|
|
|
| |
| | | |
Een trits Vlaamsche woorden verklaard
door Dr. Willem de Vreese.
1. Baskene.
Te Gent noemt men tooneelschermen met een op het eerste gezicht zonderling woord: baskene, met den klemtoon op de tweede lettergreep. Het is een meervoud.
Naar mij is medegedeeld gebruikt men in het Meetjesland, ook als meervoud, baskien: ‘achter de baskien’; ‘hij steekt op van achter de baskien’; als enkelvoudige voorwerpsnaam zegt men 'n baskiene.
In 't land van Waas zegt men poschene(n); zie A. Joos, Waasch Idioticon, 533a:
‘Poscheen (zachte e, klemt. op scheen), z. nw., vr. = Schuifwand op het tooneel. Men steekt dikwijls de spelers op van achter de poschenen’.
In West-Vlaanderen zegt men, naar het schijnt, poskenie, poschemie, paschenie en paschemie. Volgens mijn inlichtingen zegt te Brugge de eene paschemie, de andere paschenie. De Bo (2de uitg.) gebruikt al deze vormen als lemmata, met het meervoud op -iën (bij de drie laatste verwijst hij telkens naar den eerste), maar alleen de twee eerste komen voor in zijn voorbeelden:
| | | |
‘Poskénie, paschénie v., klemt. op ske, sche. Schuifwand op het tooneel, fr. coulisse de théâtre. Die poskeniën moeten herschilderd worden. De spelers komen tusschen de poscheniën uit op het tooneel. Hij hield zich verborgen achter eene poschénie. - Figuurlijk. Achter of bachten de poschenie (in het enkelv. als collectief), in 't verborgen, fr. derrière le rideau, dans les coulisses. Hij doet dat uit zijn eigen niet: er zit iemand bachten de poschénie, die 't hem ingeeft. Weten wat er ergens gebeurt achter de poskénie.’
En daarop gaat De Bo als volgt aan het etymologiseeren:
‘Dit woord is klaar het fr. postcénion (sic!) (van l. post en scena), of parascénion (sic!) (van gr. παρα en σϰηνη), plaats achter het tooneel waar de personagiën zich kleeden en den stond afwachten dat zij moeten verschijnen in 't spel.’
De Bo is hier niet zeer gelukkig geweest. Wat hij ‘klaar’ noemt, is heelemaal niet klaar. Vooreerst zijn postscenion en parascenion geen eigenlijke Fransche woorden, al staan ze in sommige Fransche woordenboeken vermeld. Ten tweede, indien de zaak zoo ‘klaar’ was, had De Bo ons de keus niet behoeven te laten tusschen twee - verklaringen.
Wat meer is, het Vlaamsche woord is een meervoud; het behoort tot de pluralia tanta en wordt slechts bij hooge uitzondering als enkelvoudige voorwerpsnaam gebezigd.
Onze twijfel wordt nog versterkt, als we even een paar voorbeelden uit vroeger tijd in oogenschouw nemen.
| | | |
In de jaarboeken der Thieltsche rederijkerskamer Het Roosjen staat vermeld, dat het tooneel in 1760 geheel vernieuwd werd; de gezellen kwamen overeen
‘met Sr Joseph de Cuypere meester-schilder binnen Cortryck, om nieuwlinghs te schilderen hunnen theater immers veerthien porscheniaen met de schuyven’(1).
Den 31 October 1761 richt de Kamer een verzoek tot Burgemeester en Schepenen van Thielt,
‘supplierende verthoonen oodtmoedelijck Prince, Deeken, Hooftman, ende voordere Guldebroeders van de gulde van St-Jan: Gebloeijt int wildt, geerigeert binnen de voorn. stede, dat sij geirne tot conservatie van hunnen theater ofte paschenia souden maecken eene casse op de groote Haele van het stadthuijs... onder den trap, 't gonne facillelijck, sonder het minste ongerief, van wien het soude connen wesen, immers sonder de caemer int eeniger manieren te beschaedigen, cangheschieden,... Oodtmoedelijck biddende... aen de supplianten ter plaetse voorseyt te consenteren te stellen eene casse tot conservatie van hunnen voorschreven theater ofte paschenia’(2).
