[p. 49]

Het Huwelijk.

 Wijze: Kom Orpheus, enz.
  
 Men smaakt 't genoegen best op aard,
     In 't zagte Huwlijksjuk,
 Wanneer de liefde ons zamen paardt,
     Dan vreest men leed noch druk.
     Al wat ons God bereidt,
     Deelt men met dankbaarheid.
 Die rust bevordert in 't gemoed,
 Een kalmte in voor- en tegenspoed,
     Daar liefde 't hart voldoet.
  
 Hoe zoet is 't niet, als man en vrouw,
     Altoos zijn eensgezind.
 Daar onderlinge liefde en trouw,
     De harten t'zamenbindt.
     Men handelt vol beleid,
     Met die bescheidenheid,
 Dat de een des and'ren fout bedekt,
 En 't huisgezin ten voorbeeld strekt,
     Elks achting tot zich trekt.
  


[p. 50]

 
 Men werkt dan zamen wel te vreên,
     Voor 't onderling belang.
 En vindt in nutte bezigheên,
     Bevrijd van zorg of dwang,
     In elke daad of pligt,
     Die men met lust verricht,
 Een waar genoegen, dat ons streelt,
 En maakt dat nooit de tijd verveelt
     Wijl men dien goed verdeelt.
  
 Is een van beiden ziek of zwak,
     En lijdt men smart en pijn;
 Al heeft hij leed en ongemak
     't Zal hem toch troostlijk zijn,
     Als hij een teder woord,
     Van medelijden hoort.
 En liefderijke hulp geniet
 Die tot verzagting van 't verdriet,
     Door trouwe zorg geschiedt.
  
 Ontdekt men somtijds, tot zijn smart,
     Aan hem, dien men bemint,
 Verkeerdheid in verstand of hart,
     Die hem zo sterk verblindt,
     En ongevoelig maakt,
     Dat hij de deugd verzaakt;
 En slegt en slordig van gedrag,
 Zijn' pligt verwaarloost, dag aan dag,
     Hoe sterk z' ook spreeken mag.
  


[p. 51]

 
 Met zagtheid, reden, klem van taal,
     Bestrijdt men de ondeugd best:
 De Godsvrugt leidt in zegepraal,
     Hem nog te rug, op 't lest.
     Zo paart genegenheid
     Den ernst met wijs beleid,
 Terwijl het hart inwendig kwijnt;
 En wenscht, dat eens die dag verschijnt,
     Waarop zijn rouw verdwijnt.
  
 Dus leeft men in den echten staat
     Door God zelfs ingericht;
 En schoon ze ons van geen ramp ontslaat
     Het drukt met min gewigt;
     Als men te zamen draagt,
     Zo lang het God behaagt.
 En uitziet naar 't bestendig goed
 Dat God het deugdzaam, trouw gemoed
     Hier namaals erven doet.
  
     S.A.R.