taal, die in de beide deelen van het Dietsche vaderland eene zelfde afkomst bewijst’; ‘het moet Vlaamsch en Hollandsch eens voor al verbinden tot ééne gemeenschappelijke Nederlandsche taal’, ‘het moet die eenheid voor de toekomst verzekeren, als een plechtanker van duurzame verbroedering’.

[p. 619]

‘Het moet’ - aldus sprak hij later in zijne Inleiding - ‘het moet niet enkel bevorderlijk zijn aan de verspreiding van degelijke taalkennis, niet enkel de gelegenheid aanbieden om de woorden en vormen der taal in al hunne verscheidenheid te overzien, in hunnen aard en hun onderling verband te begrijpen. Het moet de taal niet uitsluitend als een voorwerp van wetenschap, maar ook als een kunstgewrocht te beschouwen geven. Het moet niet slechts spreken tot het verstand, maar ook tot het gevoel en de verbeelding. Er moet niet alleen leering, maar ook bezieling van uitgaan. Men noeme het geen ijdelen waan, geene aanmatiging, zóó iets te verwachten: het is veeleer een welgegrond vertrouwen op de natuurlijke en noodwendige werking der taal zelve, wier nederige tolken wij zijn. De taal oefent op ieder, wien zij hare geheimen onthult, eene wonderbare tooverkracht. Zij is de spiegel van den geest. Door in dien spiegel te zien, aanschouwt de mensch zijn eigen beeld, het afstraalsel van zijn innerlijk wezen Hij erkent de spraak als

 
't Ontvloeisel van zijn ziel, door 't lichaam uitgedreven,
 
Waarin zijn menschheid schuilt, zijn zelfgevoel en leven(1).

Hij leert de taal waardeeren als de grootsche schepping van het volk, waartoe hij behoort; als de openbaring van al het denken en gevoelen, al

[p. 620]

het handelen en streven, al het lijden en verblijden van onze vroegere geslachten; als den nationalen schat, waarop elk tijdperk onzer geschiedenis zijn eigen merk heeft gedrukt, en die ook van het onze den stempel draagt; als den band, die al de zonen van denzelfden stam omstrengelt; als den steun en het onderpand onzer nationaliteit. Wat al denkbeelden verdringen zich voor den geest, wat al gewaarwordingen vervullen het gemoed, als men dat alles helder beseft, als men die vluchtige onstoffelijke klanken in al hunne beteekenis, in al hunne waarde doorgrondt. Die denkbeelden en gewaarwordingen bij den lezer op te wekken, zijn taalbewustzijn te verhelderen, het aan te kweeken tot eene zedelijke kracht: dat is de ware bestemming van eene schatkamer der taal!(1)

Na veel onaangenaam en vaak ontmoedigend wedervaren; na de onontbeerlijke en gelukkige regeling van het spellingstelsel, over wier overwegenden invloed op onze taal ik graag zou uitweiden, indien de tijd het mij toeliet; na acht jaren voorbereiding, verscheen eindelijk de eerste aflevering in September 1864.

Martinus Nijhoff te 's-Gravenhage, A.-W. Sijthoff te Leiden en D.-A. Thieme te Arnhem, hadden zich met de uitgave belast. Die uitgevers, heeft prof. E. Moltzer ergens gezegd, hebben eene burgerkroon verdiend.

[p. 621]

De beste uitslag scheen hunne onderneming toe te lachen: van de 1e aflevering zagen zij 5039 exemplaren geplaatst in Nederland, 342 in België, 134 in Nederlandsch-Indië en De Kaap. Acht maanden later, toen de 2de aflevering het licht zag, telden zij 4500 inschrijvers voor meer dan 8000 exemplaren!

