[p. 19]
Troost eener zalige opstanding.
- Wijze: Men hoort steeds Flora's gunsten roemen.
-
- Wie kan naar eisch Gods liefde roemen?
- Hij is 't, die ons geschapen heeft.
- Wie al de ontelbre gunsten noemen,
- Die ons zijn goedheid daaglijks geeft?
- Al wat wij zijn, wat we ooit ontvingen
- Schonk ons zijn milde vaderhand,
- Daar hij, als de oorsprong aller dingen,
- Nog steeds ons leven houdt in stand.
-
- Maar geven ons die gunstbewijzen
- Een waar geluk, een duurzaam goed?
- Daar ons de dood gestaâg doet ijzen,
- Ons leven vlugtig heenen spoedt;
- En als het eens is afgeloopen,
- Wagt ons een vrees'lijke Eeuwigheid,
- Wat kan daar ooit een stervling hoopen
- Die schuldig uit dit leven scheidt?
-
[p. 20]
-
- Dit moest ons hart van angst doen beven,
- Had niet Gods eeuw'ge liefde en trouw,
- Voor ons, zijn eigen zoon gegeven,
- Die onze zonden dragen zou.
- Die door zijn dood de magt ontroofde,
- Wijl hij verrees, aan dood en graf;
- Dat hij elk die aan hem geloofde,
- Deel aan 't onsterflijk leven gaf.
-
- Nu kan de dood een schrik verwekken,
- Geen kristen beeft voor de Eeuwigheid,
- Gods woord kan hem ten waarborg strekken
- Van 't eeuwig goed, voor hem bereid.
- Dit groot geschenk van 's vaders liefde,
- Daar Hij zijn zoon der waereld gaf,
- Toen hem des zondaars jammer griefde,
- Dit perst mij dankb're traanen af.
-
- Dat toch, ô God! voordäan mijn leven
- U een behaaglijk offer zij;
- Voor 't heil, in Kristus mij gegeven!
- ô Maak mijn hart van zonden vrij!
- Dat al mijn daaden hier u prijzen,
- Tot dat ik eens in hooger kring,
- Als ik zal uit het stof verrijzen
- U eeuwig Hallelujah zing!
-
- Ma. V.H.
|