[p. 52]
De Bruids moeder.
- Wijze: Toen ik laatstmaal in 't Maisaizoen.
-
- Wat ben ik in mijn hart verblijd!
- Ik smaak een zoete vreugd;
- Nu Jaantje, binnen korten tijd,
- Zo minzaam als vol deugd,
- Zal treden in den echt,
- Met Braafharts oudsten knegt;
- 't Is zulk een snedig jongeling
- En tevens zoo opregt.
-
- Maar nu gebiedt mijn moederpligt,
- Dat ik haar eens ontvouw,
- Het geen ik acht van veel gewigt,
- Voor ieder jonge vrouw:
- Hoe dat men in dien staat,
- Veel ongeluk ontgaat.
- En daar men jong en onbedacht,
- Dan zo geen acht op slaat.
-
[p. 53]
-
- Het eerst dat ik haar zeggen wil,
- Is: schuw het huiskrakkeel:
- Want wagt ge u voor het eerst verschil,
- Dan wint gij waarlijk veel.
- Voer nimmer 't hoogste woord,
- Wijl zulks des man behoort:
- Hier door kunt gij veel twist ontgaan,
- Die 't zoet des vredes stoort.
-
- Met vreugd voeg ik 'er dan nog bij:
- Dat vlijtigheid haar past:
- Dat dit den man verligting zij,
- In 't dragen van zijn' last.
- ô 't Brengt voor 't huisgezin,
- Aanmerkelijk voordeel in,
- Als man en vrouw te zamen werkt,
- Uit eenerlei begin.
-
- Ik zal haar raaden, dat ze let
- Op kleding, huissieraad;
- Dat alles zindlijk zij en net,
- En wel in orde staat.
- Een vrouw, die slordig leeft;
- Verwaarloost wat zij heeft.
- Daar ze aan heur man en huisgezin,
- Een schaadlijk voorbeeld geeft.
-
[p. 54]
-
- Ik zeg haar dan voor eerst genoeg;
- Zij heeft toch ook verstand.
- Voor and're dingen is 't te vroeg,
- Die volgen naderhand.
- Kwam eens die blijde dag,
- Dat 'k haar als moeder zag:
- 'k Gaf haar dan weêr den besten raad,
- Die 't Moederhart vermag.
-
- S.A.R.
|