Alles liet voorzien dat dit verheugend cijfer nog merkelijk zou stijgen; maar de al te trage voortgang van het werk schrikte vele welmeenenden af: in den loop van vier jaren, tot en met 1868, ontvingen de inschrijvers enkel 7 afleveringen, in plaats van de 16, die beloofd waren. Dat kon wel niet anders: de Vries had zware ambtsplichten te vervullen, en te Winkel was de eenige, die zijn tijd onverdeeld aan 't Woordenboek mocht besteden. Daarbij was het apparaat, ik herhaal het en druk er op, zeer onvoldoende. De uitgevers wonnen den geleerden en buitengewoon werkzamen Eelco Verwijs, leerling van Jonckbloet en de Vries, voor de goede zaak. Helaas! vooraleer hij als derde redacteur kon optreden, bezweek te Winkel, den 24n April 1868, plotseling aan eene hartkwaal.

Wie te Winkel is geweest, heeft de Vries getuigd bij zijn graf. ‘Het was een genot met (hem) te werken’ schreef hij later. ‘Dat heldere verstand, dat scherpzinnige oordeel, die logische juistheid van begrippen, dat geoefende grammatische zintuig, bij die veelzijdige kennis en die gemoedelijke waarheidsliefde: dat alles is mij eene dagelijksche

[p. 622]

leerschool geweest, waaraan ik nog heden erkentelijk herdenk. Hoe veel of hoe weinig ik van mijnen kant mocht bijdragen om onze besprekingen vruchtbaar te maken, weet ik zelf niet te zeggen. Maar dit is zeker, dat onze eendrachtige samenwerking, door trouwe vriendschap gesteund en door geen zweem van onedelen naijver gekrenkt, zoowel voor het woordenboek als voor de herziening der spelling van groot nut is geweest.’

Toen in 1870 slechts drie nieuwe afleveringen verschenen waren, zagen de uitgevers naar eenen derden medewerker uit. Na hunne vergeefsche onderhandelingen met J. van Dale, Leendertz en anderen, aanvaardde Dr. Cosijn in 1871; maar pas had hij zich in zijne taak voldoende ingewerkt om als zelfstandig redacteur te kunnen werken, wat ten minste éen jaar tijd vergt, of Verwijs moest de pen neerleggen. Zijne benauwde borst dreef hem naar 't Zuiden. Hij kwam terug, werkte weer, verliet herhaaldelijk het killige Noorden met de zwaluwen om telkens met deze terug te keeren, tot dat hij, uitgeput, van het Woordenboek voor goed afscheid moest nemen in 1878. Hij overleed in 1880.

‘Eelco Verwijs was een eigenaardig vernuft; bovendien had hij eenen goeden smaak, dien hij door uitgebreide lectuur had verfijnd, en hij verstond de kunst de dingen ongemeen en geestig te zeggen... Hij bleef jeugdig, ook toen hij zijne lichaamskrachten voelde afnemen.... (Hij) had eenen stalen

[p. 623]

ijver en eene voorbeeldelooze werkkracht, daarbij een levendig besef van plicht; zonder er veel van te spreken, - getuigt Verdam, - deed hij hetgeen hij meende te moeten doen, en wat hij deed, deed hij met lust, met opgewektheid.’

Nog was de maat niet vol voor den beproefden de Vries. Andere pijnlijke slagen zouden hem treffen. De nieuwe wet van 1877 op het hooger onderwijs in Nederland, die hij zelf had helpen in het leven roepen, ontnam hem, tijdelijk hoopte hij, Cosijn, die te Leiden belast werd met Colleges over Gotisch, Angelsaksisch en Middelhoogduitsch.

't Jaar nadien verklaarde de Nederlandsche Regeeering dat zij zijne wetenschappelijke onderneming niet meer steunen kon, omdat er geene gegronde hoop (bestond), dat dit werk binnen een kort tijdsverloop tot een goed einde (zou) gebracht zijn.’ De Belgische Regeering kon niet anders dan dit voorbeeld volgen en hare jaarlijksche toelage intrekken. In 1879 overleed A.-D. Thieme en viel Nijhoff doodelijk ziek. Talrijke inschrijvers waren gestorven; vele anderen, de ontevredenen, hadden van het Woordenboek afgezien. De opbrengst bleek thans ontoereikend om de kosten der uitgave te dekken. Het Woordenboek scheen verloren.

