Morgenzang.
- Wijze: ô Kersnacht, schooner dan de daagen.
-
- Gedankt zij God! - ik mag verrijzen. -
- Een nieuwe blijk dier gunstbewijzen,
- Die Hij aan 't zondig menschdom geeft. -
- Wat zijn wij, schepsels, klein van waarde,
- Bij Hem, die hemel, zee en aarde,
- Uit louter niets, geschapen heeft! -
-
- 'k Lei mij, vermoeid, op 't rustbed neder,
- Onkundig, of ik immer weder
- Het morgenlicht aanschouwen zou. -
- 'k Beveelde mij aan zijn genade,
- Zijn Almagt sloeg het schepsel gade,
- Ten blijk' van haare onkreukbre trouw. -
-
[p. 24]
-
- Onmagtig voor mij zelv' te zorgen,
- Onvatbaar voor den dag van morgen,
- Die zorgen kweekt en druk verligt,
- Voel ik mijne afgewerkte leden,
- Door rustloos zwoegen fel bestreden,
- Gesterkt tot mijn' vernieuwden pligt.
-
- Wie weet, hoe veele stervelingen
- Nu angsten van den dood omringen,
- Waar menschen hun geen bijstand biên. -
- Misschien de laatste dag des levens,
- Die al hun heil, en uitzicht tevens,
- In éénen wenk verijdeld zien.
-
- En God schenkt aan mijn huisgenoten,
- Aan 't kroost, uit mijnen echt gesproten,
- Ververschte kragt, vernieuwden moed,
- Om tot den arbeid weêr te keeren,
- Tot lof van Hem, den Heer der Heeren,
- Die 't schepsel uit zijn volheid voedt. -
-
-
[p. 25]
-
- 't Zal dan, voor zoo veel zegeningen,
- Dien goeden God een' danktoon zingen;
- 'k Zal wijden in zijne eer, zijn' lof. -
- 't Voegt menschen, om Gods gunst te prijzen,
- Met dankgezangen, keur van wijzen. -
- Verbeurde gunst is dankensstof. -
-
- L.V.O. A.z.
|