De Jonge Vrouw
- Wijze: Zederd dat lijsje mij heeft begeeven.
-
- Wel wat is men toch onbedreven,
- Als men zo kort eerst is getrouwd.
- Nu ben ik van mijn angst ontheven,
- 'k Heb eens aan moeder mijn hart ontvouwt.
- Ik was onlustig, en kon geen spijs verdragen.
- 'k Was in 't geheel niet, zo als weleer.
- Dikwijls moest ik over loomheid klagen,
- Flaauwten kwelden mij keer op keer.
-
-
[p. 23]
-
- Moeder heeft al mijn vreez' benomen.
- Kind, zegt ze: 't hoort zo in uw' staat,
- Gij hebt hier van niets kwaads te schroomen,
- Zo gij slechts hoort naar goeden raad.
- Zo gij u nooit uit een dwaas en slegt vooroordeel
- Aan vreemde grillige lusten bindt,
- Doet gij gewis het meeste voordeel,
- Zo aan u zelv' als aan uw kind,
-
- Niets kan de ted're vrugt meer deeren,
- Dan 's Moeders onbedwingb're drift;
- Wilt dus vooräl bedaardheid leeren,
- En mijd u voor dit schaadlijk gift.
- Wilt u voor vadse luiheid altijd wagten,
- Daar ze uw gezondheid schaden zou;
- Een matige arbeid sterkt uw kragten,
- En past vooräl een braave Vrouw.
-
- Gij zult weldra 't geluk genieten,
- Dat gij zult blijde Moeder zijn.
- Laat dan die last u niet verdrieten;
- Want deze vreugd loont zorg en pijn.
- Met welk vermaak, en ongewoon genoegen,
- Zult gij dan in dien nieuwen stand,
- U ook weêr naar uw pligten voegen,
- Ten beste van het dierbaar pand.
-
[p. 24]
-
- Zou 'k dan gevaar of smarte vreezen,
- Als eens 't ontzaglijk uur gemaakt?
- Neen! God zal mijn beschermer weezen,
- Hij heeft natuur die wet gemaakt:
- Hij zal ook mij in nooden niet begeeven,
- Als ik getrouw mijn pligt voldoe.
- Aan u, ô oorsprong van mijn leven!
- Wijd' ik mij en mijn kindjen toe.
-
- Ma.V.H.
|