Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1925


auteur: [tijdschrift] Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde


bron: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1925. Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent 1925


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 353]

Kleinigheden op het Gebied van de Geschiedenis der Letterkunde
door Dr. Maurits Sabbe, werkend lid der Academie.

I. Een bladzijde critiek uit de 17e eeuw.

De oudste proeven van critiek vinden wij in onze letterkunde eerst in de tweede helft van de 17e eeuw en nog zijn ze in dien tijd betrekkelijk zeldzaam.

Zoo achten wij het de moeite waard hier de aandacht te vestigen op eenige eigenaardige bladzijden letterkundige critiek, dagteekenend uit het jaar 1682, en verschenen, - waar men ze zeker niet zou gaan zoeken, - in De Sotte Wereldt, uitgegeven door Jan de Grieck, ‘in de Vinckenstraet’ te Brussel.

In dit satirisch-moraliseerend boekje hekelt de auteur allerlei menschelijke dwaasheden: de modezucht, de dartelheid der jeugd, de praatziekte, de wraakzucht, de jaloerschheid, de zotheid der ‘bloemisten’, antikwiteitenzoekers, alchimisten, nouvellisten, vrekken, enz. Onder al deze hebbelijkheden heeft de schrijver ook gerangschikt de ‘Sotheydt der Poëten ofte Dichters’ en in dit hoofdstukje vinden wij eenige critische beschouwingen over letterkundige practijken, die zeker verdienen aan de vergetelheid te ontsnappen.

Op humoristisch-satirischen toon wordt hier gespot met zeker soort van verwaande, onbeholpen rijmelaars, die destijds talrijk genoeg moesten vertegenwoordigd zijn om een dergelijken uitval te wettigen.

De pseudo-poëten worden geschilderd als gekke tijdverkwisters, die onnutte comediën of zotte kluchten, en eerroovende liedjes schrijven. Ze vertellen leugens en maken minneklachten en onkuische madrigalen. In hun verwaandheid kennen zij zich zelf den eeretitel van poëet toe en schamen zich niet om zich verzen van andere goede dichters toe te eigenen en onder hun naam uit te geven! Ook dragen zij hun gedichten op aan een zoo groot mogelijk getal personages van aanzien ten einde alzoo de gunst van deze grooten te mogen genieten.

Zij stellen zich aan op bespottelijke wijze voor nietigheden. Zoo slaan zij zich met het plat van de hand op het voorhoofd om te kunnen besluiten of zij het woord wijf of vrouwe, ofwel aanschijn of aangezicht zullen gebruiken! Ze knagen hun nagelen af tot bloedens toe bij het zoeken naar rijmen!

[p. 354]

Na op het waardelooze geknoei dier rijmelaars te hebben gewezen, geeft de auteur een reeks ordonnantiën ten beste, uitgevaardigd zoogezegd door Minerva en de Negen Muzen, ‘de wetgeveren der noyt volmaeckte poesye’.

Met het oog op den dichterlijken smaak van de tweede helft der 17e eeuw te onzent, leveren die ordonnantiën wel belang op.

Als eerste vereischte werd van den dichter belezenheid gewergd.

Hij mocht ook nooit de ‘vaardigheid’ boven de ‘nettigheid’ zetten, noch zich op die vaardigheid roemen door b.v. bij zijn werk te vermelden in hoe weinig tijd hij het voltooide. Deze laatste opvatting gaat regelrecht in tegen de rederijkersoverlevering, die in de overwonnen moeilijkheid en in de technische knapheid de grootste verdienste van den dichter zag.

Verder wordt er zeer sterk aangedrongen op de noodzakelijkheid om de verzen te ‘schaven’ en te ‘effenen’. De polijstmanie, die in de 18e eeuw zooveel gladde, gevoellooze verzen ging brengen naar den trant der dichtgenootschappen en der decadente classicisten werd hier dus reeds in de hand gewerkt.