In de Kluchtige Comedie van den rijken, doch zeer mismaekten Monsieur Grand-Cas, uit het einde van de 18de eeuw, eindelijk, komt de volgende tooneelaanwijzing voor:
Zy geven Fourbe den zak op zyne schouders van tusschen de Posschenia(3).
| | | |
Dat met porschenianen, paschenia, posschenia telkens bedoeld worden: tooneelschermen, lijkt me boven allen twijfel verheven. Op de eerste plaats wijst niet alleen het bijgevoegde getal der te schilderen porscheniaen maar vooral de nadere bepaling: met de schuyven, het uit; in het verzoekschrift uit het jaar 1761, waar paschenia gelijkgesteld is met theater, kan evenmin aan iets anders gedacht worden: immers er kan met theater of paschenia niet bedoeld zijn b.v. een schouwburgzaal, noch een podium, een stellage, maar losse stukken, dus schermen; want alleen losse stukken kunnen van hun plaats weggenomen en elders opgeborgen worden.
In de klucht van Monsieur Grand-Cas zijn de bewoordingen: tusschen de Posschenia op zich zelven overduidelijk.
Wat den vorm der woorden betreft, in het eerste voorbeeld is porscheniaen blijkbaar een meervoudsvorm op -en van porschenia, dat door den schrijver als een enkelvoud werd opgevat. Of paschenia in het verzoekschrift en posschenia in de klucht van Monsieur Grand-Cas als een enkelvoud dan wel als een meervoud zijn op te vatten, is onzeker; het laatste acht ik het waarschijnlijkste; doch daarover straks nader.
Zouden deze verschillende vormen nu kunnen ontstaan zijn uit postscenium of uit parascenium, zooals De Bo meende? Een vervorming van het
| | | | eerste tot posschenia, van het tweede tot passchenia is zeker niet ondenkbaar. In Latijnsche werken uit de laatste jaren der 17de eeuw is poscenium voor postscenium (waarmede het achterdoek bedoeld wordt), zelfs gewoon. Maar hoe is dan, in het eerste geval, de vorm porschenia te verklaren? Als een secundaire dissimilatie van de reeds uit -sts- geassimileerde ss? Niet ondenkbaar, en toch bedenkelijk.
En in het tweede geval, zou porschenia dan een andere vervorming zijn van een tusschenvorm tusschen parascenia en passchenia, t.w. van * parscenia? Maar vanwaar dan die o in plaats van de oorspronkelijke a? Er zou heel wat kunst- en vliegwerk toe noodzakelijk zijn, om dien overgang van a tot o aannemelijk te maken, aangezien juist het tegenovergestelde regel is: in aan Romaansche talen ontleende woorden blijft, in onbeklemtoonde lettergrepen, de a bestaan, en alle andere klinkers wórden a.
Maar het voornaamste bezwaar heb ik nog niet genoemd. Gesteld dat alle genoemde klankkwesties opgelost zijn, dan nog kunnen porschenia, posschenia, passchenia niet komen van postscenium of van parascenium, maaralleen van den meervoudsvorm dezer woorden (want hoe zou anders de uitgang -ia verklaarbaar zijn?), en dan is het een allereerste noodzakelijkheid dat deze meervoudsvorm gemakkelijk ter kennis onzer rederijkers kon komen.
Dit nu is niet het geval.
| | | |
Mocht dus een andere verklaring mogelijk zijn, waarbij deze vele bezwaren niet voorkomen, dan zou die zeker de voorkeur verdienen.
Ik meen een dergelijke, betere verklaring te kunnen voorstellen.
Het is bekend, dat bij de Grieken ἡ σϰηνή oorspronkelijk geen verhoogd tooneel was, maar de tent of, later, het gebouw op den achtergrond van de ὀρχήστρα (van het standpunt der toeschouwers gesproken), zoodat de acteur, daaruit optredende, in de orchestra trad, en niet boven, maar op één hoogte met het koor stond. Evenwijdig aan den voorgevel stond een minder of meer rijk versierde muur, het προσϰήνιον, rechts en links begrensd door zijvleugels van het achter dien muur staande gebouw. Waarschijnlijk werden deze zijvleugels παρασϰήνια geheeten: van de beteekenis van dit woord is men niet volstrekt zeker(1). Vóór het προσϰήνιον nu werd gespeeld, vandaar dat προσϰήνιον de naam van het tooneel zelf werd; en aan weerszijden van het, dus vóór dat προσϰήνιον gelegen tooneel stonden draaibare houten prismas, waarvan elk vlak beschilderd was; door deze om te draaien kon een verandering van tooneel worden bewerkt. Men noemde deze prismas: περίαϰτοι dat waren de eigenlijke coulissen.
| | | |
De Romeinen namen het tooneel van de Grieken over met enkele wijzigingen, waaronder de voornaamste wel deze was, dat de ruimte vóór het προσϰήνιον, het eigenlijke tooneel dus, veel grooter was, daar er plaats moest zijn voor een veel grooter aantal spelers; het Romeinsche proscenium was dus niet geheel gelijk aan het Grieksche προσϰήνιον.
