[p. 33]

Vergeeflijkheid.

 Wijze: La Lumiere la plus pure,
  
 Of
  
 Elk zing de eer van Zoutmans glorie.
  
 'k Moet vergeeven en vergeeten,
 't Leed, dat mij wordt aangedaan.
 Ja! dit heb ik lang geweeten;
     Maar hoe staat die Les mij aan?
 Kan ik kwaad met goed beloonen,
     Hem beminnen, dien mij haat?
 Mij van harten droevig toonen,
     Als 't mijn' vijand kwalijk gaat?
  
 Neen, 'k heb dikwerf ondervonden,
     Dat mijn hart nog wraakzucht voedt.
 En hier aan is toch verbonden.
     Al de rust van mijn gemoed.
 'k Bid: vergeef mijn schuld, ô Vader!
     Als ik 's naasten schuld vergaf.
 Voor ik dus mijn God weêr nader,
     Leg ik eerst de wraakzucht af.
  


[p. 34]

 
 Schiep niet God, de God der liefde
     Ook mijn' vijand tot geluk?
 Schoon mij dan zijn boosheid griefde,
     'k Wensch hem nimmer ramp of druk.
 Zou mijn hart hem onheil wenschen,
     Daar Gods Zoon aan 't kruis voor stierf,
 Toen hij voor verdwaalde menschen,
     Heil en Zaligheid verwierf?
  
 Hier aan zal ik steeds gedenken;
     Dan vergeef ik, en vergeet,
 Alles wat mij ooit kon krenken;
     Al wat iemand mij misdeed,
 'k Zal met hen, als broeders leeven,
     Kind'ren van een' zelven God,
 Die aan allen deel wil geeven,
     Aan het zelfde heilgenot.
  
     Ma.V.H.