[p. 39]
Morgenlied van een Arbeidsman.
- Wijze: als Febus met gloeijende straalen.
-
- Daar zie ik het daglicht weêr rijzen,
- Kom, lustig! ten bedde uit gestapt.
- Wie zou toch den arbeider prijzen,
- Wien 't licht op zijn leger betrapt?
- Ik moet van mijn pligten mij kwijten,
- Mijn hart zou mij altoos verwijten:
- Gij hebt tot uw schande geleefd.
- Zou 'k droomend' die uuren verslijten:
- Die God om te werken mij geeft.
-
- Ik sliep dezen nacht zonder zorgen,
- Mij kwelde geen ziekte noch smart.
- Bij 't rijzende licht van den morgen,
- Verheft zich nu vrolijk mijn hart.
- ô Schepper en Heer van mijn leven!
- Gij hebt mij gezondheid gegeeven,
- En mij als een vader behoed;
- Dies roem ik, door liefde gedreven,
- Uw gunst met een dankbaar gemoed.
-
[p. 40]
-
- Wil mij dezen dag ook bewaaren,
- Uw zegen bekroone mijn vlijt!
- Bevrij mij voor alle gevaaren,
- Behoed mij voor wangunst en nijd!
- Laat mij in mijn lot steeds te vreden,
- Mijn kragten met ijver besteeden,
- Zo word' ik van ieder bemind.
- En breng' ik voor u mijn gebeden
- Verhoor dan, ô Vader! uw kind.
-
- Ma.V.H.
|