Evenals het Grieksche woord, werd het Latijnsche een naam voor het geheele tooneel; bij de Romeinen werd daarenboven vaak het meervoud gebezigd, oorspronkelijk zeker als benaming voor het tooneel met alles wat er op was. Daarenboven is bij hen nergens sprake van parascenia(1): dat is niet eenmaal een Latijnsch woord, het is alleen Grieksch; zoo vervalt de mogelijkheid, dat baskene er uit zou ontstaan zijn, geheel en al.
Maar proscenia is des te gewoner geweest, en dit proscenia is naar mijn bescheiden overtuiging het woord waaruit ons Vlaamsche woord: baskene te Gent, paschene, poschene enz. elders, is voortgekomen.
Formeel is er niet het minste bezwaar. Toen men met het woord bekend raakte, is er allereerst een metathesis ontstaan: proscenia is *porscenia geworden, getuige de veerthien porscheniaen uit de
| | | | jaarboeken van de Thieltsche Kamer Het Roosje. Toen de metathesis eenmaal bestond, was een assimilatie van rs tot ss om zoo te zeggen met volkomen zekerheid te verwachten: de Vlaamsche dialecten assimileeren rs zoogoed als altijd. Vandaar de vorm posschenia in de klucht van Monsieur Grand-Cas, een vorm die blijkbaar in onzen tijd nog hier en daar voortleeft. Uit posschenia is passchenia ontstaan: de overgang van o tot a is een verschijnsel vallende onder de welbekende wet, welke boven reeds in herinnering werd gebracht; verg. arloge, arande, saldaat, kantoor, arkuul, cammode enz. Dat de uitgang -ia eerst ie, en ten slotte -e zou worden, lag eveneens voor de hand.
En wat het voornaamste is: de afleiding van lat. proscenia verklaart het meervoudsbegrip dat aan het Vlaamsche woord thans nog eigen is, en waarschijnlijk ook aan te nemen is voor de plaatsen uit het verzoekschrift der Thieltsche rederijkers en uit de klucht van Monsieur Grand-Cas. Uit het nieuwgevormde meervoud porscheniaen blijkt voldoende, dat de steller der overeenkomst met den schildersbaas De Cuyper den vorm porschenia niet duidelijk verstond.
Het Gentsche dialect en dat uit het Meetjesland staan, zoover ik zien kan, alleen met hun vorm met een b in de plaats van een p.
Met de verklaring van den vorm van het woord is echter nog niet alles gezegd; nog valt aan te toonen, dat er voor den Vlaming, in de
| | | | eerste plaats natuurlijk voor de Vlaamsche rederijkers, gelegenheid is geweest om lat. proscenia te leeren kennen, en dus in hun dagelijksche taal op te nemen.
Dat kon eerst geschieden, toen het vertoonen van de klassieke treur- en blijspelen ook in onze gewesten in zwang kwam. Niet dus in de middeleeuwen, maar op zijn vroegst in het begin der 16de eeuw, toen ook de Nederlandsche humanisten Plautus en vooral Terentius begonnen na te volgen.
Evenmin als de middeleeuwen heeft echter de 16de eeuw tooneelschermen gekend: dat blijkt ten overvloede uit de vier en veertig houtsneden, waarmede de uitgave van het Spil von Kinderzucht, den 9den en den 10den Augustus 1573 te Straatsburg gespeeld en in 1574 bij Thiebolt Berger aldaar uitgegeven, opgeluisterd zijn(1): deze houtsneden geven afbeeldingen van evenveel momenten uit het stuk; van schermen geen spoor. Geen wonder dus, dat men er geen naam voor had. Wel heeft de 16de eeuw het woord proscenium gekend, ja, komt zelfs een enkele maal proscenia voor, maar het woord heeft op alle bekende plaatsen een andere beteekenis, nl. die van tooneel, de plaats zelve
| | | | waar gespeeld wordt(1), het theater, zooals het vanouds heet, ook bij ons.
Daar komt bij, dat de Latijnsche stukken der humanisten nog niet op zulke groote schaal werden opgevoerd, dat de daarenboven zeldzame technische termen, die er bij te pas kwamen, gemakkelijk buiten hun eigen kring konden bekend worden. Dit kon niet geschieden, vóór dat een vrij groot publiek Latijnsche tooneelvertooningen kon bijwonen, aan wier opvoering veel zorg en kosten werden besteed, dat wil zeggen, niet vóór het humanistische schooldrama zich geheel ontwikkeld had tot het zoogenaamde Jezuïetendrama.
