[p. 27]
ZANG na het EETEN.
- Ps: 33.
-
- Geen vader mint zijn kroost zo teder,
- Als gij, o God! uw kindren mint.
- Wij smaakten uwe goedheid weder;
- Ei, hoor het danklied van uw kind.
- Daar duizenden in armoê leeven,
- Beroofd van daaglijks onderhoud,
- Hebt ge ons het daaglijks brood gegeeven.
- Ons met een gunstig oog aanschouwd.
-
- Wij zijn uw tedre liefde onwaardig.
- De zonde kleeft te sterk ons aan.
- Maak ons bekwaam, geschikt en vaardig,
- Om 't spoor der godvrucht op te gaan;
- Zo zien we ons door uw liefde spooren
- Tot d'aanhef van uw eer en lof,
- Tot ge ons, bij aller englen chooren,
- Schenkt eeuwig juich- en dankens stof.
-
- D.B.
|