Vlaanderen. Jaargang 54


auteur: [tijdschrift] Vlaanderen


bron: Vlaanderen. Jaargang 54. Christelijk Vlaams Kunstenaarsverbond, Tielt 2005


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 163]

Het ‘Portret van Jezus Christus’ als tabernakeldeur
Jean Luc Meulemeester

De iconografie van de Vlaamse Primitieven beperkt zich, op enkele uitzonderingen na, tot religieuze voorstellingen en portretten. Terecht wijzen sommigen op het feit dat ze ook de aanzet hebben gegeven tot landschapsschilderkunst, stadsgezichten en stillevens door in hun werken deze als achtergrond weer te geven. Het zgn. ‘aanschijn’ van Jezus Christus, waarover het vervolg van deze bijdrage handelt, kan als een combinatie van portretten en christelijke thematiek doorgaan.

 

Tot voor kort hing onmiddellijk in de eerste ruimte van het Brugse Groeningemuseum zo'n eiken paneel (33,4 × 26,8 cm) dat als een zeventiende-eeuwse kopie naar een

illustratie

‘Portret van Jezus Christus’ (paneel, 33,4 × 26,8 cm) uit de eerste helft van de zeventiende eeuw naar een verloren gegaan werk van Jan van Eyck, Brugge, Groeningemuseum [foto: Brugge, H. Martens]


werk van Jan van Eyck werd aangeduid. In 1981 kon wijlen Aquilin Janssens de Bisthoven (1915 - 1999), hoofdconservator van de Brugse stedelijke musea, in zijn werk over een collectiegedeelte van de Vlaamse Primitieven van diezelfde instelling, verschenen als het eerste boekdeel van het Corpus van de vijftiende-eeuwse schilderkunst in de Zuidelijke Nederlanden, naast het aangehaalde specimen nog zes gelijkaardige ‘portretten’ in evenveel verzamelingen aanwijzen. Zijn conclusie was echter duidelijk: de zeven exemplaren gaan terug op een verloren origineel van deze grootmeester. Het staat inderdaad met zekerheid vast dat Jan van Eyck zo'n ongenaakbare vera effigies concipieerde die herhaaldelijk door navolgers werd verveelvoudigd en die ook een aantal Italiaanse kunstenaars uit het quattrocento en enkele Spanjaarden charmeerde. Het vermoeden dat op één of andere manier zo'n paneel in die zuiderse landen terecht kwam, wordt hierdoor bevestigd. Er bestaan van die werken variaties te

illustratie
Dit tweeluik (h: 31 cm) dateert uit de late vijftiende eeuw en werd in de zuidelijke Nederlanden geschilderd. Het stelt het portret van Christus voor met de tekst van de zgn. Lentelusbrief.
[foto: Utrecht, Ruben de Heer]


over. Een pretentieloze vergelijking tussen de Salvator Mundi van Antonello da Messina uit 1465 of 1475 (Londen, National Gallery, paneel, 38,7 × 29,8 cm) en van Hans Memling uit 1478 (Pasadena, Norton Simon Museum, eikenhout, 36 × 26 cm) laat veronderstellen dat de Bruggeling op één of andere manier het werk van de Siciliaan kende of dat beiden teruggaan op eenzelfde compositie. Bijna alle bekende Vlaamse Primitieven voerden nadien soortgelijke voorstellingen uit. Dit geldt onder andere voor Petrus Christus, Rogier van der Weyden, Dirk Bouts, Gerard David, Albrecht Bouts en voor vele anonymi die vaak in hun omgeving dienen te worden gesitueerd. Er was in die tijd ongetwijfeld een behoefte aan dergelijke voorstellingen. De veronderstelling van destijds dat het Christusportret in de Staatliche Museen van Berlijn (paneel, 44 × 32 cm) als een origineel van Jan van Eyck en mogelijk als hét archetype kon doorgaan, wordt tegenwoordig door alle kunsthistorici op basis van stilistische gronden verworpen. Het

[p. 164]

door Van Eyck ontworpen prototype ging dus blijkbaar verloren.