Het is wel bekend, dat de Jezuïeten alles te baat namen om hunne schoolfeesten op te luisteren; hunne voorstellingen werden door een talrijk
| | | | publiek uit alle standen bijgewoond; zij hadden wél baskenen, - althans reeds in den tijd, waaruit de hier medegedeelde plaatsen dagteekenen. Wanneer en waar de schermen voor het eerst in gebruik gekomen zijn, is uit literaire bronnen zoo goed als niet te achterhalen, zoo bondig en beknopt zijn de tooneelaanwijzingen in gedrukte stukken; maar uit het even fraaie als belangrijke werk van den Jezuïet Andreas Puteus, Perspectiva Pictorum, van 1693 tot 1700 te Rome verschenen(1), blijkt, dat schermen toen reeds tot de gewone tooneelbenoodigdheden behoorden. In het eerste deel, fig. 71-77, en in het tweede, fig. 37-43, behandelt Puteus uitvoerig het schilderen van schermen, die hij scenae, en van het achterdoek, dat hij poscenium noemt. Gelet op het internationalisme, dat het Gezelschap Jesu altijd heeft gekenmerkt, mag men veilig aannemen, dat ook in onze gewesten reeds in 't begin der 18de eeuw door de Jezuïeten bij hunne vertooningen schermen zullen gebezigd zijn; van hen konden onze rederijkers een woord als proscenia leeren kennen.
| | | |
Uitgaande van deze m.i. voor de hand liggende redeneering, nam ik mij voor in de Nederlanden uitgegeven Jezuïetendrama's te onderzoeken.
Aanvankelijk was de fortuin mij niet zeer gunstig. In de Palaestra Scholae Publicae Mechlinensis(1) zoekt men te vergeefs; in het eerste van de twee deeltjes Selectae PP. Societatis Jesu Tragoediae(2) komt echter een stuk voor, Crispus getiteld, waarvan twee personen op de lijst der dramatis personac aldus worden opgegeven: Fidicina intra proscenium, Fausta intra proscenium. Beide personen treden maar een enkele maal op; de eerste speelt een onbeduidende rol, maar de tweede behoort, zonderling genoeg, tot de hoofdpersonen: men ziet haar weinig, hoort en verneemt echter des te meer van haar; zij is de oorzaak van den ondergang van den held. Het is duidelijk, dat proscenium hier niet beteekent: tooneel, aangezien beide personages haast niet op de planken verschijnen en niets van wat van hun doen en laten verhaald wordt, vóór de toeschouwers geschiedt. Zoo komt b.v. in de 3de akte Crispus op het tooneel gerend uit de kamer van Fausta, en geeft, in een lange alleenspraak, te verstaan welke onnoembare voorstellen hem zooeven dáár door haar werden gedaan. Intra proscenium moet gelijk staan met ons achter de schermen, maar nog niet geheel - in anderen zin - met het Vlaamsch achter de baskene.
| | | |
Bij de schrijvers der orde, die opzettelijk de theorie en de praktijk van hun tooneel behandeld hebben(1), blijkt van die beteekenis van proscenium nog niets.
Bij dezen niet schitterenden uitslag mijner nasporingen, bedacht ik, dat de bibliotheek der Hoogeschool te Gent twee handschriften bezit, onderscheidenlijk gemerkt no 1074 en 1075, die, naar ik meende, voor mijn doel ook wel in aanmerking kwamen. Het laatstgenoemde, dat ik toevallig eerst las, bevat een aantal Jezuïetendramas, orationes, declamationes enz., vertoond en voorgedragen van het jaar 1742 tot 1770; ik vond er niets in dat mij dienen kon.
Het eerstgenoemde, afkomstig uit het Jezuïetencollege te Ronse, bevat alleen tooneelstukken,
| | | | aldaar gespeeld vóór en ná 1738: dit is het jaartal van het vijfde stuk.
In een Nederlandsch blijspel, waarin Molière's Malade Imaginaire nagevolgd en gedeeltelijk uitgeschreven is, vertoond in 1739, vond ik, om te beginnen, twee nieuwe, welkome voorbeelden van het Vlaamsche woord.
Bij 't begin van het 2de ‘deel’, d.i. bedrijf, komt een knecht, Hans, op, en dit wordt met de volgende tooneelaanwijzing verduidelijkt (Hs. bl. 137b):
Hier valt hans, heel woest uijt de poscenia loopende, en struijkelende.
Bij 't begin van het derde bedrijf een dergelijke aanwijzing (Hs. bl. 143a):
Argan met zijn Broer en zijn knecht komen uijt de poscenia.
