De Rustende Arbeidsman.
- Wijze: ô Lieffelijken avondstond.
-
- Hoe lieflijk is deeze avondstond!
- Hoe streelend is de rust!
- Voor mij die, bij mijn Vredegond,
- Mij zingend weêr verlust.
-
- Wat smaak ik aan heur zijde een zoet,
- Vergoeding voor mijn zweet;
- De kalmte van een blij gemoed,
- Dat aan zijn' pligt voldeed.
-
[p. 37]
-
- Ik heb mijn werk met vreugd verricht.
- Het Heerschap was voldaan.
- "Wel Jan (zei hij) gij werkt naar pligt."
- Dit zeggen deed mij aan.
-
- Wie zou toch onverschillig zijn,
- Als men hem prijst of laakt!
- Die was gewis een mensch in schijn.
- Mijn hart wordt ligt geraakt.
-
- Ik ben nu wel zeer moede en mat,
- Maar morgen weder frisch.
- Het voordeel, 't welk de vlijt bevat,
- Is iets, dat streelend is.
-
- Hoe sober ook de spijze zij,
- Ze smaakt den werkman goed.
- Daar de allerëelste lekkernij
- Geen rijkäarts tong voldoet.
-
[p. 38]
-
- Hoe streelt de rust den arbeidsman,
- Met eene zagte hand!
- Zij vliet daar tegen veelal van
- Der grooten ledikant.
-
- De zagte slaap komt, blij te moê,
- Met de aankomst van den nacht,
- En sluit onze oogleên zagtkens toe,
- Ter sterking onzer kragt.
-
- 'k Leef met mijn lieve vrouw in vreê,
- Bevrijd van angst en zorg.
- En liggen we op de legersteê,
- God is steeds onze borg.
-
- J.H.
|