[p. 47]
De vergenoegde vrouw.
- Wijze: Hoe zoet is 't daar de vriendschap woont.
-
- Zie zo! dat is wêer afgedaan,
- 't Ontbijt was vroeg gereed.
- Mijn man is naar zijn werk gegaan,
- De kind'ren zijn gekleed.
- Zij sprongen vrolijk om mij heen,
- Zij zijn gezond en vlug ter been,
- God dank! God dank! God dank!
-
- Zij gaan naar 't school; 't is nu de tijd,
- Dat elk wat leeren moet.
- Hier aan besteeden we onze vlijt,
- Zij erven geld noch goed;
- Maar zijn zij reed'lijk opgebragt,
- Wie is er dan, die hen veracht?
- Geen mensch, geen mensch, geen mensch.
-
[p. 48]
-
- Nu help ik ook mijn kleine wicht,
- Ei zie eens, hoe het lacht;
- Terwijl 't in schomm'lend wiegjen ligt,
- En naar zijn moeder wagt.
- Die liebe lachjens steelen 't hart,
- 'k Vergeet dan moeite, zorg en smart.
- Daar door, daar door, daar door.
-
- Wat heb ik een gelukkig lot!
- Mijn man is braaf en trouw;
- 't Geen hij verdient, dat zegent God.
- Ik ben geen rijke vrouw;
- Maar wel te vreden in mijn staat.
- En moet ik werken vroeg en laat,
- Geen nood! Geen nood! Geen nood!
-
- God zorgt voor ons, en ons gezin,
- 't Zij dat ik slaap of waak.
- De rijkdom heeft veel moeiten in,
- 't Is alles geen vermaak.
- Ik doe mijn pligt, en dat met lust,
- Dus leef ik vrolijk en gerust,
- En wensch, en wensch niets meêr.
-
- Ma.V.H.
|