In een ander Nederlandsch stuk, gespeeld in 1742 en in 1755 (scribebat livinus Roman poësios alumnus rothnaci studens, ex schoorisse. Anno Domini 1742 leest men aan het eind), zijn de tooneelaanwijzingen op enkele na, in 't Latijn gesteld, en daaronder vindt men:
| bl. 192a: | strobulus extendens caput e prosceniis tribonium devidet |
| bl. 192b: | strobulus caput extendens e prosceniis |
| bl. 205b: | per aliud proscenium exit eumenius |
| bl. 210a: | tribonius fugit intra proscenia |
Ten slotte, in het laatste stuk dat in dit handschrift voorkomt, een Latijnsch blijspel uit het
| | | |
| jaar 1743: | Dives avarus, de repente factus Liberalis, komen de volgende tooneelaanwijzingen voor: |
| bl. 229a: | exeunt e primis proscenis (sic) |
| bl. 229b: | intrat stalagnus, sed per aliud proscenium |
| bl. 233a: | exit hegio e proscenio mediis cortinis viciniore, portans sub pallio capsam ponderosam |
| bl. 233b: | exit economus e proscenio a parte arie |
| bl. 235a: | egreditur davus a parte vivarii, sed ex alio proscenio, quam intravit economus. |
Me dunkt, dat we hiermede gevonden hebben wat we noodig hadden: het bewijs nl. dat proscenia ook beteekend heeft schermen, en zulks onder omstandigheden, waarbij onze rederijkers het vreemde woord gemakkelijk konden leeren kennen en overnemen.
| |
2. Goele.
Te Gent, in het Meetjesland en ook te Brugge heet een eend een goele; moeders en kinderen, die naar het ‘Park’ gaan en zich vermaken met de eenden in de vijvers stukjes brood toe te werpen, lokken ze aan met het geroep: Goele! Goele! Goele! Goele! Goele! Goel!(1)
Van waar dit woord Goele?
Almeer dan eens had ik onwillekeurig gedacht aan fr. goulu = gulzig, daar een eend alles wat
| | | | men hem toewerpt met onmiskenbare gulzigheid opslokt; maar gedachtig aan het bekende woord van Max Müller: Sound etymology has nothing to do with sound, had ik die gedachte steeds teruggedrongen, temeer, daar mij uit de Fransche woordenboeken, die ik te mijner beschikking had, niet bleek dat goulu in Frankrijk een appellatief is voor de eend.
Wel schijnt goulu ook een naam te zijn van den glouton, en vermeldt Littré Goulu de mer als een naam van den haai; maar van veelvraat en haai tot eend, leek me toch een al te groote sprong.
Merkwaardigerwijze is goele echter wel degelijk hetzelfde als fra. goulu.
Het eerste bewijs daarvoor vond ik in een verhaaltje uit J. Girardin's, Récits de la vie réelle (Paris, Hachette et Cie, 1881). Er is sprake van een schooljongen, die, snoepzuchtig van aard, geen weerstand heeft kunnen bieden aan de verzoeking, om een potje confituren van een zijner schoolmakkers op de welbekende wijze met den wijsvinger te bewerken. Maar het komt natuurlijk uit, en wat dan gebeurt, verhaalt de schrijver als volgt (a.w., blz. 201 vlg.):
‘Me voyant découvert, je perdis la tête. Les regards des autres enfants, fixés sur moi, me causaient une angoisse insupportable. Je n'eus plus qu'une seule idée un peu claire, celle de me sauver et d'aller me cacher n'importe où. Je m'élançai donc hors de l'école et je me mis à fuir de toutes mes forces. Presque aussitôt j'entendis l'école toute entière qui se mettait à mes trousses. Ceux qui me pour- | | | | suivaient poussaient des huées épouvantables. Il y en eut un qui cria d'une voix perçante: “Goulu! Goulu!” et tous les autres se mirent à hurler: “Goulu! Goulu!”
Goulu, c'est le nom que chez nous on donne au canard, à cause de sa voracité. C'est le cri dont se servent les fermiers pour appeler leurs canards et les rassembler à l'heure de la pâtée.’
Tweede bewijs: wat Girardin hier zoo terloops zegt, wordt bevestigd door Jaubert, Glossaire du centre de la France, waar men leest:
‘Goulu, gouluchon, adj. S'applique aux canards et aux dindons. Les basse-courières les font accourir. en criant: Goulus! Goulus!’
