Blijmoedigheid.
- Wijze: ô Zielverrukkende avondstond.
-
- Hoe goed is niet een vrolijk hart,
- Al treft ons ziekte en pijn;
- Men kan, na mind'ring van de smart,
- Weêr dubbeld blijde zijn.
-
- Want hij, die dikwerf ziek'lijk is,
- Mist veel het zoet genot
- Der vriendschap, en dat groot gemis
- Verzwaart zijn droevig lot.
-
[p. 27]
-
- Een heldere opgewekte geest,
- Brengt hem veel voordeel toe;
- En schoon zijn kwaal al niet geneest
- Hij 's egter wel te moê.
-
- Als hij somtijds een' troost geniet,
- Die hem een vriend toedeelt;
- Is 't, of hij 't eind' der smarte ziet
- Zo wordt zijn hoop gestreeld.
-
- Want is 'er wel een grooter goed,
- Dan als men wordt gemind,
- Van vrienden, die in zuur en zoet,
- Men altoos teder vindt?
-
- Ik dank u God! gij gaaft aan mij
- Een vreugd-gevoelgen aart
- En waare vrienden aan mijn zij',
- Bemin'lijk, trouw, bedaard.
-
- ô Godsdienst! bron van zuivre vreugd!
- Werk steeds op mijn gemoed,
- Bekroon mijn wensch en sterk mijn deugd
- Als ziekte feller woedt.
-
- S.A.R.
|