Gods voorzorg.

 Wijze: Waar heen? mijn ziel! waar heen?
  
     Wat leed! helaas! wat leed!
     Wanneer men nimmer weet,
 Zich naar zijn lot te voegen;
     Men delft zijn eigen graf,
 En rooft zich al 't genoegen,
     Dat ooit het leven gaf.
     ô Hemel! laat mijn hart,
     Geduldig in zijn smart,
 Standvastig 't leed verduuren!
     Dat toch niet eeuwig blijft;
 Daar eens, na weinige uuren,
     De dood mijn rouw verdrijft.
  


[p. 16]

 
     De tijd, de vlugge tijd,
     Die altoos voorwaards glijdt,
 Slijt ook verdriet en kwelling,
     En al wat mij ontmoet,
 Staat onder Gods bestelling,
     Die 't muschjen zelfs behoedt:
     Mijn lot is in zijn hand.
     Zijn onbeperkt verstand,
 Zal voor mijn welstand zorgen;
     'k Ben van zijn trouw bewust;
 En wagt getroost den morgen
     Van eindelooze rust.
  
     Ma.V.H.