Nu speelt het verhaaltje van Girardin wel te Chenac, een dorpje in de Charente Inférieure, arrondissement Saintes; maar de schrijver zelf werd geboren te Loches, bij Tours, in het departement Indre et Loire, dus werkelijk in centraal Frankrijk.
Ziedaar dus wat we noodig hebben: ook in Frankrijk wordt de eend goulu genoemd, en ook daar wordt de vogel gelokt door herhaald roepen: goulu! goulu! Meer behoeven we niet, om het Vlaamsche goele met fr. goulu te kunnen identificeeren.
Terloops wil ik nog even vermelden, dat goele te Gent ook een der overtalrijke namen is voor een borrel jenever. Aan de welwillendheid van den heer Lievevrouw-Coopman dank ik de mededeeling van de twee volgende aanhalingen uit een
| | | | welbekend werkje uit de jaren 1792 en 1793, die voor de chronologie van deze beteekenis van belang zijn:
Wy gingen binnen, en naer een dobbel goeleken gecomandeerd te hebben, zetten wy ons neder, K. Broeckaert, Dagelyks nieuws van Vader Roeland 18. Wy dronken ons goeleken uyt, zy gingen naer hun kraem en ik naer myn huys, ibid. 20.
| |
3. Pottekarie.
Te Gent noemt men pottekarie alle potten en pannen, die in de keuken dienst doen; verder: een zootje potten en pannen, die nu juist niet in een voorbeeldige orde door elkander staan, en met het bijdenkbeeld dat ze ook niet meer in den besten staat verkeeren. Het woord geeft een zeker misprijzen te kennen; vandaar dat het ook een woord geworden is voor boeltje in 't algemeen. Als de kinderen moeder de vrouw in den weg loopen met hun speelgoed, dan roept zij hun toe: ‘weg met al uwen pottekarie’, al is er geen enkel potje onder.
Het woord is niet beperkt tot Gent.
Joos, Waasch Idioticon, zegt:
‘Pottekaree... Pottegoed, aardewerk. Veur den feestdag kuischen wij heel onzen pottekarée.’
De Bo, Westvlaamsch Idioticon, 2de uitgave:
‘Pottekarie, pottekarij... Pottegoed, aardewerk, fr. potterie. Een kraam met pottekarie. Pottekarie verkoopen.’
| | | |
De Bo en Joos kennen dus geen andere beteekenis dan: aardewerk, d.i. gleierswerk. Dat was vroeger ook de beteekenis te Gent; ik herinner me zelf nog den tijd, toen kooplieden in gleierswerk met manden of stootkarretjes door onze straten trokken onder het geroep van: Pottekarie! Pottekarie! maar sedert het verlakte huisgerei in zwang gekomen is, is die straatroep verdwenen, en heeft het woord uitbreiding van beteekenis ondergaan.
Cornelissen en Vervliet, Antwerpsch Idioticon, geven dezelfde beteekenis op als Joos en De Bo, maar hun voorbeelden bewijzen dat ook in Antwerpen de beteekenis uitgebreid is. Zij zeggen nl.:
‘Pottekarree... Pottewerk, kommen, schotels, teljoren... Hij zit mee' heel zijne' pottekarree op straat. De zatte beest heet heel de pottekarree kapot geslagen.’
‘Kommen, schotels, teljoren,’ dat is gleierswerk; maar in zinnen als de opgegeven voorbeelden, die, afgezien van de uitspraak, ook Gentsch kunnen zijn, beteekent pottekarie ongetwijfeld: boeltje.
Vanwaar komt dit woord? Het tegenwoordig taalgevoel brengt het woord zeker in verband met potten, maar het heeft er niets mede te maken. Reeds de klemtoon, waarmede het woord wordt uitgesproken: hij ligt immers op de allerlaatste lettergreep, doet vermoeden dat het geen zuiver
| | | | Nederlandsch woord zijn kan, maar uit een Romaansche taal moet ontleend zijn.
Me dunkt, dat woord kan niet anders zijn dan apotekarie, d.i. dus apothekerij (Ofra. apotecarie, apotiquerie), dat in Vlaanderen nog altijd in gebruik is; apotheek, apteek is Noordnederlandsch.
Het wegvallen van praefixen in overgenomen woorden is een gewoon verschijnsel; men vindt er een overzicht van bij Salverda de Grave, De Franse woorden in het Nederlandsch, p. 303 vlg., en daar kan men zien dat geen voorvoegsel zóó vaak is afgevallen als juist a-. De meeste van die woorden dateeren reeds uit de middeleeuwen:
Bandoen = abandon, bandoneren = abandonner, labaster = albast, maelge = émail, maelgeren = émailler, miraal = admiral, miraude = amiraude, mitte = amit, paiseren = apaiser, pocalise (1. pocalipse) = Apocalipse, popelsie = apoplexie, rastement = arrêtement, rasteren = arrêter, selgieren = assaelgieren, sijs = accise, posteme = aposteme, postel = appostel.
