[p. 21]
Zondag Avond.
- Wijze: Gelijk de schoone bloempjens kwijnen.
-
- Zo als het veld, bij zomerdagen,
- Verkwikt wordt door de regenvlagen;
- Zo krijgt mijn hart weêr nieuwen lust,
- Nu 'k dezen dag heb uitgerust.
-
- 'k Moet in de week bestendig zorgen,
- Mijn arbeid wagt mij ieder morgen;
- ô Hoe verkwikt mij dan een dag,
- Dat ik mij eens herhaalen mag!
-
- 'k Mogt in Gods huis met blijde klanken,
- De Bron mijns levens vrolijk danken,
- 'k Werd tot versterking in mijn pligt,
- Daar onderwezen en gestigt.
-
[p. 22]
-
- Ik heb geen reden om te klagen;
- Ook kan geen Eerdienst God behaagen;
- Waar 't stuursch gelaat en 't hangend hooft,
- Elk een zijn moed en blijdschap rooft.
-
- Neen! laat de boosheid treurig zuchten,
- Gerustheid aan haar ziel ontvlugten;
- Mij heeft deez' dag de gulle vreugd,
- Bij mijn gezin, het hart verheugt.
-
- Nu roemt mijn ziel mijn God en Vader,
- Tot wien ik thans met eerbied nader'
- Daar mij zijn goedheid heeft verblijd,
- Zij ook mijn danklied Hem gewijd.
-
- Gij hebt mij zo veel goeds gegeven,
- Bestuur, ô God! voordäan mijn leven;
- Schenk dezen nacht een veilge rust,
- 'k Doe dan mijn pligt met nieuwen lust.
-
[p. 23]
-
- U, Heer! beveel ik al mijn zorgen,
- Dan rijze ik vrolijk, in den morgen.
- En leg ik eens mijn leven af,
- 'k Daal dan gerust in 't stille graf.
-
- Ma.V.H.
|