Het Geduld.
- Wijze: Laatstmaal had ik mij begeven.
-
- Wat is 't geduld van eene onschatb're waarde!
- Daar het den mensch in al zijn tegenspoed
- In al het geen hem anders kwelling baarde
- Bedaardheid schenkt, en een gerust gemoed;
- Dat hem de nijd dan vrij den moedwil toon',
- Zijn hart is reeds aan lijdzaamheid gewoon.
-
[p. 25]
-
- Het taai geduld doet woeste drift bedaaren,
- Als men die met verstand en oordeel leidt,
- Het kan den mensch voor naberouw bewaaren,
- Wijl het den grond legt aan voorzigtigheid.
- Het is een deugd, die 't edel hart versiert,
- Als het de denktrant en de daên bestiert.
-
- Geen mensch op aard', hoe hoog in magt verheven
- Wiens wil aan elk ten strengen wet verstrekt;
- Kan hier gerust, veel min gelukkig leeven,
- Als ieder kleinigheid zijn driften wekt.
- Terwijl zijn hart, door valschen waan verblind,
- In elken mensch voor zich een vijand vindt.
-
- Maar hoe gerust, hoe innig wel te vreden,
- Hoe sterk van ziel in alle droeffenis,
- Kan niet de mensch zijn loopbaan hier betreden,
- Wanneer 't geduld zijn leidsvrouw is?
- Het schenkt zijn ziel een uitzicht in 't verschiet,
- Waar van hij hier reeds waaren troost geniet.
-
[p. 26]
-
- Ik wil mijn drift voordaan met moed bestrijden,
- Wijl dit mijn waare heil bedoelt
- 'k Zal mij altoos voor felle gramschap mijden,
- Of schoon mijn hart het onrecht voelt
- Hoe 't mij ook treff' te lijden zonder schuld;
- Mijn wapen zij een christelijk geduld
-
- S.A.R.
|