[p. 21]
De Jong Getrouwde.
- Wijze: Wat zagte vreugd verschaffen mij uw snaaren:
-
- Hoe ongemerkt is toch de tijd verstreken!
- Hij vlugt gelijk een snelle stroom.
- 't Is sints mijn trouw al bijna zestien weeken,
- En 't schijnt zo kort; 't is mij gelijk een droom
- Hoe vreemd was mij in 't eerst dit leven?
- Waarin ik thans het zoetst genoegen vind.
- Wijl 's Hemels gunst mij heeft gegeeven,
- Een man, die mij oprecht bemint.
-
- Ik help, met lust, mijn man de huiszorg dragen,
- Hoe ligt valt mij nu deze last!
- Wat zoet vermaak spreidt dit op onze dagen.
- Daar de eene hand weêrkeerig d'andre wascht.
- Al moet men werken slooven, zwoegen,
- Om 't daaglijks brood, God zegent onze vlijt.
- En onuitspreek'lijk is 't genoegen,
- Als elk zich van zijn pligten kwijt.
-
[p. 22]
-
- 't Geringste werk, de minste mijner zorgen,
- 't Is mij, nu alles van gewigt.
- 't Verheugt mijn man, dit zie ik ieder morgen
- Dat ik mijn werk met lust en vlijt verricht.
- Kan ik ooit meer mijn trouw betoonen,
- Dan, als ik zorg voor 't onderling geluk?
- Zijn liefde zal mijn werk beloonen.
- Hoe zagt valt mij het Huw'lijksjuk!
-
- Ma.V.M.
|