Wat moet er destijds wel omgegaan zijn in het hart van den edelen man, die steeds iedereen hoop en moed had ingesproken, die, in September 1865, bij de verschijning van de 2e aflevering, zijnen taalgenooten had toegeroepen: ‘De wind waait

[p. 624]

in het zeil, het weerglas staat gunstig, de schippers zijn welgemoed, zooveler beste wenschen vergezellen ons op de vaart. Welaan dan, rustig voortgestevend! Daar ginds toeft ons de lachende kust!’

Als een schipbreukeling stond hij nu alleen, gansch alleen, op zijne ontredderde boot!

Het 17e Taal- en Letterkundig Congres te Mechelen, Augustus 1879, bracht hulp. Op het dringend verzoek der Regelings-Commissie stond de Nederlandsche Regeering 1000 gulden toe voor elke voortaan te verschijnen aflevering, de Belgische 1000 frank, tot een hoogste bedrag van 4000 frank per jaar.

De Vries werkte voort, en verscheen op het 18e Congres te Breda met de 30e aflevering, de 1e van het tweede deel. De Congres-verhandelingen kunnen ons slechts eene flauwe gedachte geven van het onthaal, dat hem te beurt viel. Maar de geestdrift, die daar heerschte, heeft niets te beduiden, vergeleken met den triumph, dien hij en zijn werk mochten vieren op het 20e Congres, te Amsterdam in 1887.

Daar sprak hij, zooals alleen een man, door den reinsten zendelingsijver bezield, spreken kan. En toen hij, ten slotte, wees op zijne klimmende jaren, op het afnemen van zijne kracht, op de beteekenis van het Woordenboek voor taal en volk en stam, op alles wat hij gehoopt, geleden en volbracht had, toen werden zijne vraag: ‘Wat zal er na mij van de met moeite verzamelde bouwstoffen geworden?’ en zijn verzoek om

[p. 625]

krachtdadigen steun en voldoende medewerking, beantwoord met de instelling van de Commissie van Bijstand voor het Woordenboek.

De Vries had zijn volk in het hart gegrepen. De giften vloeiden toe uit alle gewesten en steden van Nederland en België. Hier volgden Willems- en Davids-Fonds en andere kringen het voorbeeld van onzen Koning en van het Antwerpsch Gemeentebestuur, dat, op voorstel van Jan van Beers, 100 frank toezegde voor elke aflevering. Ginder teekenden tal begoede burgers, evenals het Provinciaal Utrechtsch Genootschap, ieder voor 300 gulden in. De Maatschappij van Haarlem schonk 600 gulden, het Amsterdamsch Genootschap Felix Meritis zijn inkas: 6584 gulden.

Dank zij ons betreurd Medelid, Desideer Delcroix, die zich reeds vroeger zeer verdienstelijk had gemaakt met zijne bemoeiing in de zaak van de officieel-verklaring, in België, van te Winkel's en de Vries' spelling, - dank zij dien hoogambtenaar, verleende onze Regeering 4000 frank, en Minister Ridder de Moreau, onder wiens bestuur de Koninklijke Vlaamsche Academie is gesticht, liet tevens weten, dat de gewone jaarlijksche toelage voortaan 6000 frank kon bedragen, 1000 frank per aflevering.

Zoo beschikte weldra de Commissie van Bijstand over een fonds van 16000 gulden, en mocht de Vries, bij de verschijning van de door hem bewerkte 3e aflevering van het 2e deel, zijne volle tevredenheid uit het hart laten opwellen: ‘Ik acht

[p. 626]

mij gelukkig’ - luidde het - ‘dat mijn onwankelbaar vertrouwen op de goede zaak, na al de zware proeven die het heeft moeten doorstaan, toch ten laatste is gerechtvaardigd, en bij het verzwakken van eigen werkkracht is het mij eene troostrijke gedachte, dat het Nederlandsch Woordenboek, door zooveel wederwarigheden heengeworsteld, nu eindelijk met blijde hoop eene betere toekomst te gemoet gaat. Hoc erat in votis.’

