[p. 13]
Aan God.
- Wijze: Men zag Dametas langen tijd.
-
- Ik heb een ziel, 'k heb denkenskragt,
- ô Schepper deezer wentlende Aarde!
- Een ziel, die Gij in wezen bragt,
- Een vonksken dat uw goedheid baarde;
- Maar 't is in zondig vleesch gehuld,
- Dat dikwils mij met angst vervuld.
-
- Die ziel, getroffen door 't gevoel
- Van nog een leven na dit leven,
- Zucht, heigende naar 't edelst doel,
- Dat haar naar 't hoogste goed doet streeven.
- Zij is onstoflijk, eeuwig, vrij:
- Dit kloppend hart voorspelt het mij.
-
[p. 14]
-
- Mijn zondenschuld stijgt voor uw troon,
- 'k Moet dit, met smart, voor U belijden:
- Maar Gij zond uw' geliefden Zoon,
- Om mij van schuld en straf te vrijden.
- Hij heeft het al voor ons voldaan,
- Zijn oog zal mij ook gade slaan.
-
- Mogt uwe gunst mij zeker zijn,
- Eer nog de dood, met snelle schreden
- Mij nadert in deez' rampwoestijn?
- Kan ik gerust hem tegen treden?
- Of is mijne allerjongste snik
- Niets, dan een weiflend oogenblik?
-
- Dan, 'k mag niet twijflen, zeker neen:
- 't Geloof geeft mij verzekeringen.
- Mijn ziel! uw zuchten en gebeên
- Weêrgalmen bij de Hemellingen.
- De Hemel juicht - de heldraak mort,
- Zo ras één ziel gewonnen wordt.
-
[p. 15]
- Wat dankerkentnis, Hemelheer!
- Zal ik aan U, op aard, bewijzen!
- Daalt gij, ô zalige Englen! neêr!
- Helpt mij mijn God, mijn Goël prijzen.
- Of voert mijn ziel, ô Majesteit!
- Bij Hen, in 't hof der zaligheid.
-
- J.H.C.Z.
|