Er wordt ook uitdrukkelijk verboden om in treurspelen kluchten of ‘maeckgecken’ in te lasschen. Deze regel, die de classieke eenheid van stijl en toon wil bevorderen, was destijds te onzent zeker niet overbodig. Nog steeds werden hier in de tweede helft van de 17e eeuw zeer heterogene kluchtige bestanddeelen met de treurspelen vermengd, zooals dit in de middeleeuwsche abele spelen het geval was.(1)

Uit die letterkundige ordonnantiën blijkt ook, dat het purisme bij onzen auteur in eere stond. Er wordt streng verboden ‘termen van rechten als judicature, censure,’ enz. of andere uitheemsche woorden in verzen te gebruiken. Niet alleen in de woordenkeuze, maar ook in de woordschikking moet men het uitheemsche vermijden. Zoo verbiedt de ordonnantie ‘nae de Fransche wyse’ het adjectivum achter zyn substantivum te plaatsen en b.v. te schrijven: een ‘man groot’ in de plaats van een ‘groot man’ - iets waar onze rederijkers niet voor achteruitgingen.

Zeer kenschetsend voor het letterkundig gevoel van dien tijd is ook het artikel waarbij aan de dichters verboden wordt hun ‘huiselijke oefeningen’ of ambtsbezigheden te verwaar-

[p. 355]

loozen om zich op de poëzie toe te leggen. Niet meer dan vier uren daags mogen zij aan verzen-maken besteden. Dit komt overeen met de zienswijze van sommige onzer groote 17e eeuwsche dichters zooals Huygens e.a., voor wie de poëzie niet anders zijn mocht dan een ontspanning. Deze meening leefde nog lang voort. Is het niet Ledeganck, die nog schrijft in 1840, dat voor al wie jegens maatschappij en gezin plichten te vervullen heeft (Inleiding tot Bloemen mijner Lente) poëzie niets anders zijn mag dan een verpoozing na ernstiger bezigheden. P.F. Van Kerckhoven was een van de eersten te onzent om tegenover die klein-burgerlijke opvatting de hoogere roeping van den dichter te verdedigen (De Noordstar, 1840, p. 138).

Wie is de schrijver van deze bladzijden over de Sotheydt der poeten?

Jan de Grieck, de drukker van de Sotte Wereldt, wordt gewoonlijk ook als de auteur voorgesteld.

Wij durven dit echter zoo grifweg niet nazeggen.

In een voorwoord verzekert Jan de Grieck, dat ‘ den goeden af-treck van (zyn) Lacchende ende leerende Waerseggher’ hem aangemoedigd heeft om ‘andermael te komen met den afdruck van een Sotte Wereldt.’

Indien het zeker was, dat de Lacchende ende leerende Waerseggher. Jan de Grieck tot auteur had, dan zou daaruit natuurlijk afgeleid kunnen worden dat hij ook de auteur is van de Sotte Wereldt.

Doch daaromtrent kan twijfel geopperd worden.

Wij onderzochten een exemplaar van den Waerseggher zonder jaartal maar met approbatie van 1679, - een tweeden druk, zooals de voorrede ons leert.

Jan de Grieck noemt zich daar heel beslist de drukker van de eerste en de tweede uitgave, doch wat zijn auteurschap betreft laat hij ons wel eenigszins in twijfel. Nu eens zegt hij, dat men hem van diefte beticht heeft(1), wat doet veronderstellen, dat hij als auteur van plagiaat beschuldigd wordt; maar op een andere plaats spreekt hij over den auteur als over iemand, die onbekend bleef en ‘naer (wiens) naem ende staet soo dickmael getaelt’ werd(2).

Frederiks en Van den Branden, in hun Biographisch Woordenboek, rangschikken den Waerseggher onder Jan de Grieck's geschriften, - maar Dr. J. te Winkel in zijn Ontwikkelingsgang der Nederlandsche Letterkunde(3) en Baron de St Genois in de Biographie nationale zijn van een ander oordeel.

[p. 356]

Volgens Te Winkel is de Waerseggher het werk van Emmanuel de Aranda (Er staat bij vergissing de Eranda), den bekenden dichter, historicus, reiziger en raadsheer te Brugge (1612 † 1686). Jan de Grieck zou er alleen een nieuwen eenigszins en door hem zelf vermeerderden en gewijzigden druk van gegeven hebben, zonder den naam van den schrijver te vermelden. Baron de St Genois schrijft den Waerseggher, in de De Grieck-uitgave van 1679, aan E. de Aranda toe, zonder meer. Hij noemt dit boek een bundel gedichten, wat zou doen onderstellen, dat hij het niet zag, daar het wel degelijk een bundel proza is met enkele zeer schaarsche rijmpjes er tusschen in.

Konden wij de hand leggen op een oorspronkelijke uitgave van den Lacchenden en leerenden Waerseggher van E. de Aranda, dan zouden wij door vergelijking met de latere De Grieck-uitgave al spoedig kunnen uitmaken in welke verhouding De Aranda en De Grieck tot elkander staan als auteurs van dit boek.

Wij dachten dat Prof. Dr. J. te Winkel dit onderzoek had ingesteld, doch daarover ondervraagd deelde hij mij bereidwillig mede, dat hij een dergelijke vergelijking niet had gemaakt. Een oorspronkelijke De Aranda-uitgave heeft hij niet gezien. Wat hij over den Lacchenden en leerenden Waerseggher schreef, vond hij in het zelfde exemplaar, dat wij raadpleegden, nl. den tweeden druk van dat werk (1679). Hij heeft daar alleen den naam van Emm. de Aranda als die van den oorspronkelijken schrijver bijgevoegd, op gezag van een catalogus uitgegeven door Frederik Muller & Cie: Populaire Prozaschrijvers der XVIIe en XVIIIe eeuw (Amsterdam, 1893. Nr 607)(1).

Wij zelf hebben geen uitgave van den Waerseggher, ouder dan die van 1679, gevonden en konden dus de gewenschte vergelijking niet maken.

Wat er ook van zij, in zekere maat kan het Biographisch Woordenboek gelijk hebben al even goed als Prof. J. te Winkel en Baron de St Genois.

Voor zijn anecdoten-boekjes nam Jan de Grieck, evenals de vroegere verzamelaars van genoeglijke propoosten, zijn goed waar hij het vond. Hij vertaalde of bewerkte eenvoudig alles wat hem onder de hand viel en hem voor zijn doel bruikbaar toescheen, en het komt ons voor, dat zijn drukkersverlangen om een winstgevende succesuitgave op de pers te leggen hem

[p. 357]

bij die practijken sterker prikkelde dan zijn auteursverlangen om eigen schepping in het licht te geven.

Zoo Jan de Grieck voor den Lacchenden en leerenden Waerseggher Em. de Aranda heeft benuttigd, dan zijn er nog andere auteurs op wier terrein hij voor hetzelfde boekje op strooptocht ging. Zoo vinden wij b.v. in den Waerseggher heele brokstukken, woord voor woord overgenomen uit het Masker van de Wereld van A. Poirters (Zie p. 155 het verhaal van den abt die bewijst, dat hij gelijk had de werkvrouwen uit het klooster te verbannen; en p. 61 het betoog over de ganzen en de dronkaards, die in den hemel niet geraken).

Uit de Sotte Wereldt zelf kunnen wij ook niet met zekerheid opmaken of Jan de Grieck de auteur is of niet. Hij schrijft in de voorrede tot den lezer, dat hij maar een ‘afdruck’ van de Sotte Wereldt geeft, en in het berijmd bericht van ‘Den Drucker tot alle des wereldts In-woonders’ spreekt hij van ‘Den Vriendt, die tot ons heyl en luck, dees sotte Wereldt gaf in Druck...’. Hij stelt het dus voor alsof de drukker en de auteur twee verschillende personen waren. Dit kan echter ook gedeeltelijk een fictie zijn. Het is best mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk, dat Jan de Grieck de Sotte Wereldt zelf samengesteld heeft of vertaald of omgewerkt naar allelei modellen. Hij was gewoon dergelijke dingen te doen en kwam daar ook open voor uit.

Toen men hem dit prijken met andermans veeren verweet, antwoordde hij, zooals in de voorrede tot den Waerseggher, dat zulks een ‘ghoorlofte diefte’ was. Hij maakte ‘zyn schriften smaeckelyck, schreef hij, met het sout van een anders breinkasse’. Hij ‘discht de blom ende het merch op van vele heylighe ende christelycke schryvers’. Dat ‘goedje herkockt’ hij maar (Voorrede tot den Waerseggher).

Het fragment uit de Sotte Wereldt handelende over de ‘sotheydt der poëten’ en door ons hier afzonderlijk besproken, is geheel in den toon en den trant van Trajano Boccalini.

Dit heeft de Nederlandsche bewerker trouwens ook heel goed geweten, want onder de ordonnantiën, namens het hof van Apollo tegen de slechte poëten uitgevaardigd, plaatst hij den naam Trajano Boccalini.

Deze populaire Italiaansche satirist werd geboren te Lorette in 1556 en stierf in 1613 te Venetië. Zijn voornaamste werk, De' Ragguagli di Parnasso, verscheen in 1612 te Venetië in twee centuria, die herhaaldelijk herdrukt werden. Boccalini stelt Apollo voor als rechter op den Parnassus, waar hij de beschuldigingen en de klachten van prinsen, oorlogslieden en schrijvers aanhoort. De auteur spreekt er met groote vrijheid over allerlei vraagstukken en personages, zoo politieke als let-

[p. 358]

terkundige. Jer. Briani uit Modena voegde bij de twee eerste centuria nog vijftig andere ‘ragguagli’, die later met die van Boccalini in één bundel vereenigd werden (Venetië 1650). In 1653 verscheen nog te Amsterdam La secretaria d'Apollo (Blum & Conbalense), brieven van den dichtgod aan prinsen en schrijvers, eveneens bedoeld als vervolg op de ‘ragguagli’.

In de Nederlanden was Boccalini zeker geen onbekende daar zijn werk er vertaald en herhaaldelijk uitgegeven werd. In 1670 gaf de drukker Hero Galama te Harlingen de Kundschappen van Parnas uit, ‘verduitst’ door N.I. Wieringa. Dit werk bevat de twee eerste centuria en dan nog de vijftig andere berichten uit Apollo's Hof door Jer. Briani er bijgevoegd. In 1701 werd bij Hendrik Boom en de Wwe van Dirk Boom te Amsterdam van deze vertaling een herdruk gegeven, vermeerderd met de Nader Verklaringen over de Kundschappen van Parnas. Bestaande in eenige Brieven van den Autheur zelf, aan den Abt Crescentio en den H. Angelotti geschreven. In de liminaria van deze beide uitgaven vinden wij ter eere van drukker en vertaler Nederlandsche, Latijnsche en Fransche lofdichten van H. Neuhusius, W. Gutberleth, Joachim Oudaen, Johannes Antonides van der Goes en Joost van den Vondel(1).

Het hoofdstukje over de Sotheydt der Poëten in de Sotte Wereldt is geen vertaling en ook geen omwerking van een soortgelijk hoofdstuk uit de Ragguagli of uit de Secretaria.

Wij stelden vast, dat de overeenkomst met Boccalini zich beperkt tot de fictie van het hof van Apollo op Parnassus, dat de poëten beoordeelt en straffen uitspreekt.

Verscheidene gebreken, waarover in de Sotte Wereldt geklaagd wordt, konden overigens alleen bij Nederlandsche dichters gevonden worden.

In de algemeene opvattingen over dichters en dichtkunde zijn er echter hier en daar eenige overeenkomsten, aan te stippen. De geringschatting voor poëzie, die ten hoogste als een ontspanning mag beschouwd worden, en die wij aantreffen in de Sotte Wereldt, spreekt ook uit de Ragguagli. ‘Gisteren, schrijft Boccalini(2) wierd door de Geregts-dienaars der hoogagtbare Tuchtheeren van de Vrije Konsten eenen geleerden gevangen gebragt, die bevonden was, zeer vlytelyk, met de bril op de neus, lezende eenige Italiaansche Gedichten: En deze morgen zeer vroeg is hij, op bevel van Apol, tot driemaal strengelijk gewipt: en daarna met deze woorden bestraft; Dat, in de ouderdom van vijf en vijftig jaaren, waar in hij zich bevond;

[p. 359]

hij tot gewichtiger oeffeningen en weetenschappen hem moest leeren begeven, en laten de weelige Jongelingen hun tydt verquisten in 't leezen van minnedeuntjes, klink-rymptjes, en geyle liedtjes; dewyle in haren ouder eenigzins te dulden, 't gene in de grysaards wel ernstelijck is te berispen’. Ook daar waar de Sotte Wereldt en de Ragguagli het over letterdiefte hebben is een dergelijke overeenkomst naar den geest merkbaar. Maar daarbij beperkt zich dan ook alle gelijkenis.

Wij laten hier thans den tekst uit de Sotte Wereldt volgen (Blz. 75):

De sotheydt der poëten ofte dichters.

In dien wij den handel van onse Poëten, eens naukeurigh ondersoecken; wij sullen bevinden datter onder dit gheselschap vele Ghecken en eydele Tydtquisters zijn? Besonderlyck die sich bemoyen met het maecken van onnutte Comedien of Sotte kluchten, laster en Schimp-Liedekens, daer sy den goeden naem en faem van Koninghen, groote Dames, en andere eerlycke Vrouwen en Dochters mede stelen en verkorten. Wat belangt hun manieren van doen, die syn seer vremdt en belacchelyck. Sommighe slaen haer met het plat van de handt voor 't hooft om te besluyten, of sy aen-schyn oft aen-ghesicht sullen segghen, wyf ofte Vrouwe, sieck oft kranck schryven. Andere wandelen dan hier en daer, al droomende, om een Rymke te vinden, dat somtydts soo wel ten princepalen dient, of op de materie past, als certyn en fyn. Vele verslyten haren tydt met Logens te versieren, minneklachten, en onkuysche madrigaelen te maecken. Eenighe knaghen en eten (als rasende Menschen) hare naghelen, en dat somtydts tot het bloedt toe af. Vele sich verstouten (schoon hare Rymen in 't wilt rennen als een onghetoomt Peert) hun dien loffelycken eer-Tytel toe te schryven van Poëet. Tot dien eynde ontleenen of stelen sy (buyten en tegen wille van den Autheur) iemandts veersen, om die voor de hare te venten. Kort gheseyt, sy zyn in dese sotheydt soo hoogh op-ghetogen, dat bij haer alle huysselycke oeffeninghen aen een syde staen. Soo dat de Heeren Wetgheveren der noyt volprese Poesye, merckende dese en sommige andere ghebreken der Poëten, eyndelick haer ghedwongen hebben ghevonden, met Vrouwe Minerva, vooghdes der hooghe en laeghe Letteren, en toe-stemminge van de negen Musen, ordonneren en statueren, ghelyck sy ordonneren en statueren mits dese, de Artyckelen hier naer volghende.

In den eersten, niemandt en sal hem vermoghen den loffelycken Eer-Tytel toe-schryven van Poëet, voor en al eer hij

[p. 360]

by onse Ghedeputeerde daer over behoorelyck gheexamineert is. Ten minsten dat hy, soo door het lesen van oude als nieuwe Historien, eenighe ervarentheydt heeft, tot het maecken van een Comedie ofte Lier-Dicht: op pene van ghegeeselt te worden met een groot ghetal scherpe punt-dichten.

Ten tweeden: geen Poëet en sal eenighe aen-sienlycke materie moghen verhandelen, waer in hy de vaerdigheydt meerder behert als de nettigheydt: veel minder synen roem daer op draghen: ofte schryven voor syn werck, gherymt binnen den tydt van soo veel, of soo veel ueren, op pene van thien jaren ghebannen te worden uyt syn Vaderlandt met confiscatie van alle syn papieren en ghedichten, ten profyte van onsen Fiscael den Heer Obliviarius.

Ten derde: Soo wie hem vergrypt, iemandts anders ghedichten (buyten en teghen wille van den Autheur) voor de syne te venten: Sal (als schuldigh aen Kinder-diefte) onbequaern gheacht worden tot bedieninghe van eenighe ampten. En voorts arbitralyck ghecorrigeert worden.

Ten vierden: geen Poëet sal vermoghen eenighe Tragedie of Comedie, door iemandt anders laeten over-setten, uyt eenighe taelen, om de selve over-settingh in syne Vaersen te brengen; voor en al eer hy behoorlycke cautie ghestelt heeft, om t' allen tyden, over de begaen fauten aen-ghesproocken en gheconvenieert te worden: op pene van ses hondert klinck-vaersen van de beste alloye.

Ten vyfden: niemandt en sal op het voor-hooft van syn ghedicht, meer als eens moghen stellen, ter eeren van dien of dien Koningh, Hertogh, Prins, Staeten, myn Heer, & c. op pene als een pan-lecker ghebannen te worden, uyt de kokene van ons Hof:

Ten sesten: een ieder sal ghehouden wesen, syne vaersen (eer hy de selve in 't licht gheeft) te schaeven, en soo veel het moghelyck is te effenen: op pene dat die andersints, ten profyte van de arme weesen sullen aengheslaghen worden.

Ten sevensten: niemandt en sal in een Tragedie mogen in voeren eenige kluchten of maeck-gecken: op pene van arbitrale correctie.

Ten achsten: een ieder sal sich hebben te wachten, van te schryven eenighe onnutte ofte dartele woorden, propoosten, schimperyen, als andersints, op pene van een jaer langh vast ghestelt te worden in 't kack-huys.

Ten neghensten: niemandt sal vermoghen (ten ware hy anders niet te doen hadde) meer als drie, of ten langhsten vier ueren daeghs besteden, in het maecken van vaersen, uyt vreese, van door den ghedurighen drift der Poetische dampen,

[p. 361]

lichthoofdich te worden, en alsoo onbequaem te zyn tot syne huyselicke oeffeninghe, op pene van een ses maendige silentie.

Ten tienden: alle termen van rechten, als judicature, Censure, &c. Oock alle uythemsche woorden, sullen uyt sedighe vaersen ghebannen blyven, en soo wynich ghebruyckt worden als 't moghelyck is.

Ten elfden: na de Fransche wyse, sal sich ieder wachten, het adjectivum naer syn substantivum te setten: het welcke in onse tale een man groot ghenoemt wordt.

Ten twaelfden: om de arme Poëten in hunne noodt te hulpe te komen: wordt de selve toe ghelaeten, op de say-ackeren der rycke Poëten (ten tyden van den ooghst) haer noodtdruft te moghen halen: met verbodt nochtans, de overighe tydt des jaers, niet anders te besteden, dan tot het onderhoudt haers huys.

Ten dertienden: ende ten laetsten, soo sullen alle de Poëten, die door te ieverigh rymen hun eyghen naghelen hebben op ghegeten, vryelick moghen reysen naer de Indische Moluccas, om aldaer weder nieuwe provisie van nagels op te doen.

Aldus ghedaen ende ghegeven in onse Hooft-Stadt Parnassus, ter presentie ende goedt-vinden van onsen breeden Raedt, desen thienden van Somermaendt, in 't jaer onzer regeeringe 5621.

Ende was onderteeckent,

Apollo.

Laeger stondt
Ter Ordinantie van de selve,
Traiano Boccalini
Absente Secretario.

II. De Andromeda-sage als politieke allegorie:

In het IVe deel van zijn Ontwikkelingsgang der Nederlandsche Letterkunde spreekt Dr. J. te Winkel over de blijde inkomst van den Prins-Cardinaal Ferdinand van Oostenrijk als Spaansch landvoogd te Antwerpen in 1635 en daarbij maakt hij gewag van de opvoering van een totnogtoe niet teruggevonden Tragedie van Perseus en Andromeda door de ‘Violieren’ in de St Michielsabdij voor den nieuwen landvoogd en het

[p. 362]

geheele hof. Dr. J. te Winkel onderstelt, dat deze tragedie ‘misschien een vertaling was van Lope de Vega's Fabula de Perseo(1).

Wij meenen te mogen bevestigen dat zulks niet het geval is. Onlangs konden wij een handschrift onderzoeken, dat in de Stedelijke Bibliotheek te Besançon bewaard wordt: Diaire des choses arrivées à la Cour de Bruxelles depuis la fin de l'an 1633 après la mort de l'Infante Isabel, jusques à l'an 1636, escrit par Messire Philippe Chiflet, prieur de Bellefontaine’. De opsteller van dit diarium, kapelaan van de oratorie van Isabelle en later van den Prins Cardinaal, vergezelde het hof naar Antwerpen voor de blijde inkomst van Don Ferdinand en geeft ons een verslag van de vertooning, door Dr. J. te Winkel vermeld.

Uit de mededeeling van Ph. Chiflet blijkt dat het bedoelde spel van Andromeda een politieke allegorie was. Hij geeft er duidelijk den zin van aan.

De aan de rots geboeide dochter van den koning van Ethiopië, schrijft hij, stelde de stad Antwerpen voor, beroofd van de handelsvrijheid aan den boord der zee en blootgesteld aan de woede der kettersche en opstandige Hollanders, hier verpersoonlijkt door het monster, dat Andromeda zocht te verslinden. De Prins-Cardinaal was Perseus, ter bevrijding van Andromeda-Antwerpen opgekomen.

En dergelijke allegorische zin werd dikwijls in de Ovidiussage van Andromeda en Perseus gelegd, en den onbekenden schrijver van het spel, dat in 1635 voor den Prins-Cardinaal werd vertoond, mag zeker niet de verdienste van de oorspronkelijke vinding toegeschreven worden.

Reeds omstreeks 1572 vinden wij de zelfde Andromeda-allegorie met een andere toepassing op een mooie politieke prent, die voorkomt in den Atlas-Van Stolk, te Rotterdam, en o.a. opgenomen werd in De Tijd van den Tachtigjarigen Oorlog in Beeld van Dr. H.G. Greve (Uitg. Elsevier, 1908; blz. 39).

In 1572 vereenigden zich te Dordrecht tal van edelen en steden van Holland om het verzet tegen Spanje ernstig in te richten, den prins van Oranje met geld en troepen te steunen en als wettig stadhouder in de plaats van Bossu uit te roepen. Bij deze gelegenheid verscheen de bedoelde plaat.

De Nederlanden worden er voorgesteld als Andromeda, bedreigd door het zeemonster, waarmede hier de Inquisitie bedoeld wordt. De prins van Oranje is Perseus. Hij bekampt het monster en wordt de verlosser van Andromeda. Onder deze zinneprent leest men de volgende verzen:

[p. 363]
 
Maeck u op ghij bedroefde, Syt getroost vol trouwen.
 
Verquickt u o Belgica van de persse vol rouwen.
 
Werdy nu verlost door een wijs Prince met vlyt
 
Die 't seemonster dooden sal dat veel Mans en vrouwen
 
Sonder reden vermoort heeft, om sijn ayghen profijt.
 
Maer alle quaet straft de heere tot sijnder tijdt.

Veel later vinden wij dezelfde Andromeda-allegorie in een paar gedichten van Vondel, natuurlijk weer met een anderen zin.

Een eerste maal wordt ze gebruikt in het gedicht Vrije Zeevaert onder de vlagge van Tromp in 1653. De beroemde admiraal bevrijdde in dat jaar een Hollandsche koopvaardijvloot, bij Portugal, waar ze bestookt werd door de oorlogsschepen van Blake. De Engelsche vloot is bij Vondel het zeemonster en Tromp is Perseus.

 
Het Monster braeckte donderklooten,
 
Granaten, blixems, baldert, bruischt;
 
Bedreef gewelt met staert en pooten;
 
Blies roock en smoock, en vlam en vier
 
Uyt zyne kieuw, en kopre keelen:
 
Maer Hollants Perseus trof het Dier,
 
Dat zalf noch kruit de borst zal heelen.(1)

In het gedicht Op het gezegent voorspel van den Zeestryt, volgens Unger door Vondel geschreven toen de Hollandsche Staten-Generaal in 1665 een vloot uitrustten onder het bevel van Wassenaer om de Engelschen te bestraffen, die Hollandsche schepen in beslag genomen hadden en de vrije zeevaart belemmerden. Hier is de Hollandsche Zeevaart de Andromeda, het zeegedrocht Engeland en Perseus de vloot der Staten.

 
De Zeevaert, een Andromeda, gebonden,
 
Geketent, vreesde, op 't vrygevochten strant,
 
Het zeegedroght van 't koningmoordend Londen,
 
Dat in syn' balgh veel schepen had verslonden:
 
Maer Perseus, of de Zeemaght van ons lant,
 
Op 't vliegend paert, der Staeten vloot, gestegen,
 
Verscheen in 't endt, ter troost en toeverlaet
 
Der bleecke maeght, om onderstant verlegen(1).