[p. 32]

Wiegezang.

 Wijze: Waar of mijn Rozalijntje blijft.
  
 Slaap, slaap gerust, mijn kindjen slaap,
     Mijn Jantjen, schrei niet meêr,
 Wat deert u toch, mijn lieve schaap?
     Gij schreit uw oogjens zeer,
 Daar nog geen zorg uw hartjen kwelt;
     Gij weet nog van geen kwaad;
 Wat is 'er dan, dat u ontstelt,
     Dat gij niet slaapen gaat?
  
 Uw vader werkt met lust en vreugd,
     En wint voor u het brood.
 God zegent hem, en loont zijn deugd.
     Is dit geluk niet groot?
 En moeder is geen rijke vrouw,
     Maar leeft nogthans gerust.
 Zij zorgt voor u met liefde en trouw
     Gij zijt haars harten lust.
  


[p. 33]

 
 Zo God uw lieve leven spaart,
     En onzen wensch voldoet,
 Zo geev' hij u een zagten aart,
     Een deugdzaam rein gemoed,
 Dat steeds zijn vreugd in weldoen vindt:
     Zich nooit aan schijn vergaapt:
 Dan zegent God ook eens mijn kind....
     Maar zagt... mijn Jantjen slaapt.
  
     Ma.V.H.