[p. 1]
Kerslied.
- Wijze: In een boomgaard Colinette.
-
- Jezus, dien alle Englen eeren,
- Jezus, Gods geliefde Zoon,
- Wil zich tot de menschen keeren,
- En daalt van zijn hoogen troon:
- Om ons hier op aard te leeren,
- 's Hoogsten wetten en geboôn.
-
- Hoort, hoe blijde de Englen zingen!
- ‘God zij eeuwig lof en eer!
- Bij de zaal'ge Hemellingen;
- Vrede daale op aarde neêr.
- Vreugde moet den mensch doordringen,
- Tot hem komt der Heeren Heer.’
-
[p. 2]
-
- Jezus wordt als mensch gebooren,
- Uit eene onbevlekte maagd;
- Hij, van wien reeds lang te voren,
- Het Profetendom gewaagt.
- Zondaars! gij die waart verlooren,
- Juicht, daar thans uw heilzon daagt.
-
- 't Opgeklaardste denkvermogen
- Blijft met diepen eerbied staan;
- In verrukking opgetogen,
- Ziet het al de wond'ren aan,
- Die Gods liefde en mededogen,
- Voor het menschdom heeft gedaan.
-
- Zoude ik u niet dankbaar prijzen,
- Dierbre Jezus! heil der aard?
- Zou uw lof niet opwaards rijzen,
- Met der Eng'len zang gepaard?
- 't Minst van alle uw gunstbewijzen,
- Is den hoogsten lofzang waard.
-
- S.A.R.
|