[p. 10]
Klaagzang.
- Stem: Ps. 77. of,
-
- Wat is ons al vreugd gegeeven.
-
- Goede God! die uit den hoogen,
- Met ontfermend mededoogen,
- Al uw schepslen gadeslaat;
- Zie ook onzen jammerstaat.
- Zie, hoe 's waerelds tegenspoeden,
- Vol verschrikking op ons woeden;
- Hoe ons afgefolterd hart,
- Schier bezwijkt van angst en smart.
-
- Hier zien we ons door booze menschen,
- Drukkende ongeneuchtens wenschen;
- Daar dreigt ons de bittre haat,
- Met verachting, schande en smaad;
- Ginds tracht m' ons onze eer te ontrukken,
- Nu zien we onze vlijt mislukken;
- Dan weêr schijnt ons gansch bestaan,
- t' Eenemaal te niet te gaan.
-
[p. 11]
-
- Was ons in dit treurend leven!
- Slechts gezondheid bijgebleeven;
- Maar helaas! daar ziekte en pijn,
- In ons huis gedrongen zijn,
- Weigren eertijds trouwe vrienden,
- Zij die ons in voorspoed dienden,
- Toen geen heil ons scheen te ontvliên!
- Ons in 't onheil aan te zien.
-
- Konden we, in geloofsvertrouwen,
- Op uw liefde, ô Vader, bouwen,
- Daar ge u in uw dierbren Zoon,
- Als verzoend hebt aangeboôn:
- Dan zou 't ziele-grievendst lijden,
- Ons voor zelfverwijt bevrijden;
- Daar ons hart ons zelf verklaagt,
- Ons voor uwen rechtbank daagt.
-
- Ach! waar zullen we ons toch wenden,
- Midden in de bangste ellenden,
- Dan tot u, ô God! ons oog
- Heffen wij tot u om hoog.
- Schoon we uw wetten stout verachtten;
- Thans bijna van druk versmachten;
- Schoon wij hooploos zijn; gij weet
- Uitkomst in het bangste leed.
-
[p. 12]
-
- Niets kan uwe gunst beperken.
- Doe ons dan die gunst bemerken.
- Hoed ons voor vertwijfeling,
- Midden in uw tuchtiging.
- Laat geen armoede ons genaaken.
- Blijf voor onzen welstand waaken.
- Schenk ons uwen geest. Geleid
- Ons door hem ter zaligheid.
-
- D.B.
|