De schoonmaakster.
- Wijze: Zonder liefde, zonder wijn.
-
- 'k Zit hier op de stoep en wagt.
- Zou de meid niet hooren?
- Ja! al ligt zij warm en zagt,
- 'k Moet haar slaap toch stooren.
- 'k Schel nog eens - het wordt ook tijd,
- 't Zou mij haast verveelen.
- Als ik hier den tijd verslijt,
- Zou ik 't dagloon steelen.
-
[p. 41]
-
- 'k Heb ook nog zo veel te doen,
- Eerst de trap en 't zaaltjen,
- Daar ik alles schoontjes boen,
- Dan aan het portaaltjen:
- 'k Moet nog schuuren - nat, en droog,
- Keuken zelfs - en kelder -
- En niet slegts zo wat voor 't oog,
- Maar ter degen helder.
-
- Jufvrouw gaat mij wel niet naa,
- Maar, zou ik verdraagen,
- Dat zij, als ik heenen gaa,
- Reden vind tot klaagen?
- 'k Word van haar zo wel beloont,
- Ik krijg kostlijk eeten;
- 't Is dan billijk, dan men toont
- Zelfs zijn pligt te weeten.
-
- 'k Denk wel eens; het valt toch zwaar,
- Dag aan dag te slooven:
- Had ik werk voor 't gansche jaar,
- Ik kwam 't eens te boven.
- Maar van 't geen ik zomers win,
- Moet ik 's winters leeven.
- En dan heeft het moeiten in,
- Elk het zijn te geeven.
-
[p. 42]
-
- Maar dit krenkt geenzins mijn' moed,
- 'k Ben toch wel te vreden.
- Heb ik dan geen overvloed,
- 'k Heb gezonde leden.
- Zijn mijn kleêren eens wat slegt,
- Oud, en vol met lapjens,
- 't Schaadt niet, als slegts ieder zegt:
- Ze is toch schoon en knapjens.
-
- 'k Ben gezond en vlug en sterk,
- 'k Win mijn brood met eeren.
- Als ik trouw ben in mijn werk
- Kan mij niemand deeren.
- Daar geen mensch mijn lot benijdt
- Heb ik niets te vreezen.
- 'k Schel nog eens - waar blijft de meid,
- Zagt.. daar zal ze weezen.
-
- Ma.V.H.
|