Uit later tijd dateeren:
breviature = abbreviature, geparenteerd, meublement, morel, sperges, tak = attaque. Daarbij behooren ook de Vlaamsche woorden Sente Plone = Sint Appollonia, en sesses, stuipen, vaak in den verkleinvorm seskes = accès.
Bij de eerste reeks is te voegen pottecarie, want het woord komt reeds in 1487 (n.s. 1488)
| | | | voor. In een der brieven door die van Brugge en Iperen aan die van Gent gezonden betreffende Maximiliaan van Oostenrijk, schrijven zij:
‘uuterlic om pays te houdene ende quaet te scuwene de coninc es ghegaen up Craneburch een pottecarie up de mart, ende heeft daer dese voorledene nacht gheslapen’(1).
I. Diegerick, de uitgever dezer brieven, zegt over deze plaats:
‘Nous ferons remarquer aussi que, d'après la correspondance, la maison du Craenenburg était non une boutique de pierreries, comme le dit Beaucourt [de Nortvelde] en traduisant mal le passage de Custis, ni une boutique d'épiceries comme dit ce dernier, mais bien een pottecarie, c'est-à-dire une boutique de potteries de terre: actuellement encore dans la Flandre et surtout à Bruges et à Ypres, ce mot pottecarie a toujours la même signification’(2).
Diegerick schrijft hier aan het woord pottecarie een beteekenis toe, die het niet alleen niet in de middeleeuwen, maar ook later nooit heeft gehad. Pottekarie beteekent en heeft reeds vroeg beteekend: gleierswerk, maar nooit gleierswinkel. Custis was veel dichter bij de waarheid dan Diegerick vermoedde.
Wat meer is, Custis geeft zijn bron op, en is dus gemakkelijk te controleeren; hij zegt nl.:
| | | |
‘Het huys, alwaer den Rooms-Koning, genootsaeckt wierdt syn verblijf te nemen, volgens het seggen van Molinet, was eenen Specerye-winckel’(1).
Inderdaad, men leest bij Molinet:
‘finablement il fut conclud qu'il (t.w. le roy des romains) demouroit auprès d'eulx et fust logié en froncq du marchié, assez estroictement, au Cranenbourg, hostel d'un espicier’(2).
Over de ‘pottecarie’ op den Cranenburg geven andere bronnen, b.v. Despars, noch het Inventaire des Archives de Bruges, noch de registers van de ‘zestendeelen’, eenig licht. Maar hoe gaarne ook we meer inlichtingen zouden hebben, de mededeeling van Molinet zegt alreede genoeg. Fra. Epicier, apoticaire, en mnl. crudenere beteekenen alle drie apotheker, drogist; het hostel d'un epicier, de pottecarie up de mart was dus een apothecarie.
Dat pottekarie werkelijk niets anders is dan apothecarie, blijkt ten overvloede hieruit dat ook naast mnl. apotecaris, apteker, een vorm zonder a- voorkomt: in het gesprekboekje, uitgegeven door Hoffmann in de Horae Belgicae IX, leest men blz. 76: de crudenaers unde de pottecarise, ter vertaling van het Fransch: les apoticaris. Ook in het Engelsch bestaat pothecary reeds sedert lang naast
| | | |
apothecary: Murray, New English Dictionary i.v., heeft reeds een voorbeeld uit het jaar 1466.
Aan de welwillendheid van den heer Lievevrouw-Coopman alhier ben ik een voorbeeld uit het jaar 1800 verschuldigd, waarin pottekarie reeds zijn tegenwoordige beteekenis heeft, maar waarin het woord, merkwaardigerwijze, gebruikt wordt met betrekking tot het gerei van een apteker. Het luidt aldus:
Aessen-ze (t.w. de dokters) zien daget betaelen keunt, ze geven uy' en Flasken om te beteren en 'en Flasken om t'ergeren; en ze zoen zunder mê hunderen Pottekere 'en treffelyk man by 't vier zetten.’ [K. Broeckaert,] Briefwisseling tusschen Vader Gys en verscheydene andere geleerde persoonen van zynen tyd (Gend, J.F. Kimpe, z.j.), I, 94 (ao 1800).
|
(1)Bij A.L. de Vlaminck, Jaerboeken der aloude Kamer van Rhetorika, Het Roosjen (Gent 1862), blz. 176.