Voor die ‘betere toekomst’ was echter meer noodig dan geld. De Vries moest jeugdiger krachten om zich hebben, begaafde redacteurs, die hij tot de voleinding zijner taak kon opleiden, in wier ziel hij het beste, de bloem van zijn bergen-verzettend geloof kon overplanten.

Vleierij is niet mijn zaak of mijn zwak; maar hier meen ik als mijn innigste overtuiging te mogen uitspreken, dat het verschijnen van den jongen man, die in 1883 zijnen grijzen professor ter zijde sprong, toen deze moederziel alleen stond en gebukt ging onder den last, voor den Schepper van 't Woordenboek een zonnestraal is geweest in zijnen lijdensnacht. Sedertdien heeft hij, die destijds zijne merkwaardige Proeve eener critiek op het Woordenboek van Kiliaen voorbereidde, door zijne alom bekende Etymologi en van de Nederlandsche kultuurwoorden, ook door zijne diep bestudeerde afleveringen van ons Woordenboek, zich opgewerkt tot een der beste philologen, waarop Nederland roemen mag.

Dr. Kluyver, - ik kan toch zijn' naam niet

[p. 627]

verzwijgen, - heeft jaren met de Vries voortgezwoegd. Eerst met September 1888, na het tot stand komen van de Commissie van Bijstand, traden twee nieuwe uitstekende leerlingen van de Vries in de Redactie, te weten: Dr. Muller, wiens wetenschappelijke arbeid over De oudere en jongere bewerking van den Reinaert, over de Taalvormen van Reinaert I en II, welsprekend getuigen voor zijne groote geleerdheid; en Hildebrand's zoon, Dr. Beets, de buitengewone kenner van de gewone, levende taal. Drie jaar later riep de Meester een begaafden, te Gent gewonnen en geboren jongeling tot zich, die er pas den doctorstitel had verworven. Hij verbleef te Leiden tot in 1895. Wij vertrouwen dat Dr. W. de Vreese aan de huidige en vooral aan onze toekomende Vlaamsche Alma Mater leerlingen kweekt en vormen zal, die zich, op hunne beurt, evenals hij zullen wijden aan den eeredienst onzer Moedertaal. Dr. de Vreese blijft echter werkzaam aan het Woordenboek als correspondeerend lid, als adviseur voor het taaleigen van Zuid-Nederland. Tot zijn opvolger te Leiden, werd Dr. G.-I. Boekenoogen verkozen, wien wij het rijke Zaanlandsche Idioticon danken.

Al het werk, dat de verjongde Redactie reeds heeft afgedaan, is algemeen bekend. Van November 1893 tot Juni 1901 liet zij niet minder dan 33 afleveringen verschijnen.

Toen de Vries het moede hoofd neerlegde, den 9n Augustus 1892, is hij heengegaan met de vaste

[p. 628]

overtuiging, dat hij zijn Woordenboek aan goede handen had toevertrouwd. Is het hem niet gegeven geworden de Z te onderteekenen, zijn naam prijkt niettemin op elke bladzijde in onuitwischbare letters. Zijn Woordenboek, dat door geene buitenlandsche lexica in de schaduw wordt gesteld, zelfs niet door het hooggeroemde Wörterbuch van de Grimms; dat om de duidelijkheid der woordverklaring grooter waarde heeft dan het Dictionnaire van Littré; dat het wint in degelijkheid op het etymologisch Woordenboek der Engelsche taal van Eduard Müller; zijn werk zal zijn naam vereeuwigen!

En thans rijst de uiterst kiesche vraag: ‘Heeft, sedert de Vries' verscheiden, het voortgezette Woordenboek niets aan zijne vroegere deugdelijkheid verloren?’

