[p. 7]
Jezus verrezen.
- Wijze: Gelijk de schoone bloempjens kwijnen.
-
- Zou ooit des Heillands dood en lijden,
- Den mensch van straf en dood bevrijden,
- Hij, die voor ons zijn leven gaf,
- Moest weêr verrijzen uit het graf.
-
- Laat vrij een steen zijn grafplaats sluiten,
- Een sterke wagt verdenking stuiten,
- Gods Almagt wordt geen perk gesteld;
- Zij overwint des doods geweld.
-
- Vroeg, als het pas begint te lichten,
- Wil vriendschap nog de laatste pligten
- Aan Hem bewijzen, stom van rouw.
- ô! Hoe verschrikt de droeve Vrouw!
-
- Ach! roept zij, treurig en verslagen;
- Men heeft het ligchaam weggedragen!
- Neen! dus spreekt haar Gods Engel aan:
- Ween niet: de Heer is opgestaan.
-
[p. 8]
-
- Zij kan haare oogen naauw gelooven,
- 't Gaat al, wat zij ooit dacht, te boven;
- Tot zij haar meester zelve ziet,
- En Hem verrukt haar' hulde biedt.
-
- Om allen twijfel af te weeren,
- Bleef Jezus nog op de aard verkeeren;
- Zo dat zich elk verzek'ren kon,
- Dat Hij de magt des doods verwon.
-
- Nu is ons heil ten top gerezen,
- Daar 't onbetwistbaar is bewezen,
- Dat Hij, die ons ten Midd'laar strekt,
- Reeds uit den dood is opgewekt.
-
- Wat zou ons nu de dood doen schroomen,
- Daar hem den prikkel is benomen.
- Wat vreest een christen 't duister graf;
- Hij leeft die de overwinning gaf.
-
- Laat dan het stof mijn ligchaam dekken,
- Gods Almagt zal het eens verwekken;
- Dan roem ik Hem, die eeuwig leeft,
- Die graf en dood verwonnen heeft.
-
- Ma.V.H.
|