Pinksterzang.
- Wijze: ô Heilig zalig Bethlehem!
-
- ô Geest der waarheid, godlijk licht!
- Die op d'apost'len nederdaalde,
- Voor wien de nacht der dwaling zwigt.
- ô! Dat uw licht ook mij bestraalde!
-
[p. 11]
-
- Leer mij mijn Jezus zo 't behoord,
- Regt kennen, eeren en beminnen;
- Zijn voorschrift en genadewoord,
- Brengt mij gestaâg mijn pligt te binnen.
-
- ô Dat Zijn liefde meer en meer,
- Mijn hart vervull', mij zo doe werken,
- Dat elk de kragt van Zijne leer,
- In al mijn daaden kan bemerken.
-
- 't Geloof dat op Zijn zoendood rust,
- Zij eeniglijk mijn zielsvertrouwen;
- Dit zij mijn troost, mijn hoogsten lust,
- De rots waar op ik vast kan bouwen.
-
- Geef, dat de hoop daar door verwekt,
- Die over al het aardsche lijden,
- Ja! over dood en graf zich strekt,
- Mij moog' van 's waerelds lust bevrijden.
-
- Uw vreede woon' steeds in mijn hart,
- In weêrwil van all' angst en plaagen,
- Van haat en nijd, ellende of smart,
- Die ik op aard' zal moeten dragen.
-
-
[p. 12]
- Schenk aan mijn geest getuigenis,
- Dat zij door Jezus lijden, sterven,
- Gods waardig kind geworden is;
- En in hem 't eeuwig heil zal erven.
-
- ô Mogt uw godlijk liefdevuur,
- Een liefdegloed in mij ontsteeken,
- Waar door mijn zondige natuur,
- Gezuivert word' van haar gebreken.
-
- Zo ga ik, door uw geest geleid,
- Den zek'ren weg tot beter leven;
- Om, in een eindlooze eeuwigheid
- Met de englenrei U de eer te geeven.
-
- C.R.
|