Niemand kan betwisten dat de Redactie het door den Meester in de praktijk gevolgde plan eerbiedigt, al is het duidelijk waar te nemen dat hare opvatting van de taal niet geheel en al dezelfde meer is als die van den grammaticus te Winkel en van den classicus de Vries. Deze verkondigde, zeer te recht, dat de woordenboekmaker ‘de taal niet moet maken, maar vinden(1)’; ‘dat de taak van het Woordenboek niet gelegen is in het vellen van vonnissen(2)’. Bij elke gelegenheid gewaagde hij van zijn eerbied voor de rechten der ‘spraakmakende ge-

[p. 629]

meente’. Edoch, alhoewel hij bewezen heeft dat Klassiek en Nationaal heel goed te zamen kunnen gaan, kan door meer dan éen voorbeeld uit de door hem bewerkte gedeelten van het Woordenboek worden bewezen, dat hij meer gewicht hechtte aan het bewust, kunstig gebruik der geleerden dan aan het onbewust, natuurlijk taalgevoel der groote gemeente.

Men sla het Woordenboek op, en leze, bijvoorbeeld, zijn zeer belangrijk opstel over als en dan:

Hij schreef:

‘Nevens het oorspronkelijke dan achter den comparatief is in de 16e eeuw ook als in gebruik gekomen, dat allengs toenemende, vooral in de volksspraak, zoozeer is doorgedrongen, dat het thans nog in de spreektaal, in Noord en Zuid, de meest gewone uitdrukking is. In de schrijftaal bleef dan zich handhaven; doch ook daar moest het veelvuldig, door den invloed der spreektaal, voor als wijken, dat in de geschriften der drie laatste eeuwen tallooze malen wordt aangetroffen. Inzonderheid was dit het geval in de 17e eeuw, toen de invloed der taalgeleerden zich nog niet had doen gelden, die later krachtig gewerkt hebben om dan, althans in de geschrevene taal, in zijn oud recht te herstellen. - Vondel schreef in zijne vroegere gedichten nogal veel als; later kwam hij daarvan terug....’

Voor de Vries was dit genoeg; ook het feit dat Huydecoper, in het midden der 18e eeuw, als

[p. 630]

veroordeeld had, en dat in onze spraakkunsten en in het onderwijs dan de geijkte term bleef, spoorde hem aan om tegen het gebruik van het volksche als te waarschuwen, alhoewel dan en als, - naar zijn eigen getuigenis - ‘beide historisch te rechtvaardigen en logisch zuiver te verklaren (zijn)’

Welnu, zijne opvolgers en leerlingen eigenen zich die wetgevende macht niet toe. Zij blijven getrouw aan de door hem, in zijne Inleiding, verkondigde leer:

‘Het Woordenboek moet eene afspiegeling zijn van al de kleuren en tinten, die de taal in duizenderlei schakeeringen uitstraalt; het moet aan zijne lezers de geheimen der spraak openbaren, hen in staat stellen in haar heiligdom door te dringen en zich in de volheid der aanschouwing te verlustigen. Zoo zal het in waarheid aan zijne bestemming voldoen, en door het kweeken van eigen inzicht en eigen overtuiging den toekomstigen bloei der taal oneindig beter bevorderen dan het uitstekendste wetboek, door de geniaalste keurmeesters ontworpen’(1).

Bij de vergelijking van de vroegere afleveringen met die van de laatste 10 of 12 jaren, bespeurt men al dadelijk dat, zelfs toen de Vries nog de opperste leider was, er allengs meer plaats wordt ingeruimd aan de spreektaal; dat de schrijftaal niet meer alleen

[p. 631]

als heerscheres troont; dat er evenwicht komt tusschen de levende volksspraak en de boekentaal. De nieuwere richting handhaaft de eerbiedwaardige rechten van de zoogenaamde beschaafde taal; maar thans straalt de overtuiging door, dat de taal, in haren oorsprong, niet bestemd is om geschreven of gedrukt, wèl om gesproken te worden, en dat eene taal, al mocht ze beoefend worden door al de geleerden der wereld, verkwijnen moet, indien zij niet gedurig gevoed wordt met het hartebloed van het sprekende volk.

