[p. 15]
Aanspooring tot Dankbaarheid.
- Stem: ô Zalig heilig Bethlehem.
-
- Al wat ik ben en heb, is mij,
- Door onverdiende gunst geschonken,
- Van hem, wiens eeuwige alwaardij
- Mij steeds tot danken moest ontvonken.
-
- God schenkt mij daaglijks nieuwe kracht,
- 'k Verrijs bij 't nadren van den morgen.
- En voor ik zijne hulp verwagt,
- Toont hij voor mijn bestaan te zorgen.
-
- Hij slaat me op al mijn wegen gaê,
- Hoe dikwerf ben ik hem ontweken,
- En echter is mij zijn genaê,
- En liefde en trouw altoos gebleeken.
-
[p. 16]
-
- Voor hoe veel rampen sta ik bloot!
- Hoe veelen treffen 't angstigst lijden!
- En hij verlost me uit allen nood,
- Beschut, beschermt me aan alle zijden.
-
- Of treft mij eenig ongeval;
- Dan leer ik hem, den ongezienen!
- In wisselvallig jammerdal,
- Daar door met meerder ijver dienen.
-
- Dan leer ik de onbestendigheid,
- Van deez' verganglijke aard verachten,
- En 't heil, door hem mij toegezeid,
- Gelaaten en in hoop verwagten.
-
- Ach! bragt ik zijn weldaadigheên
- Mij meer voor mijnen geest te vooren!
- ô God! sterk gij mijn wankle treên.
- Laat mij u ganschlijke toebehooren.
-
- En ben ik hier uw eigendom;
- Ik zal 't gewis hier namaals weezen,
- Dan wordt uw' naam door d'englendrom,
- Eeuw uit eeuw in volmaakt gepreezen!
-
- D.B.
|