[p. 43]
Het wagtend Meisjen.
- Wijze: Laatstmaal toen ik in 't maisaizoen.
-
- Wat wordt het laat! de klok slaat agt.
- Waar of mijn Doris blijft?
- 't Valt moeilijk als men iemand wagt,
- En als de vreeze ons drijft,
- Te twijff'len aan zijn trouw;
- Hij heeft misschien berouw,
- Dat hij een meisjen zonder geld,
- Gevraagd heeft tot zijn vrouw.
-
- Maar foei! - wat doet het ongeduld
- Mij onrechtvaardig zijn!
- 'k Veroordeel hem wis buiten schuld,
- En doe mij zelve pijn.
- Ik ken zijn braaf gemoed;
- Hij zoekt geen geld of goed;
- Maar een getrouw en teder hart,
- Dat aan zijn' wensch voldoet.
-
[p. 44]
-
- Weg, weg met ongegronde vreez',
- 'k Verlang naar hem met smart;
- Op dat ik in zijne oogen leez',
- 't Gevoelen van zijn hart.
- Blijft Doris mij getrouw,
- En word' ik eens zijn vrouw,
- Dan heeft 'er geen vorstin op aard,
- Daar ik meê ruilen zou.
-
- Geen groote staat noch overvloed
- Ons 't waar genoegen geeft.
- De liefde, die het hart voldoet,
- Maakt dat men vrolijk leeft:
- Dan deelt men vreugde en druk,
- Geluk en ongeluk,
- En draagt, getroost en welgemoed,
- Te zamen 't Huwlijks-Juk.
-
- Maar ach! nog komt mijn minnaar niet,
- Elk uur schijnt mij een dag:
- Wat baart zijn afzijn mij verdriet,
- Wat of hem deeren mag?
- Ik zie al weêr eens uit -
- Maar zag.... ik hoor geluid...
- Hij is 't - ô Ja! - hoe klopt mij 't hart,
- Kom Doris, kusch uw bruid.
-
- Ma.V.H.
|