Nog steeds geeft de bonte mengeling van woorden en aanhalingen uit onze schrijvers, dichters en geleerden, een verheven denkbeeld van den rijkdom onzer letterkunde der vier laatste eeuwen; als vroeger krijgen wij den genialen Vondel te bewonderen met den muntenden Bilderdijk, den statigen Hooft, den deftigen Simon Stijl, den ongedwongen van Effen, den aestheticus Rhijnvis Feith, den luimigen Langendijk, den zalvenden Poirters, de geestige Elisabeth Wolff, den kleurigen van Mander, de zoetgevooisde zangers H.-Cz. Poot en Bellamy, den schranderen Vader Cats, de scherpe Anna Bijns, den koddigen Bredero, de prinsen der rederijkers als de Casteleyn en Houwaert, de vorsten der wetenschap a s Simon Stevin, Palfijn, Dodoens en anderen meer, te veel om te noemen; ook de onafzienbare rij der XIXe-eeuwsche denkers en vinders; maar dien overprachtigen stoet zien wij thans niet meer uitsluitend in de engere omlijsting der geleerdheid;

[p. 632]

de jongere Redactie richt hem door bosch en beemd, door hoogland en laagland, langs duin en heide, van Zuid naar Noord; en het volk uit West-Vlaanderen en Limburg. uit Zeeland en Gelderland, van overal waar de Dietsche taal klinkt, woelt en krioelt er om heen. Thans eerst zien wij het ideaal, de vereeniging van natuur en kunst, verwezenlijkt; thans mogen wij onze beschaafde taal ten volle bewonderen en ons tevens vermeien in de veelheid van hare scheppende dialecten; thans ruischt en bruischt door het Woordenboek in breede golving de stroom van al de klanken der harp onzer aanbeden Moedertaal.

 

Hooggeachte Toehoorders,
Waarde Medeleden,

 

Laat ik hier, als bestuurder der Academie en als secretaris van hare Commissie voor het Woordenboek, mijnen geachten Medeleden nogmaals mijn hartelijksten dank betuigen voor de excerpten, waarmede zij, in den laatsten tijd, de bouwstoffen der Redactie hebben verrijkt. Ik hoop, dat zij, met vele anderen buiten de Academie, steeds het voorbeeld zullen volgen van ons te vroeg verloren Medelid Guido Gezelle, die haar ruim 100.000 door hem verzamelde woorden en eigenaardige uitdrukkingen in bruikleen afstond.

Het zij mij tevens veroorloofd alle goede Vlamingen op het hart te drukken, dat zij jegens het Woordenboek plichten te vervullen hebben, vooral in de tegenwoordige omstandigheden.

[p. 633]

Wijd over zee leeft ergens een broedervolk, de jongste spruit van den Nederlandschen stam. Zijne herkomst indachtig, zijne taal, onze taal even getrouw als zijne vrijheid tot in den dood, zond het, sedert verscheidene jaren, voor het standaardwerk van de Vries, elk jaar, 200 pond over, en de inschrijvingen van zijne vreedzame, leergierige burgers namen gedurig toe.

Op den omslag der jongste afleveringen lezen wij, niet zonder aandoening, de namen van de gemachtigden hunner Regeering, in de Commissie van Bijstand. Die namen? Dr. N. Mansvelt en Dr. W.-J. Leyds.

Het Woordenboek is een werk des vredes. 't Past niet hier uit te drukken wat ik, op dit oogenblik, gevoel, wat gij allen gevoelt, wat al de volkeren van Europa's vasteland gevoelen, wat over de wijde wereld heen, millioenen menschen, die gelooven in de macht van eerlijkheid en recht, luid ten hemel schreeuwen!

