[p. 3]
De Lijdende Jezus.
- Wijze: waarheen? mijn Ziel! waarheen?
-
- Aanschouw, mijn Ziel! aanschouw!
- Hoe menschenliefde en trouw
- Uw Heilland heeft bewogen;
- Daar Hij, als 't offer-lam,
- Uit teder mededogen,
- Mijn zonden op zich nam.
- Ach! hoor zijn bange beê,
- In 't droef Gethzemané!
- Zie hoe, door 't angstig strijden,
- Zijn droefheid sterker groeit;
- Zijn zweet, aan alle zijden,
- Als bloed op de aarde vloeit.
-
[p. 4]
-
- Wat smart wat felle smart
- Treft zijn gevoelig hart!
- Een kus moet hem verraaden,
- Van zijn' ontrouwen vrind;
- Hem, in wiens woord of daaden,
- Men nummer ontrouw vindt.
- Daar valt men de onschuld aan!
- Zie hem ter slagtbank gaan,
- Zijn waardste vrienden wijken.
- Die met hem sterven zou,
- Voelt thans zijn moed bezwijken,
- Bij 't vraagen van een vrouw.
-
- Hij staat, en zwijgt... hij staat,
- Daar ieder Hem verlaat,
- Beschuldigd, en beloogen,
- Gegeesseld, en bespot,
- Versmaad, veracht, bespogen,
- Geduldig in zijn lot;
- Met doornen wreed gekroond.
- Ten spot aan 't volk vertoond;
- Veröordeeld, en geslagen,
- (Vond dit ooit wedergaê!)
- Moet Hij zijn kruis nog dragen,
- Naar 't aaklig Golgotha.
-
[p. 5]
-
- 't Geween, het droef geween
- Der Vrouwen om hem heen,
- Wekt nog zijn mededogen...
- Hij nadert... Zie, hoe wreed
- Wordt daar voor aller oogen,
- Mijn Heilland naakt ontkleed;
- Op 't kruishout uitgestrekt,
- 't Gemarteld lijf gerekt;
- Ach! hoor de hamerslagen!
- Dat knarst door hand en voet,
- En nog geen woord te klagen....
- Bezef, wat liefde doet!
-
- Dat treft! ô God! dat treft!
- Zie, hoe men 't kruis verheft,
- Waar aan hij, vast geklonken,
- Nog voor zijn beulen smeekt,
- En 't hart, in rouw verzonken,
- Als Midd'laar, zalig spreekt.
- Nog deelt zijn teder hart,
- In 's Moeders stille smart.
- 't Word nacht!... dit doet mij beeven!
- Hoe klimt zijn angst en wee!
- Zou God Hem nu begeven?
- Neen! Hij verhoort zijn beê.
-
[p. 6]
-
- Met kragt, met groote kragt,
- Roept Jezus: 't is volbragt!
- Hij komt zijn sterfuur nader...
- Nu roept Hij onbevreest:
- In uwe hand, ô Vader!
- Beveel ik mijnen geest!
- Hij buigt zijn hoofd, en sterft;
- Die 't leven ons verwerft,
- Hij, wien ons onheil griefde,
- Legt, dragende onze straf,
- Uit onbegrensde liefde,
- Vrijwillig 't leven af.
-
- Hoe groot! hoe Godlijk groot!
- Toont zelfs in smart en dood,
- Vorst Jezus al zijn waarde?
- Mijn Heilland! laat voordaan,
- Al wat gij leed op aarde,
- Mij steeds voor oogen staan,
- Gij sterft dan ook voor mij,
- Uw lijden maakt me vrij.
- Aan uwen dienst geheiligd,
- Verlost van schuld en straf,
- Zie ik, door U beveiligd,
- Gerust op dood en graf.
-
- Ma.V.H.
|