 

Niemand twijfelt eraan dat deze zgn. Christuskoppen nauwgezet in verf de beschrijving volgen van de in de Middeleeuwen bekende brief van de fictieve Publius Lentulus, de zogezegde voorganger van Pontius Pilatus, die hij zou gericht hebben aan de Romeinse senatoren om hen op de hoogte te brengen van het optreden van Jezus. Daarin wordt op een vrij accurate manier o.a. het gelaat van Jezus Christus beschreven. Deze apocriefe tekst wordt pas voor het eerst aangehaald door de theoloog, benedictijn en aartsbisschop Anselmus van Canterbury (ca. 1033/1034-1099), waardoor meer dan het vermoeden bestaat dat het hier om een vervalsing gaat en niet om een authentieke beschrijving uit het begin van onze tijdrekening. Hoogstwaarschijnlijk kwam die onechte brief pas in de elfde eeuw tot stand. Hij beantwoordde in elk geval aan een behoefte om Jezus zo realistisch mogelijk weer te geven. In de context van deze bijdrage mag die gedetailleerde woordschildering niet ontbreken. We putten ze uit de Vita Christi van de kartuizer Ludolf van Saksen (ca. 1295-1377), een van de meest populaire biografieën van Jezus uit de late Middeleeuwen en ontelbare keren overgeschreven, gedrukt en heruitgegeven zowel in het Latijn als in andere talen, hoewel niet steeds met dezelfde redactie. Ook in de Meditationes vitae Christi van de Pseudo-Bonaventura (dertiende eeuw), geschreven voor

illustratie

Deze zegenende Christus (paneel, 38,7 × 29,8 cm) werd in 1465 of 1475 geschilderd door Antonella da Messina, Londen, National Gallery
[foto: Londen, National Gallery]


een claris, vinden we die tekst terug. Deze Lentulusbrief zegt over Christus' uiterlijk het volgende: ‘Hij heeft zo'n eerbiedwaardig gelaat dat zij die ernaar kijken het kunnen liefhebben en vrezen. Zijn haar heeft de kleur van een onrijpe hazelnoot, glad tot bijna aan de oren, vanaf zijn oren krullend, vrij donker en glanzend en hangend over zijn schouders. Hij heeft een scheiding midden op zijn voorhoofd, conform de mode bij de Nazareeërs, een glad en kalm voorhoofd, een gezicht zonder rimpel of een vlek, dat door een matig rode kleur bevallig is. Hij heeft een onberispelijke neus en mond, hemelsblauwe ogen. Hij heeft een volle baard in de kleur van zijn haar, niet lang maar enigszins gevorkt op de kin’. Zowel in het Bonnefantenmuseum (Maastricht) als in het Catharijneconvent (Utrecht) wordt zelfs een anonieme vijftiende-eeuwse diptiek (paneel, h.: 31 cm) bewaard met aan de ene kant de geciteerde Latijnse tekst en aan de andere zijde een buste van de zegenende Jezus in zijaanzicht. Met uitzondering van de kleur van zijn ogen, probeerden alle Vlaamse Primitieven Christus' fysionomie op die manier op te roepen. Ze schilderden hem vanaf zijn schouder en creëerden zo een driehoekige compositie. Hierbij valt op dat Jezus meestal frontaal werd opgesteld, recht voor

illustratie
Deze zegenende Christus (paneel, 38,1 × 28,2 cm) werd in 1478 geschilderd door Hans Mernling.
Pasaena, Norton Simon Museum.
[foto: anoniem]