Eén wensch des harten zij mij veroorloofd.

God geve, voor de toekomst van Vlaanderen's taal en volk, dat Vrijstater, Transvaler, Afrikaan, éenmaal, ten spoedigste mogelijk, in eene zuil van den Tempel onzer Taal, mogen beitelen:

‘Wat wij, beroofd van have en haard, in den uitersten nood, voor het Woordenboek niet meer vermochten, dàt heeft, voor ons, de Vlaamsche broeder gedaan’.



illustratie

[p. 634]

Bronnen.

A.
Woordenboek der Nederlandsche Taal.

1852. - Ontwerp van een Nederlandsch Woordenboek. Verslag der Commissie, in de vergadering van het derde Nederlandsch Letterkundig Congres, te Brussel, den 31 Augustus 1851, voorgedragen door Dr. M. de Vries, hoogleeraar te Groningen. Groningen, 1852.
  (Ook in de Handelingen van het Congres, blz. 109-156.)
1854. - Verslag der Redactie van het Nederlandsch Woordenboek, in de vergadering van het vierde Nederlandsch Letterkundig Congres, te Utrecht, den 22 September 1854, voorgedragen door Dr. M. de Vries. Haarlem, 1854.
  (Ook in de Handelingen van het vierde Congres, blz. 177-230.)
1856. - Verslag der Redactie van het Nederlandsch Woordenboek, in de vergadering van het vijfde Nederlandsch Letterkundig Congres, te Antwerpen, den 16 Augustus 1856, voorgedragen door Dr. M. de Vries. Haarlem, 1856.
  (Ook in de Handelingen van het Congres, blz. 97-133.)
1860. - Verslag der Redactie van het Nederlandsch Woordenboek, in de vergadering van het zesde Nederlandsch Letterkundig Congres, te 's-Hertogenbosch, den 11 September 1860, voorgedragen door Dr. M. de Vries. Haarlem, 1860.
  (Ook in de Handelingen van het Congres, blz. 42-73.)
1862. - Verslag der Redactie van het Nederlandsch Woordenboek, in de vergadering van het zevende Nederlandsch Letterkundig Congres, te Brugge, den 10 September 1862, voorgedragen door Dr. M. de Vries. Haarlem, 1862.
  (Ook in de Handelingen van het Congres, blz. 251-278.)
1863. - De grondbeginselen der Nederlandsche Spelling. Ontwerp der spelling voor het aanstaande Nederlandsch Woordenboek. Leiden, 1863.
1865. - Voorbericht bij ‘De Grondbeginselen der Nederlandsche Spelling’. Regeling der spelling voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal, vanwege de Redactie bewerkt door L.-A. te Winkel (2e druk 1865, 3e uitgave 1872, 4e uitgave 1879, 5e uitgave 1884).

[p. 635]

1865. - Mededeelingen en opmerkingen betreffende het Nederlandsch Woordenboek, in de vergadering van het achtste Nederlandsch Letterkundig Congres, te Rotterdam, den 12 September 1865, voorgedragen door Dr. M. de Vries. 's-Gravenhage, Leiden, Arnhem, 1865.
  (Ook in de Handelingen van het Congres, blz. 74-87.)
1866. - Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal, door Dr. M. de Vries en Dr. L.-A. te Winkel, leden der Koninklijke Academie van Wetenschappen. 's-Gravenhage, Leiden, Arnhem.
1879. - Woordenboek der Nederlandsche Taal. - Derde reeks. Zevende aflevering. Gekken tot gelegenheid bewerkt door P.-J. Cosyn, E. Verwys en M. de Vries, 1878. Door Prof. H.-E. Moltzer. Groningen, 1879, 12 bladz.
1882. - Woordenboek der Nederlandsche Taal. Inleiding.