(2)Bij A.L. de Vlaeminck, a.w., blz. 239.
(3)Dit voorbeeld, dat ik verschuldigd ben aan de vriendelijkheid van den Heer Lievevrouw-Coopman, is aangehaald naar den tweeden druk te Gent, bij L. Van Paemel z.j. verschenen: zie blz. 32. L. Van Paemel drukte van 1817 tot 1845; het boekje lijkt me omstreeks 1840 gedrukt.
(1)Zie b.v.F. Wieseler, in de Allgemeine Encyklopädie van Ersch und Gruber, dl. 83, blz. 222 vlgg.; of G. Oehmichen, in Müller's Handbuch der klassischen Altertumswissenschaft, bd. 5. abt. 3, s. 237, en de door deze schrijvers aangehaalde werken.
(1)Zie b.v. het pas verschenen, zeer volledig geschrift van J. van Wageningen, Scaenica Romana. Groningen, P. Noordhoff, 1907.
(1)Vijf van deze vier en veertig houtsneden zijn gereproduceerd bij Johannes Boltte, Georg Wickrams Werke, dl. VI, blz. lxxxi vlgg.
(1)De meeste plaatsen waar proscenium voorkomt zijn te vinden bij Bolte, a.w., blz. lxxxvii vlgg; uit de Nederlanden is er eene bij te voegen, nl. uit den Homulus. Als Cognitio aanstalten maakt om Homulus te verlaten, en deze zegt: O Cognitio, tunc etiam abibis auersa mithi (ed. Roersch, vs. 1480; vertaling van Elckerlijck, vs. 829 ed. Logeman: Kennisse suldi mi oec begheven), dan geeft Ischyrius de volgende tooneelaanwijzing: Astabit in proscenio cognitio. Aangezien Cognitio in haar antwoord betuigt, Elckerlijck niet te willen verlaten, maar integendeel tot zijn dood bij hem te blijven, kan in proscenio niet anders beteekenen dan: op het tooneel. Ook uit de plaats waar proscenia staat, blijkt dat er nog geen sprake is van schermen. Jodocus Badius, Praenotamenta, cap. 9, zegt nl.: ‘ Intra igitur theatrum ab una parte opposita spectatoribus erant scenae et proscenia i.e. loca lusoria ante scenas facta.’ (aangehaald bij Creizenach, Geschichte des neueren Dramas 2, 6).
(1)Een tweede uitgave, met een Duitsche vertaling er bij, ‘dem ohnvermögenden Kunst-Liebhaber zu Nutz und Dienst verkleinert’, werd in 1719 te Augsburg uitgegeven door Johann Boxbarth, Kupfferstecher. - De kennis van het werk ben ik verschuldigd aan een vriendelijke mededeeling van Dr. Johannes Bolte te Berlijn, wien ik daarvoor hier opnieuw mijn hartelijken dank betuig.
(1)Antverpiae, Apud Henricum Aertssens, 1639.
(2)Antverpiae, Apud Joan Cnobbarum, 1634.
(1)Ik heb alleen kunnen raadplegen:
P.J. Masenius, Palaestra eloquentiae ligatae dramatica (Coloniae Agrippinae, 1657); J. Juvencius. Institutiones poeticae... Liber III De Dramate (Coloniae Agrippinae, 1726). De Dissertatio de actione scenica van P.F. Lang (Monachii 1727), heb ik niet gezien. Voor Masenius en Juvencius beiden is proscenium = tooneel. De eerste kende zéker nog geen schermen, want hij zegt, p. 22: Scenae actuum partes sunt, ita ab umbraculis quae olim arbores, nunc siparia praestant, appellatae; quod ante in Scena, sive umbra, latuissent in proscenium egressuri, nomen igitur Scenae, et loco, et fabulae partibus mansit. Juvencius kende de schermen misschien wel, maar laat er zich niet over uit; hij zegt: Per scenam intelligitur locus, ubi exhibentur Dramata: de quo difficile est aliquid praecipere, ob multiplicem Dramatum varietatem... Proscenium item locus ( est) ante Scenam porrectus, in quem Actores dicturi prodibant.
(1)Ziehier de notatie van den roep:
(1)Annales de la Société d'Emulation pour l'étude de l'histoire et des antiquités de la Flandre, 2 e série, t. IX, blz. 87.
(2)Annales, t.a.p., blz. 52-53.
(1)Custis, Jaerboeken der Stadt Brugge (2 e druk, Brugge, 1765), dl. 2, blzz. 313-314.
(2)Chroniques de Jean Molinet (ed. J.A. Buchon), t. III, p. 213.
|
|