zich uit kijkend en vrij streng. Dit hiëratische beeld zonder aanvullende attributen wordt soms doorbroken door een lichte glimlach. De boord van de V-vormige of ronde halsuitsnijding van zijn roodgetint kleed werd dikwijls opgesmukt met een waaier aan goudborduursel, parels en edelstenen. De Vlaamse Primitieven plaatsten hem tegen een donkere (of zeldzaam een goudgele) achtergrond eventueel met een kruisvormige nimbus samen met de letters A(Alfa) en ω(Omega) of de Latijnse equivalenten I(nitium) en F(inis). Soms prijken er geen onbelangrijke verzen op het kader. Door de lichtinval - nu eens van boven links, dan weer van rechts - en een opstelling tegen die neutrale en abstracte achtergrond krijgt het zgn. portret een bijna onwezenlijk karakter, waardoor het goddelijke en het menselijke tot een harmonisch geheel worden samengebracht. Een dergelijke voorstelling paste volkomen in de toenmalige vroomheid, beantwoordde volledig aan de theologische visie van de late Middeleeuwen en zette ongetwijfeld aan tot een intense (privé-)meditatie.

 

Dergelijke panelen (uitzonderlijk eens een andere drager, zoals perkament) vertoonden ook een bepaalde variatie in de manier waarop Christus werd afgebeeld. Aanvangend met Rogier van der Weyden hebben de familieleden van het geslacht Bouts verder en soms op een meesterlijke manier geprobeerd meer het innerlijke van Jezus te evoceren waardoor hij een natuurlijker en menselijker voorkomen kreeg. Ook een combinatie in een diptiek met een biddende maar geïsoleerde halflijfse Maria in nadrukkelijke relatie met haar zoon komt geregeld voor. Dit onderwerp blijft eeuwen lang populair. Tevens vinden we een reeks voorstellingen die Christus als Man van Smarten weergeven: de Salvator coronatus. De basis van dit type gaat vermoedelijk op Byzantijnse iconen terug, waarvan er een uit circa 1300 werd vereerd in de Santa Croce in Gerusalemme (Rome). Een gruwelijke doornenkroon, het druppelende bloed en de uit zijn ogen wellende tranen speelden ontgetwijfeld in op het erbarmen en de devotie van de middeleeuwer. Het thema kaderde ook in een groeiende (volks)devotie voor de passie, kende met de nodige variaties een ongemeen succes en zorgde ervoor dat het extreme lij-

[p. 165]

den voortdurend in overweging werd genomen. Dirk Bouts speelde hier ongetwijfeld een vernieuwende rol. In dit kader mogen we niet vergeten te wijzen op de aandacht voor de eucharistische vroomheid. Dergelijke schilderijen belichaamden meteen de transsubstantiatie. Mogelijk oefenden sommige kloosterorden een inhoudelijke invloed uit en legden meteen het uitzicht van dit Heilig Aanschijn bijna tot in de eeuwigheid mee vast. Volledigheidshalve wijzen we natuurlijk nog even op het bekende maar apocriefe verhaal van de H. Veronica die tijdens de kruisdraging Christus' gelaat afbette met haar sluier en als wonderlijk geschenk daarop een vera icon - de basis voor haar naamgeving - afgedrukt kreeg. Dit zgn. mirakel behoorde in de vijftiende eeuw ongetwijfeld, ook dankzij de mysteriespelen, tot de meest verspreide legenden en de uitbeelding ervan kende een grote populariteit. Ook op het mandylion dat Christus zogezegd door de apostel Taddeus naar Edessa liet brengen om de zieke koning Abgar V (van Orshoëne) te genezen, stond een miraculeus gemaakte afdruk van zijn gezicht. Beide doeken werden in de Middeleeuwen als belangrijke relikwieën vereerd. De lijkwade in Turijn past eveneens in die opsomming. Dat ze vermoedelijk allemaal later werden aangemaakt, zal tegenwoordig niemand betwijfelen.



illustratie

Deze tekening door Pieter Ledoulx (1730 - 1807) (?) stelt een koperen reliëf voor dat ooit een tabernakel sierde.
Brussel, Kon, Bibliotheek (prentenkabinet, hs. 21 683) [foto: Brussel, Kon, Bibliotheek]


In het verleden deden een paar (kunst)historici suggesties in verband met het doel van deze schilderijen. Ontkennen dat die panelen voor privé-contemplatie dienden in een kloostercel of de huiskamer, dat ze niet werden uitgevoerd naar aanleiding van bepaalde godsdienstige bijeenkomsten of dat ze nooit werden meegedragen in processies lijkt zinloos. Toch valt het op dat ze voor dit laatste gebruik wat al te klein zijn uitgevallen. Het formaat van deze rechthoekige panelen (meestal eik) schommelt namelijk amper tussen circa 11/47 × 8/34 cm. Als altaarretabel schijnen ze helemaal pietluttig. Op metalen of geëmailleerde paxborden komen dergelijke Christuskoppen eveneens voor, zoals op een exemplaar uit de tweede helft van de vijftiende eeuw in het bisschoppelijk museum van Paderborn. Maar voor die functie lijken deze schilderijen dan weer wat te groot en de materiaalkeuze correspondeert niet met de doelstelling ervan. Sommige auteurs zochten naar een relatie met de miniatuurkunst en nog anderen stelden dat het formaat tot stand kwam door het gebruik van holle spiegels die altijd een projectie gaven van maximum circa 30 × 30 cm. Voegen we eraan toe dat op een schilderij van Petrus Christus met de voorstelling van een jongeman in een interieur (Londen, National Gallery) aan de muur een perkamenten bidprentje hangt met een soortgelijke vera effigies. Van individuele devotie gesproken. Bij Vlamingen thuis moeten wel meer zulke ‘iconen’ de muren hebben gesierd. Op enkele andere schilderijen van Vlaamse Primitieven

illustratie

Dit tabernakel met beschilderd deurtje staat in het Museu Nacional de Arte Antiga in Lissabon. Het Portugese paneeltje (44,5 × 26,2 cm), uit het midden van de zestiende eeuw, is afkomstig uit de verzameling van Josë de Bragança en werd in 1951 aan het museum geschonken.
[foto: Brugge, Jean Luc Meulemeester]


en aanverwanten (Meester van Flémalle, Joos van Cleve...) vinden we daarvoor gemakkelijk bewijzen.

 

In 1994 suggereerde Maryan Ainsworth in de catalogus van de tentoonstelling over Petrus Christus in het Metropolitan Museum of Art in New York onnadrukkelijk dat dergelijke panelen mogelijk als tabernakeldeuren dienst hadden gedaan. Voor zover we weten bezit in Vlaanderen geen enkele bewaarde sacramentstoren nog zo'n poortje. Dikwijls werden ze in brons gegoten, geajoureerd en vaak opgesmukt met de voorstelling van een kelk en een hostie. De symboliek is duidelijk. Engelen knielen aan weerszijden biddend neer. ‘Panem vivet in / Ecce panis angelorum’ is de tekst die op dit van de Brugse Sint-Jacobskerk prijkt. De hostie is het lichaam van Christus geofferd bij zijn kruisdood. Ook de sacramentspanelen, die de plaats van het H. Sacrament in de bidplaats moeten aanduiden, buiten aan de (oostzijde van de) kerken hebben meestal een identieke voorstelling. De bewaarde portretten van Christus vertonen evenmin sporen van hengsels of sloten. Dit bewijst niet het tegendeel. Soortgelijke werken konden gemakkelijk in een houten frame worden gestoken waarop eveneens een sluitsysteem werd aangebracht.

[p. 166]



illustratie

Beschilderd middeleeuws tabernakeldeurtje in de Sint-Salvatorskerk van Vilar de Donas, gelegen op de bedevaartsroute naar Santiago.
[foto: Brugge. Jean Luc Meulemeester]