B.
Dr. M. de Vries.

1890. - de Vreese, W., Matthijs de Vries, naar aanleiding zijner veertigjarige ambtsvervulling. In Gentsche Studentenalmanak (Taalminnend Studentengenootschap 't Zal wel gaan), 30e jaargang, Gent, J. Vuylsteke, 1890, blz. 119-160.
1892. - de Beer, Taco H., Prof. Matthias de Vries, in Noord en Zuid, dl. 15, blz. 410. Overdruk, 7 blz.
1892. - ten Brink, J., Over Matthias de Vries, naar aanleiding der laatste door hem bewerkte aflevering van het Nederlandsch Woordenboek (Elzevier's Maandschrift, jg. 1892, blz. 325 vlgg.).
1892. - Cosyn, P.-J., Ter herinnering aan Matthias de Vries, in den Gids, 1892, nr 11. Overdruk, 24 blz.
1892. - Gallee, J.-H., Professor de Vries (Nieuws van den Dag, nr 18, Augustus 1892).
1892. - Kern, H., In Memoriam (Minerva, algemeen Nederlandsch Studenten-weekblad, 17e jg., nr 19, 22 September 1892, blz. 227-228).
1892. - Kern, H., Matthias de Vries, 1820-1892. Leidsche Studentenalmanak, 1892. Overdruk, 13 bladz.
1892. - Kluyver, A., Matthias de Vries, in Nieuwe Amsterdamsche Courant, Algemeen Handelsblad, 65e jaar, zondag 21 Augustus 1892, nr 19871, tweede blad.

[p. 636]

1892. - Micheels, J., Aankondiging van M. de Vries' overlijden. Verslagen en Mededeelingen der K. Vl. Academie, 1892, blz. 310 vlgg.
1892. - Moltzer, H.-E., Matthias de Vries, ter gedachtenis. Toespraak ter opening zijner colleges, 28 September 1892. Groningen, bij J.-B. Wolters, 1892, 30 bladz.
1892. - Muller, J.-W., Matthias de Vries (9 Nov. 1820-9 Aug. 1892), (Leidsch Dagblad, 11 Augustus 1892).
1892. - Verdam, J., Matthias de Vries (9 Nov. 1820-9 Aug. 1892), overgedrukt uit ‘De Nederlandsche Spectator’, 1892, nr 34, 8 blz.
1892. - Verdam, J., de Vries op zijne studiekamer, in Elzevier's Maandschrift (Nov. 1892, blz. 526 vlgg.).
1892. - de Vreese, W., Matthias de Vries, in het Volksbelang (Gent, 20 Aug. 1892). Ook in het Nederlandsch Museum, 1892, blz. 257-262
1892. - te Winkel, J., Matthias de Vries, in De Amsterdammer, 21 Augustus 1892.
1892. - te Winkel, J., De omwenteling in de studie der Nederlandsche taal als het werk van Matthias de Vries (Tijdschrift Vragen van den Dag, 1892).
1893. - Verdam, J., Levensbericht van Matthias de Vries. Overgedrukt uit net Jaarboek der Koninklijke Academie van Wetenschappen, 1892. Amsterdam, Johannes Müller, 1893, 48 blz. (Met Bijlage A: Lijst der Geschriften over de Vries, ter herinnering aan hem verschenen na zijn overlijden, en Bijlage B: Lijst der aan Matthias de Vries opgedragen werken).
1892. - Kluyver, A., Levensbericht van Matthias de Vries. Overgedrukt uit de levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1892-1893. - Leiden, E.-J. Brill, 1893, 72 blz. Met De lijst der voornaamste geschriften van M. de Vries, voor zooverre zij in druk zijn verschenen.
1894. - Obrie, J., Levensbericht van professor Matthias de Vries, eerelid der Koninklijke Vlaamsche Academie (Jaarboek der Academie, Gent, Siffer, 1894, met portret).



illustratie

De heer Bestuurder verleent thans het woord aan den heer Dr. Kluyver, die zich uitdrukt als volgt: