[p. 13]
Lofzang.
- Stem: Ps. 116.
-
- Zing! zing mijn ziel! ter eer van de oppermagt!
- Mijn lofzang moet ten hoogen hemel rijzen,
- 't Is goed, ô God! uw' grooten naam te prijzen.
- 'k Heb niet vergeefs uw hulp, en heil verwagt.
-
- Gij hebt mij van mijn eerste jeugd af aan,
- In gunst geleid; zelfs is me uw trouw gebleken,
- Toen 't trouwloos was van mijnen plicht geweken.
- En uw bevel en wetten dorst versmaên.
-
- Mijn ziel door druk geheel ter neêr geveld,
- Was nauwlijks hoop op redding bij gebleeven:
- Maar uwe troost schonk mij op nieuw het leven.
- Voor uwe magt bezweek het woest geweld.
-
- Hoe ver uw hulp van mij verwijderd scheen,
- Wat aklig lot ik immer had te schroomen,
- Ik wierd door u goedgunstig aangenoomen.
- En alle zorg in mijn gemoed, verdween.
-
[p. 14]
-
- Van toen af reikte ik u mijn hart en hand,
- 'k Heb uwen dienst voor eeuwig trouw gezwooren,
- Niets kan mijn waar - mijn zielsgenoegen stooren;
- Ik staar omhoog naar 't Hemelsch vaderland.
-
- Al wat mij in deez' rampwoestijn ontmoet,
- Zal door uw toeverzicht mijn heil vergrooten.
- Ik juich, als een van uwe gunstgenooten,
- In uw bestuur; want gij zijt allen goed.
-
- Dat vrij het woên der lastering mij schend'!
- Mijn hulde aan u, of list of dweepzucht noeme,
- Dit 's, dit 's mijn eer, dat ik me' in uw beroeme,
- Die zelfs 't geheim van 's menschen harte kent.
-
- U! u zij de eer voor mijn gelukkig lot!
- Voltooi het werk door u in mij begonnen.
- Zo word ik nooit, hoe loos belaagd, verwonnen.
- Gij zijt mijn hulp! mijn toeverlaat! mijn God!
-
- D.B.
|