Het valt ten andere op dat de meeste kaders van die schilderijen later werden vernieuwd. Daardoor komen de afmetingen min of meer overeen met de deuropening van het tabernakel. Theologisch past de voorgestelde iconografie perfect. Tijdens de eucharistie wordt het offer van de Heer herdacht en de mensheid verlost, al waren middeleeuwse theologen het daar niet altijd over eens. In het tabernakel kan een pyxis of ciborie met de geconsacreerde hosties staan. De uiterlijke beschildering ervan met het gelaat van Christus symboliseerde zijn lichaam dat in de nis werd bewaard. Misschien hief iemand tijdens de consecratie wel zo'n paneel op waardoor het visueel voor de ongeletterde gelovige duidelijker werd? Het afbeelden van religieuze voorstellingen was tijdens de Middeleeuwen in. Door het tabernakeldeurtje te beschilderen werd de aanbidding concreet visueel. Net zoals tijdens de vroeg-christelijke en de Romaanse tijd de gelovigen Christus als een Majestas Domini in het kalotgewelf van de absis aanschouwden, konden ze hem nu op de tabernakeldeur zien.

 

Onze suggestie wordt verder ondersteund door wat concrete voorbeelden. Tussen de fraaie verzameling van het Museu Nacional de Arte Antiga in Lissabon prijkt een gotisch houten tabernakel uit de vijftiende eeuw, dat in 1917 werd aangekocht. Daarin werd in 1951 een zestiende-eeuws paneeltje (44,5 × 26,2 cm) met het hoofd van Christus

illustratie

Beschilderd middeleeuws tabernakeldeurtje in de Santa Maria del Carmino van Carrion de los Condes, gelegen op de bedevaartsroute naar Santiago.
[foto: Brugge. Jean Luc Meulemeester]


geplaatst. De combinatie past perfect. Op het altaar van de kapel van de opperstalmeesters in de kathedraal van Burgos bestaat het tabernakeldeurtje uit een (Mechels) albast met de voorstelling van de verrijzenis van Christus. Dit thema komt wel meer voor, zoals op een zestiende-eeuws tabernakel in de kathedraal van Leon, waar ten andere op een andere tabernakeldeur het hoofd van Christus afgebeeld is. In het museum van dezelfde bisschoppelijke bidplaats staat nog een ander tabernakel met een gesculpteerd deurtje door Juan de Juni (1507-1577). Het stelt de kruisiging voor. Ook bij ons was die iconografie op tabernakeldeurtjes aanwezig. In de afdeling prenten en tekeningen van de Kon. Bibliotheek in Brussel wordt een uitgebreide verzameling aquarellen bewaard die in albums werden ingebonden. In het jargon van de kenners kregen ze als naam: de ‘Albums Pieter Ledoulx’ omdat het overgrote deel in de late achttiende - begin negentiende eeuw door deze Bruggeling werd uitgevoerd grotendeels in opdracht van de Brugse verzamelaar en mecenas Joseph van Heurne (1752-1844). In één van die boeken (hs. 21683, pl. X) vonden we een afbeelding van een kruisiging waarbij het meestal betrouwbare onderschrift vermeldt dat dit verguld koperen beeldhouwwerk ooit een tabernakel van de koninklijke kapel sierde en toen in het bezit was van Van Zuylen Wykerslooth. Het thema van de kruisdood komt op vele tabernakeldeurtjes in kerken van het Duitse Westfalen voor. Christus als de man van Smarten of als de Majesties Domini vinden we eveneens terug. Soms ook andere voorstellingen. Maar ook in heel wat bidplaatsen op de beroemde bedevaartsroute naar Santiago de Compostella vinden de vera effigies op het deurtje van het tabernakel, zoals in Santa Maria del Camino in Carrión de los Condes. Ook een kelk met een hostie komt voor, zoals in de laatromaanse San Salvatorskerk in Vilar de Donas, eigenlijk de laatste pleisterplaats voor Santiago. Niet allaan op het Iberisch schiereiland duiken beschilderde tabernakeldeurtjes op. Zowel op diverse plaatsen in Duitsland als in Zweden (o.a. op het in de Oostzee gelegen Gotland) kunnen voorbeelden worden aangehaald.

