[p. 6]
Morgenzang.
- Stem: Ps. 108.
-
- Ons lied, ô God! is tot uw eer;
- Wij danken u, ô Opperheer!
- Dewijl ge in den voorleden nacht,
- Ons hoedde door uw Englen wacht.
- Wij, door een zachten slaap verkwikt,
- Zijn weêr tot ons beroep geschikt,
- En mogen voor dees gunstbewijzen,
- U, eeren, daken, loven, prijzen.
-
- We erkennen onze afhanglijkheid,
- Van u, ô hoogste Majesteit!
- Indien ge ons uwe hulp ontrekt,
- Zien we ons met ramp op ramp bedekt:
- Maar zijt gij ons ten zegenäar
- Dan vreezen wij geen zielsgevaar.
- Welzalig hij! dien gij beveiligt,
- Die uwen dienst is toegeheiligd
-
[p. 7]
-
- Wij smeeken u, met diep ontzach;
- Laat uw genade en geest, deez' dag
- Ons leiden. Ach! behoed ons voor
- Het zielverleidend zonden-spoor,
- En worden we u ooit ongetrouw,
- Geef ons dan, op een waar berouw
- Om 's Heilands lijden en voldoening,
- 't Geloovig uitzicht op verzoening.
-
- Dat ge alles ziet en gade slaat,
- Leere ons, om zelfs den schijn van kwaad
- Te vlieden, en op 't pad der deugd,
- Te vinden waare zielevreugd.
- Schenk ons, wanneer ge ons rampen zendt,
- Een hart, dat uw bestuur erkent.
- Laat ons in rampspoed nooit verlegen.
- Verkwik ons door uw' dierbren zegen.
-
- D.B.
|