 

Interessant is zeker even te wijzen op het schilderij van Petrus Christus in Birmingham Museums and Art Gallery waarop de Christusfiguur als de Man van Smarten wordt weergegeven. Dit thema is niet ongewoon in de Vlaamse kunst uit de vijftiende eeuw. Ostentatief toont de Heer hier zijn wonden. Op dit paneel (11,2 × 8,5 cm) duwen treurende engelen - enerzijds met een lelie, anderzijds met een zwaard, beide verwijzend naar het

[p. 167]



illustratie

Petrus Christus schilderde circa 1450 deze ‘Man van Smarten’ (paneel, 11,2 × 8,5 cm). Let op de symmetrische opstelling van de engelen die elk een gordijn wegduwen. Birmingham, Museums and Art Gallery.
[anonieme dia]


Laatste Oordeel - een gordijn open en tonen ons Christus zoals ook de hostie kon worden aanschouwd. Het lichaam van de Heer is inderdaad daardoor meer dan nadrukkelijk zichtbaar en geaccentueerd. Het lijkt wel of de tabernakeldeur openstaat en het altijd aanwezige gordijntje wordt weggetrokken waardoor het Corpus Christi zichtbaar wordt en onmiddellijk kan worden aanbeden. Iconografisch is de voorstelling een allegorie van de eucharistie waar op een rituele manier het lichaam en het bloed van de Heer wordt aangeboden. Zowel in de Vlaamse als de Italiaanse schilderkunst bestaan nog gelijkaardige voorstellingen, zoals een paneel (39 × 30 cm) toegeschreven aan Jean Hey (?) behorend tot de collectie van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Brussel.

 

Met deze bijdrage ondersteunden we de suggestie van Maryan Ainsworth dat de aangehaalde portretten van Jezus Christus mogelijk als tabernakeldeur dienst hebben gedaan. Het staat in elk geval met zekerheid vast dat dergelijke poortjes soms met dit of een aanverwant tafereel waren beschilderd.

Beknopte bibliografie

Katalog der ausgestellten Gemälde des 13.-18. Jahrhunderts. Gemäldegalerie Staatliche Museen Berlin, Berlijn-Dahlem, 1975; D. De Vos, Stedelijke Musea Brugge. Catalogus schilderijen 15de en 16de eeuw, Brugge, 1979; E. Dhanens, Hubert en Jan van Eyck, Antwerpen, 1980; A. Janssens de Bisthoven (e.a.), ‘De Vlaamse Primitieven. Stedelijk Museum voor Schone Kunsten (Groeningemuseum). Brugge’, in: Corpus van de vijftiende-eeuwse schilderkunst in de Zuidelijke Nederlanden I, Brussel, 1981; E. Dhanens, ‘Academia analecta’, in: Mededelingen van de Kon. Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Klasse der Schone Kunsten. L, 2, Brussel, 1990, pp. 43-64; [H. van Os, red.], cat. v.d. tent. Gebed in schoonheid. Schatten van privé-devotie in Europa 1300-1500, Amsterdam, 1994; C.M.A. Caspers, ‘Het laatmiddeleeuwse passiebeeld. Een interpretatie vanuit de theologie- en vroomheidsgeschiedenis’, in: Nederlands kunsthistorisch jaarboek, 45, 1994, pp. 161-175; M.W. Ainsworth en M.P.J. Martens, Petrus Christus, Gent-New York, 1995 (Nederlandse vertaling van de Engelse uitgave uit 1994); L. Castelfranchi Vegas, Italie et Flandres. Primitifs flamands et renaissance italienne, Parijs, 1995; [M. Smeyers, red.], cat. v.d. tent. Dirk Bouts (ca. 1410-1475). Een Vlaams Primitief te Leuven, Leuven, 1998; [T.-H. Borchert, red.], cat. v.d. tent. De eeuw van Van Eyck. De Vlaamse Primitieven en het Zuiden 1430-1530, Gent-Amsterdam-Brugge, 2002; P. Nuttall, From Flanders tot Florence. The Impact of Netherlandish Painting, 1400-1500, New Haven-Londen, 2004 en J. Kroesen en R. Steensma, The interior of medieval village church, Leuven-Parijs-Dudley, 2004, pp.105-138.